Overpeinzingen De voormalig stadsdichter van Antwerpen Maud Vanhauwaert schrijft korte cursiefjes voor de Vlaamse krant De Morgen. Die zijn nu gebundeld in een boek met een gat. ,,Ik zie mijn stukjes als kleine raampjes op een grote wereld. Dat idee wilde ik doortrekken naar de vorm.”
Maud Vanhauwaert.
Ook al leek het onmogelijk, haar nieuwe boek moest en zou er een worden met een mooi rechthoekig gat erin. Leven in Mootjes (Maud wordt uitgesproken als moot) bevat een selectie van de cursiefjes die schrijver, dichter en performer Maud Vanhauwaert afgelopen jaren schreef voor de Vlaamse krant De Morgen. Die stukjes van amper 200 woorden zijn kleine tranches de vie, overpeinzingen over het leven, vaak met een woordspel en subtiele verwijzingen naar de actualiteit. Ze bekijkt de wereld graag vanuit een ongebruikelijk standpunt, niet zelden spelen haar kleine kinderen en haar vriendin een hoofdrol. Soms maakt ze een sprookje of parabel van de actualiteit.
Ze kan zich goed vinden in het begrip ‘perspectivische lenigheid’ van de Nederlandse filosoof Lammert Kamphuis: wijsheid als het vermogen om iets vanuit een ander perspectief te bekijken. „Dat is de wijsheid die ik nastreef”, zegt Vanhauwaert. Dat levert bizarre ideeën op als het voorstel om donkerblauwe truien op de markt te brengen, met een grote witte letter L op de rug, naar analogie met de L voor leerling-chauffeurs, om aan te geven dat we allemaal maar wat aanmodderen en leerlingen zijn in dit leven.
Maud Vanhauwaert: Leven in Mootjes. Kleine raampjes op een grote wereld. Das Mag, 176 blz. € 26,99
Vanhauwaert debuteerde in 2011 met de poëziebundel Ik ben mogelijk, over de zoektocht naar een identiteit. In 2014 werd ze tot haar eigen verbazing finalist in het Leids Cabaret Festival. Echte bekendheid kreeg ze vanaf 2018 als stadsdichter van Antwerpen, waarbij ze probeerde poëzie een duidelijkere plaats in de openbare ruimte te geven. Haar eerste grote daad was een optocht met allemaal in het wit geklede mensen, met onbeschreven protestborden. Een vorm van stil protest, wandelende witruimte. Het zal een terugkerend thema worden in haar werk. Haar tijd als stadsdichter mondde uit in het fraai vormgegeven boek Het stad in mij, waarvoor ze in 2020 de Jan Campert-prijs kreeg.
Ze had al vroeg de liefde voor taal te pakken, al had ze belangstelling voor alle kunsten. „Zo heb ik wel acht jaar viool gespeeld, wat piano, zang, blokfluit. Ik heb heel lang gedacht dat ik het juiste instrument nog niet had gevonden, maar gaandeweg besefte ik dat ik het talent mis om met een instrument iets uit te drukken. De taal trok aan mij, en daarin blijft muzikaliteit een grote rol spelen. Ik zie een tekst als een partituur, die goed moet klinken, of waarin je bewust wat dissonanten verstopt.”
Die muzikaliteit zit in Tosca, de roman waarmee ze in 2024 op de shortlist stond voor de Libris Literatuurprijs, en zeker ook in de columns die ze schrijft voor De Morgen, al heeft ze het zelf nadrukkelijk over cursiefjes, of ‘mootjes’. „Ik vind een column toch een ander genre. Binnen een cursiefje voel ik me veel vrijer. Ik zie het als een soort speeltuin, een plantsoentje dat ik probeer aan te harken, of waar ik een zaadje plant.”
„Voor mijn boeken zoek ik sowieso altijd naar een huwelijk tussen inhoud en vorm, waarbij de vorm niet zomaar een strikje is, maar een meerwaarde biedt. Ik zie mijn stukjes als kleine raampjes op een grote wereld. Dat idee wilde ik doortrekken naar de vorm. Het is ook een mooie verwijzing naar het rechthoekje waarin de cursiefjes staan in de krant. Een meer reguliere uitgave was voor mij niet echt een optie. Die stukjes zijn al eens verschenen, een publicatie vond ik daarom alleen interessant als ik er ook een bijzonder boekobject van kon maken.”
„Niemand had kunnen vermoeden dat het zo moeilijk zou worden. De moeilijkheid zat in de rechte hoeken. Door de druk van de messen gaat het papier snel kromtrekken. In het dagelijkse leven ben ik niet zo koppig, maar als het over mijn werk gaat wil ik wel mijn zin doordrukken. Ook omdat ik dacht: hoe is het in godsnaam mogelijk dat we naar de maan vliegen, dat we zelfrijdende auto’s fabriceren, dat we AI ontwikkelen die onwaarschijnlijke dingen kan, maar een simpel rechthoekig gat in een boek leek onmogelijk. Dat prikkelde mijn nieuwsgierigheid. Die schijnbare onmogelijkheid werd voor mij een argument om het te blijven proberen. Iets wat jaren geleden technisch wèl mogelijk was, bleek inmiddels heel moeilijk te zijn.”
