Home

In de verhalen van Stig Dagerman klinkt een roep uit de afgrond

Stig Dagerman In een bundel met proza van deze jonggestorven Zweedse schrijver zie je hoe zijn schrijverschap ontstaat. En overal is er die ondertoon van wanhoop, pijn en innerlijke verscheurdheid.

Winterlandschap in Zweden.

Ergens in de onmetelijk rijke prozabundel Natte sneeuw van de Zweedse schrijver Stig Dagerman staat de volgende passage, in het verhaal ‘Memoires van een kind’: „Ik droomde en droomde dat ik een keer op het Centraal Station zou staan met een kaartje naar China in mijn zak dat ik tevoorschijn zou halen als de politie kwam. Maar ik had nooit een kaartje naar China. Ik ging door met schrijven en daarachter lag dezelfde gedachte.”

Stig Dagerman: Natte sneeuw. Verzamelde verhalen. (Nattens lekar. Samlade noveller och prosafragment) Vert. Bernlef en Bart Kraamer. Koppernik, 551 blz. € 29,50

Dagerman (1923-1954) beschrijft hierin hoe hij eenzaam opgroeit op de boerderij van zijn grootouders – zijn gescheiden ouders lieten hem daar achter – en zich ontwikkelt tot schrijver: „Al heel vroeg begin je met schrijven. Als kind ben je altijd creatief. Later wordt het ons meestal afgeleerd.” En: „Zo bestaat de kunst om schrijver te worden er onder andere uit om je er niet door het leven of de mensen of geld van af te laten brengen.” Ook stelt Dagerman dat door het ‘verzinnen’ van de werkelijkheid die „warmer, aardiger en vermakelijker om naar te kijken” wordt, alleen moet je haar een beetje veranderen. Deze citaten geven op treffende wijze niet alleen het ontstaan van het schrijverschap weer, ook hoe je daarin moet volharden. Het kaartje naar China is verzonnen, de jongen heeft het nooit gehad, maar hij beeldt het zich in, hij werd schrijver „en daarachter lag dezelfde gedachte”. Schrijven als een niet-bestaand treinkaartje naar China.

Zelfgekozen dood

Vanaf zijn romandebuut De slang (1945) gold Dagerman tien jaar lang – tot aan zijn zelfgekozen dood – als een van de grootste Zweedse en ook internationale schrijvers; dat laatste dankzij de vele vertalingen. De pas verschenen omvangrijke verzamelbundel verhalen heeft als overkoepelende titel Natte sneeuw, naar de in 1965 door Bernlef samengestelde en vertaalde gelijknamige bundel. Dit boek is nu integraal herdrukt en aangevuld met niet eerder in het Nederlands gepubliceerde verhalen en prozafragmenten; deze laatste zijn vertaald door Bart Kraamer. Het nawoord is van Donald Niedekker.

In literaire kringen in ons land kreeg Dagerman bekendheid dankzij De laatste deur. Zelfmoord in de Nederlandstalige letteren (1983; herziene editie 2021) van Jeroen Brouwers. Uitvoerig staat deze stil bij de zelfdoding van de 31-jarige Dagerman, die toen al een indrukwekkend oeuvre aan romans, verhalen, toneelstukken en journalistieke werken op zijn naam had staan en een veelbelovende carrière tegemoet ging. Brouwers noteert, zich baserend op de knappe inleiding door Bernlef: „De laatste maanden van zijn leven speelde Dagerman een spel met de dood, door zich enige keren in zijn garage op te sluiten en de motor van zijn auto aan te zetten.” Ook Niedekker refereert aan dit noodlottige spel. Zijn werk vergelijkt hij met „wanhoopskreten, grimmige hongerberichten en roepen uit de afgrond”.

