Het kabinet presenteert vandaag zijn langverwachte stikstofaanpak. Vooral rond natuurgebieden worden stevige maatregelen voorzien. Wat voor landbouw is daar straks nog mogelijk? ‘Ik houd mijn hart vast.’
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en voedsel.
Voor melkveehouder Jacob van Emst is de nabijheid van natuur een vanzelfsprekendheid. Zijn bedrijf in de Hoenwaard, bij Hattem, staat midden in de uiterwaarden van de IJssel, in Natura2000-gebied Rijntakken. Achter het bedrijf buigen de weiden met ruig grasland zich glooiend oostwaarts richting de rivier.
‘En daar’, zegt Van Emst (40), westwaarts kijkend naar een bomenrij ongeveer een kilometer verderop, ‘achter die dijk begint de Veluwe al. Er zijn weinig gebieden waar de overgang van IJssellandschap naar Veluwelandschap zo direct verloopt. Dat maakt deze plek bijzonder, maar ook uitdagend.’
Want natuur, dat kun je als boer tegenwoordig maar beter niet in de buurt van je bedrijf hebben. Vanwege de slechte staat van die natuur zijn uitbreidingen of nieuwe ontwikkelingen in de omgeving vrijwel uitgesloten. De achterliggende oorzaak: stikstof.
Vandaag besluit het kabinet over een pakket maatregelen dat, na zeven jaar, eindelijk een oplossing moet bieden voor het stikstofprobleem. Het is een dag die Van Emst en veel andere boeren met spanning afwachten. Want de maatregelen die zijn uitgelekt, vallen niet mee.
Een beperking van het aantal koeien per hectare landbouwgrond. Een uitstootplafond per veehouderijsector. Invoering van dierrechten in de kalver- en geitenhouderij. En, niet in het minst, zones van 500 tot 1.000 meter rond kwetsbare Natura2000-gebieden waar de uitstoot hard omlaag moet.
Het maakt 26 juni tot een dag van de waarheid voor veel boeren – de zoveelste.
De Nederlandse stikstofcrisis begon goed en wel op 29 mei 2019, toen de Raad van State het Programma Aanpak Stikstof (PAS) onwettig verklaarde. Het PAS maakte stikstofuitstoot mogelijk met de belofte die later te compenseren. Dit leven op de pof was volgens de hoogste bestuursrechter onvoldoende om de natuur te beschermen.
Sindsdien beten achtereenvolgende ministers hun tanden stuk op het stikstofprobleem. In landelijk beleid heeft zeven jaar stikstofprobleem bitter weinig opgeleverd. Het bekendst is de uitkoopregeling, waar bijna 1.700 veehouders zich voor hebben gemeld. Meer dan verwacht, maar bij lange na niet genoeg om het probleem op te lossen.
De zogeheten ‘piekbelasters’ hadden ook andere opties: verplaatsen, innoveren of extensiveren. Voor dat laatste heeft Van Emst gekozen. In ruil voor overheidssteun gooide hij zijn bedrijf om: stoppen met kunstmest, minder eiwit voeren, meer koeien de wei in en een lagere veebezetting. Op 450 hectare houdt hij nu 250 melkkoeien.
Een sparringpartner vond hij in Klaas de Lange, die met zijn biologische melkveebedrijf ruim dertig kilometer noordwaarts zit, in de Weerribben. Daarnaast heeft hij een locatie voor jongvee die aan het land van Van Emst grenst.
‘We zitten allebei op een heel kwetsbare plek, tegen Natura2000 aan, en zijn ervan overtuigd dat daar iets moet gebeuren’, zegt De Lange (65) in een vergaderruimte boven de brasserie die Van Emst op zijn erf runt. ‘We hopen dat we nu een beetje vooroplopen. Dat de brief van 26 juni ons niet de kop kost.’
Van Emst en zijn ouders beheren al bijna dertig jaar natuurgronden, vertelt hij boven een kop koffie en een stuk huisgemaakte appel-havermouttaart. Hij maait ze of laat ze door zijn koeien begrazen. Zijn bedrijf had ook vóór zijn deelname aan de regeling al een relatief lage veebezetting per hectare. ‘Omdat het past bij dit gebied, en ook omdat ik erin geloof.’
In studiegroepen met collegaboeren merkt hij al langer dat de intensievere bedrijven het financieel beter doen. ‘Dan bungelen wij een beetje onderaan.’ Bedrijven als het zijne, die een lage uitstoot hebben en bijdragen aan natuurbeheer, kunnen niet opboksen tegen hun collega’s die de nadruk leggen op melkproductie. ‘Als de toegevoegde waarde die jouw bedrijf levert niet in een regeling wordt verdisconteerd, leg je het altijd af.’