„Absoluut. Het ging voor mij al heel snel niet meer alleen over het boek. Voor mij is dit project een ode aan vakmanschap. We hebben zelfs enkele mannen uit hun pensioen moeten halen om ons te helpen.”
„Iedereen eigenlijk. Ik heb me op die momenten wel een beetje alleen gevoeld. Zelfs mijn vriendin, die mij in alles steunt, had het op een bepaald moment wel een beetje gehad met mijn gat. Er waren momenten waarop ik voelde dat bepaalde relaties onder spanning kwamen te staan, ten opzichte van Jelle Jespers bijvoorbeeld, de vormgever waarmee ik vaak werk, iemand die ook wel een perfectionist is. Hij wil ook graag tot het uiterste gaan, maar deze keer werden we wel erg veel geconfronteerd met hindernissen en onmogelijkheden.”
„Ja, dat gaf me wel wat ademruimte bij de uitgeverij. Want het maken van het gat bleek al snel duurder dan het maken van het boek eromheen. Uiteindelijk is het belangrijkste voor mij het welzijn van iedereen die bij zo’n project is betrokken. Ik kan heel ver doorgaan in een idee maar het tegelijk ook totaal relativeren. Als het niet was gelukt, had ik er geen traan om gelaten. Ik houd mijn tranen voor meer wezenlijke zaken. Ik moet wel bekennen: hoe moeilijker het bleek, hoe meer plezier ik er in had, want ik heb wel een hang naar het absurde. Als mensen mij vroegen ‘waar ben je mee bezig?’ vond ik het heerlijk om te kunnen zeggen: ‘Met het creëren van niets’.”
„Ja, daar ben ik van overtuigd. Poëzie ontstaat bij de gratie van witruimte. De witruimte rond een gedicht, maar ook het gat in dit boek, geven je de mogelijkheid die op duizend manieren in te vullen. Er zit ook veel connectie in met mijn voorgaande werk. Mijn debuut Ik ben mogelijk had een witte cover met in de hoek een geel vierkantje. En dat boek had ook een aparte bladspiegel, waarbij onderaan de pagina’s veel witruimte ontstond. Het stad in mij is vertrokken vanuit die witte stoet. En de speciale editie van Tosca was een boek dat je moest openscheuren om binnenin het verhaal te ontdekken. Daarin schuilt ook mijn verlangen om elke keer opnieuw te beginnen.”
„Aanvankelijk wist ik niet hoe lang ik het zou volhouden, want ik schreef best lang aan mijn eerste stukjes. Dit is ook niet mijn hoofdactiviteit. Ik maak theater, schrijf boeken, maak installaties en geef les aan de universiteit. Die mootjes ontstaan tussendoor. Langzaamaan werd het een deel van mijn systeem. Ik heb wel een reservebankje van cursiefjes, maar zelfs op vakantie merk ik dat ik me graag even terugtrek om te schrijven, in mijn eigen bubbel. Het geeft ook ritme aan de week, een soort mentale rust. Het geeft me twee keer per week even het gevoel dat ik grip heb op dit leven, wat natuurlijk een illusie is.”
„Het lijkt alsof ik een magneet heb ingeslikt waar af en toe iets aan blijft hangen. Soms is een gebeurtenis te licht of te anekdotisch, andere thema’s zijn dan weer te groot om in zo’n kleine ruimte te vangen. Nog voor ik ga schrijven heb ik al vaak nagedacht over de dramaturgie. Dan zoek ik naar een spanningsopbouw en een sterke uitsmijter. Net binnen de beperking van die 200 woorden ben ik me erg vrij gaan voelen. Ik voel niet de behoefte om me te mengen in actuele debatten. Ik ben eerder iemand die af en toe een klein speldenprikje geeft, een snipper schoonheid. Mijn kinderen geven me ook veel inspiratie, maar ik probeer de anekdotiek wel op te tillen naar iets universeels.”
„Ik denk dat ik zo schrijf omdat dat het beste bij mij past. Ik heb veel bewondering voor schrijvers die een duidelijk standpunt sterk onder woorden kunnen brengen, maar dat is niet mijn kracht. Ik gooi wel eens een knuppeltje in het hoenderhok, maar liever zoek ik een nieuw stukje wei. Er is zoveel lelijkheid op de wereld en ik wil eigenlijk alleen nog aandacht schenken aan wat ik mooi en waardevol vind. Je ziet het op sociale media: lelijkheid trekt lelijkheid aan. Maar het omgekeerde is ook waar: schoonheid trekt schoonheid aan. Zonder er een goednieuwsshow van te maken wil ik in mijn cursiefjes blijven zoeken naar schoonheid.”