IJzige geliefde

De veelzeggende titels van de verhalen geven de beklemmende, aangrijpende en soms zwart-humoristische strekking weer. ‘De boom van de gehangene’ speelt zich af in een surrealistisch ‘boosaardig’ sneeuwlandschap waarin de hoofdpersoon verstikt wordt door jaloezie omdat zijn geliefde van ijs blijft onder zijn aanrakingen. Een boom zoekt hij om zich te verhangen, of gaat hij met een bijl iemand doden? In ‘De terdoodveroordeelde’ is het slachtoffer ’s morgens dood maar ’s avonds blijkt hij te leven. Het titelverhaal ‘Natte sneeuw’ speelt zich af op de boerderij van de grootouders van een kleine jongen zonder papa of mama. Zijn naar Amerika geëmigreerde tante komt op bezoek en treft de spullen aan van vroeger, zoals de dorsmachine; ze huilt om alles van toen en de jongen huilt met haar mee, maar zijn tranen zijn geen tranen, het is „maar een beetje natte sneeuw”.

Van ongekende klasse en kafkaiaanse beklemming is ‘De toren en de bron’. Het gaat over een gids die in een klooster twee jonge Amerikaanse stelletjes rondleidt; die zijn verveeld, brutaal, kwetsend. De oude gids voelt de verachting van de lawaaiige Amerikanen, maar hij weet ze met zijn historische kennis toch in te palmen. Schitterend beschrijft Dagerman de wanhoop en hardnekkigheid van de gids die het klooster als een heiligdom beschermt tegen wat hij noemt ‘Het Publiek’ dat sigaretten in de tuin gooit, waardevolle spullen steelt, rozenstruiken vernielt en het gras betreedt. De vraag die Dagerman stelt, is: hoe ver kun je gaan? Hoe diep moet je door het stof om de ander te behagen? De spanning die heerst tussen de oude man en het jeugdige viertal is bijna ondraaglijk. Toch wint de gids, dankzij de kracht van zijn trots: „Grote rust en een zeker vermogen om je niet te laten opruien is ook heel goed, want om jezelf te kunnen verdragen moet iemand heel goede zenuwen hebben.”

Om jezelf te kunnen verdragen: dit lijkt de essentie van het oeuvre van Dagerman, zoals ook blijkt uit romans als De slang, Het eiland der verdoemden (1946) en Het verbrande kind (1948). Elk van zijn personages staat op gespannen voet met de buitenwereld en daardoor met zichzelf. Hij flirtte met de filosofie van het existentialisme, die ook in de literatuur opgeld deed, maar Dagermans existentialisme gaat dieper dan veel van zijn tijdgenoten. Bij hem is er een ondertoon van wanhoop, pijn en innerlijke verscheurdheid. In combinatie met compassie levert dat grootse literatuur op. In zo goed als alle verhalen draait het om personages die het goede willen, maar in confrontatie met anderen – meestal familie, buren, mede-dorpsbewoners of toevallige passanten – zich beroofd voelen van zichzelf; ze moeten niet alleen de ander, maar vooral zichzelf verdragen.

Obsessie

Geliefd worden is een Dagermans obsessies, zo schrijft hij in de eerste zin van ‘De verrassing’: „Er zijn mensen die niets doen om geliefd te worden maar het toch worden en mensen die alles doen om geliefd te worden maar het nooit worden.” Arme mensen, betoogt Dagerman, zullen nooit geliefd worden; armoede is nog een van zijn obsessies of beter: de angst voor armoede. Åkes moeder is vijf jaar weduwe. Zijn grootvader wordt zeventig en zijn moeder wil hem een cadeau schenken, een door haarzelf geschreven gedicht dat Åke voorleest in een grammofoonwinkel in de grote stad. Deze in bakeliet geperste voordracht is het mooiste geschenk dat zijn moeder zich kan veroorloven. Als een kostbaarheid nemen ze het mee naar grootvaders verjaardag, het gezicht van zijn moeder gloeit van verwachting. De bittere afloop laat zich raden. ’s Avonds in bed gleed hij „in haar armen met zijn pijn en haar warme natte fluisteringen streelden zijn wang”. Dit verhaal is hartbrekend mooi, zo subtiel opgebouwd en vol desillusie die de lezer diep raakt. Moeder en kind die geliefd willen worden, een grootse geste doen en dan door kille onverschilligheid worden verpletterd.

Praten over zelfdoding kan bij de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon: 113, 0800-0113 of www.113.nl.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next