De extensiveringsregeling kwam dus als geroepen. ‘Anders weet ik voor 90 procent zeker dat we voor de opkoopregeling hadden gekozen.’
Dankzij de financiële steun kon Van Emst extra grond aankopen. ‘Maar de grootste slag is stoppen met kunstmest.’ Alle veehouders die aan de regeling meedoen, moeten dat afzweren. Van Emst vergelijkt het spul met een blikje energiedrank voor de bodem. ‘De hoeveelheid gras die je er nu afhaalt, is gewoon significant minder. En alles wat je minder hebt, moet je compenseren met meer grond.’
Van Emst herinnert zich de woorden van zijn samenwerkingspartner De Lange: ‘Jacob, je moet niet zenuwachtig worden als je een keer 800 liter per koe per jaar mist.’ ‘En dat is echt heel veel hè’, zegt Van Emst. Ongeveer een tiende van de totale productie. ‘Vorig jaar viel het mee, maar nu zitten we daar wel aan.’
‘Pittig’, noemt hij dat. ‘Niels, die bij ons de koeien verzorgt, zegt dan: ‘Jacob, dat komt toch niet goed?’ ‘Nee’, zeg ik dan, ‘Klaas zegt dat het goed komt.’’
‘Je bent bij dit type bedrijven meer afhankelijk van de natuur’, verklaart De Lange. ‘Vorig jaar was het weer heel anders dan dit jaar, dat heeft effect op je melkproductie. Ik boer al veertig jaar biologisch en heb me erbij neergelegd. Het ene jaar geeft het iets meer, het andere jaar neemt het iets meer, en gemiddeld melk ik 10 procent minder dan de rest van Nederland.’
Door het afzweren van kunstmest en de lagere veebezetting daalt de stikstofuitstoot op het land met ongeveer de helft, schatten Van Emst en De Lange in. Door het eiwitgehalte in het voer te verlagen en de dieren meer naar buiten te laten, beredeneren ze dat ook de uitstoot in de stal door de helft gaat. Harde metingen zijn er nog niet, al zouden ze dat wel graag willen.
Van Emst en De Lange hebben dus al een grote stikstofslag geslagen. Toch vrezen ze de nieuwe maatregelen. Binnen het kabinet wordt volgens het AD gesproken over reducties van 60 tot 70 procent ten opzichte van 2019 in de zones.
‘Het blijft koffiedik kijken zolang de plannen van het kabinet niet duidelijk zijn’, stelt Nick van Eekeren, onderzoeker duurzame veehouderij bij het Louis Bolk Instituut. ‘Maar afhankelijk van de precieze invulling houd je met zo’n eis geen koeien meer over of krijg je bedrijven met de koeien binnen en een luchtwasser erop.’ Dan wordt de stikstof grotendeels afgevangen, maar draagt het bedrijf weinig bij aan de omgeving.
Terwijl juist rond natuurgebieden meer problemen spelen dan alleen stikstof: droogte en waterkwaliteit bijvoorbeeld. Boerennatuur en ‘echte’ natuur kunnen elkaar daar versterken. ‘Daarom wil je juist koeien in de wei en verweving van landbouw en natuur’, zegt Van Eekeren. ‘Dát moet je stimuleren.’
Belangrijke vraag is hoe groot de zones worden. Het kabinet kiest waarschijnlijk voor 1 kilometer rond twintig grote natuurgebieden, zoals de Veluwe, De Peel en de Utrechtse Heuvelrug, en 500 meter rond de pakweg honderd andere stikstofgevoelige gebieden. Boerenorganisaties vinden dat veel te ruim.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) berekende al eens dat binnen 250 meter van stikstofgevoelige natuurgebieden 1.853 boerenbedrijven zitten. Bij 500 meter zijn dat er 3.077 en bij 1 kilometer zelfs 5.499. Vanuit de 250-meterzones komt 56 ton stikstof per jaar in de natuur terecht, vanuit de 1-kilometerzones is dat 121 ton – 9 procent van de totale depositie.
Ton Brouwer, stikstofexpert en eigenaar GisPoint, noemt de 1-kilometerzones van het kabinet ‘reëel’. ‘Maar bij de Veluwe en mogelijk De Peel moet je een tandje bijschakelen.’
Het gangbare denken is dat de stikstofuitstoot moet halveren om de doelen te halen. Maar als de maatregelen op de juiste plekken worden genomen, hoeft er slechts een derde van af, blijkt uit een notitie van Brouwer en ‘stikstofprofessor’ Jan-Willem Erisman. In het meest extreme scenario tekenen zij rond de Veluwe wel een zone van 4 tot 15 kilometer breed.
De notitie schetst de dilemma’s voor het kabinet: hoe kleiner de zone, hoe harder de uitstoot daar omlaag moet voor hetzelfde resultaat. En hoe meer er in de zones gebeurt, hoe minder boeren buiten die zones hoeven te reduceren.
Bovenal pleit Brouwer voor lokaal maatwerk. ‘Als je de zone star op 500 meter zet, dwing je een kleine boer dicht bij de natuur tot 85 procent reductie, waardoor hij omvalt. Maak je de zone breder, dan zie je op 800 meter misschien twee grote bedrijven die tóch al wilden stoppen.’
Van Emst en De Lange zitten zo dicht bij natuur dat ze er toch wel in belanden. Het is vooral de opdracht van 60 tot 70 procent reductie die hen zorgen baart. ‘Zonder financiële steun denk ik dat je heel veel stoppers krijgt’, zegt De Lange.
Ook geld lost niet alle problemen op, vindt Van Emst. ‘Het gaat erom dat je nog een levensvatbaar bedrijfsmodel hebt. Je moet voldoende dieren overhouden om die natuurgronden te begrazen. Anders moet je het maaien en afvoeren, dat is het paard achter de wagen spannen.’
Op een omheind zandveld naast de brasserie eet een aantal kalveren uit een voerbak. Eén slimmerik steekt zijn kop onder het hek door om wat gras uit de berm te eten. ‘Ook hier is het gras altijd groener aan de overkant’, grapt Van Emst.
Voorheen bleven zijn kalveren binnen tot ze naar de kalvermester gingen. ‘Nu hebben we zo veel natuurterreinen die begraasd moeten worden, dat we de kalveren daarvoor inzetten.’ Met vierenhalve maand mogen ze de wei in, en ze blijven tot ze als volwassen rund naar de slacht gaan.
Het illustreert volgens Van Emst dat nóg minder koeien in de Hoenwaard niet zaligmakend is. ‘Aan deze weg zaten begin deze eeuw zeventien bedrijven, dat zijn er nu nog twee. De helft van de koeien is weg. En dan moeten we nu nog 70 procent dalen in emissies? Ik kan dat niet volgen.’
Belangrijke vraag is daarom hoe het Rijk de uitstootreductie zal gaan meten. Van Emst vreest dat dit per fosfaatrecht gaat, waarmee het in feite wordt gekoppeld aan het aantal dieren. Hoe meer koeien een melkveehouder heeft, hoe meer fosfaatrechten die nodig heeft. Het zou een stimulans zijn om per dier zo veel mogelijk melk te produceren tegen een lage uitstoot, iets wat vooral intensieve bedrijven goed kunnen.
‘Ik houd mijn hart vast’, zegt Van Emst. Beter zou het volgens hem zijn de uitstoot per hectare als maatstaf te nemen, en voor elk gebied vast te stellen wat die maximaal mag zijn. ‘Anders wordt het een sterfhuisconstructie, dan kan ik beter meteen het bord in de tuin zetten.’
Onderzoeker Van Eekeren mist in de uitgelekte plannen een bredere visie op de landbouw, voedselvoorziening en het landelijk gebied. ‘Het gaat nu in de eerste plaats over stikstof. En in de tweede en derde eigenlijk ook. Dat is het meest urgente probleem, maar zonder een integrale visie ga je hoogstwaarschijnlijk nieuwe problemen creëren.’
‘In bufferzones rond natuurgebieden wil je bijvoorbeeld graag grasland behouden, omdat het bijdraagt aan onder andere waterkwaliteit’, zegt Van Eekeren. Maar als veel boeren in die zones stoppen, maakt het grasland vaak plaats voor intensieve bollen- of boomteelt, met negatieve gevolgen voor waterkwaliteit.
Van Emst pakt zijn telefoon erbij om een kaartje te laten zien met de percelen waar hij natuurbeheer toepast. Ze staan vol met gele markers. ‘Allemaal weidevogelnesten’, zegt hij.
Aangekomen bij een van die percelen klinkt tussen de grazende koeien en het wilde gras inderdaad de roep van een tureluur. ‘Als je het zo met elkaar weet te verweven, is het best goed te doen’, zegt Van Emst. ‘En is het ook hartstikke leuk. Alleen het is niet zo makkelijk tastbaar te maken. Vanuit het beleid is het veel makkelijker om op één ding te focussen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant