Home

Waarom de hele wereld een boek wil kopen in het Parijse Shakespeare and Company

Boekhandel Shakespeare and Company, aan de rue de la Bûcherie in Parijs, staat op de bucketlist van talloze toeristen. Zouden die weten dat dit níét de fameuze winkel is waar Ernest Hemingway en Gertrude Stein vaste klant waren?

Eerst wordt je geduld op de proef gesteld door de lange rij. Dan moet je langs de uitsmijter bij de ingang, alsof je een bardancing betreedt. En eenmaal binnen loop je met ingehouden buik door de krappe winkel schouder aan schouder met al die anderen die nu een vinkje kunnen zetten.

Weer iets weggestreept op hun bucketlist.

Kortom, lekker op je gemak struinen door de boeken zit er bij Shakespeare and Company niet meer in.

In de rubriek ‘Reputaties’ kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert.

De boekwinkel aan rue de la Bûcherie 37 werd in 1951 opgericht door George Whitman. Deze Amerikaan noemde zijn winkel Le Mistral en veranderde in 1964 de naam in Shakespeare and Company, naar de legendarische Parijse boekhandel van Sylvia Beach (1887-1962).

Eerbetoon of gewiekste keuze? Hoe dan ook: anders dan veel toeristen in de rij zullen denken, is deze winkel, die figureerde in de romantische films Before Sunset en Midnight in Paris, dus niet de fameuze boekhandel waar Ernest Hemingway, Gertrude Stein, F. Scott Fitzgerald en James Joyce hun boeken haalden.

Hemingway maakte van alles een wedstrijd, zelfs van winkelen: hij bestempelde zichzelf als Beach’ ‘beste klant’. In A Moveable Feast (1964) schrijft hij: ‘No one that I ever knew was nicer to me.’

En wie de sympathieke memoires van Beach leest – natuurlijk getiteld Shakespeare and Company – kan niet anders concluderen dan dat Hemingway voor de verandering eens niet overdreef.

De vrolijkheid van de jaren twintig verdween plotsklaps met de beurskrach van 1929. Een paar jaar later was de ellende compleet toen Hitler aan de macht kwam en zijn leger naar Parijs stuurde. Tweeëntwintig jaar behoorden Beach en haar winkel tot het centrum van het literaire leven in Parijs, maar in 1941 viel het doek voor Shakespeare and Company.

Donkere periode

Slechts acht pagina’s wijdt Beach in haar memoires aan de Duitse bezetting en haar verblijf in een interneringskamp in Vittel. Over deze donkere periode schreef Uwe Neumahr De boekhandel van de ballingen (Querido Facto, vertaald door Rogier van Kappel). In dit boek deelt Beach de hoofdrol met haar partner Adrienne Monnier. Zij was eveneens eigenaar van een legendarische boekhandel: La Maison des Amis des Livres. Ook hier vonden fameuze evenementen plaats.

Zo was er op 21 maart 1919 een uitvoering van Socrate van Erik Satie. Het stuk werd ingeleid door Jean Cocteau, zangeres Suzanne Balguerie werd op de piano begeleid door de componist zelf en in het publiek zaten Georges Braque, André Gide, Pablo Picasso, Igor Stravinsky en Paul Valéry. Kon minder.

Vrijwel alle gezichtsbepalende moderne Franse schrijvers waren lid van de uitleenbibliotheek van Monnier. Zo ook Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. Goede leden waren het overigens niet: regelmatig brachten ze de geleende boeken niet terug.

Met hulp van Monnier opende Beach in 1919 haar winkel in de rue Dupuytren. Gelukkig kon ze ook rekenen op de steun van haar moeder. Van haar dochter ontving ze een telegram: ‘Opening bookshop in Paris. Please send money.’

In mei 1921 verhuisde Beach haar winkel naar een pand tegenover La Maison des Amis des Livres in de rue de l’Odéon. Een jaar later verscheen Ulysses, uitgegeven door Shakespeare and Company. Niemand durfde het aan om het modernistische meesterwerk van James Joyce te publiceren. Te grof en te scabreus. Onder andere omdat protagonist Bloom masturberend op Sandymount Strand loert naar de jonge Gerty MacDowell.

Dat was voor Beach geen bezwaar en ze liet het boek drukken in Dijon. Zowel voor haar moed als voor haar engelengeduld verdient ze alle lof. De notoir moeilijk Joyce vond in Beach de ideale voetbalmoeder: iemand die hem altijd steunde in zijn veeleisendheid, zijn talent faciliteerde en nimmer kwaad over hem sprak.

Na de ‘dwaze jaren’ van het interbellum ‘begon met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een nieuwe, ‘heroïsche’ periode in het leven van de twee boekhandelaren, waarin hun boekhandels niet alleen tot toevluchtsoorden werden voor Duits-Joodse ballingen, maar ook haarden van verzet.’

Bekendste lotgeval was Walter Benjamin. De filosoof en essayist was een bewonderaar van de poëzie die Monnier publiceerde onder het pseudoniem J.M. Toen de schrijver Jules Romains haar vroeg welke voornaam schuilging achter deze initialen, antwoordde Monnier: ‘Zoals u zult zien, ben ik geen man of vrouw, maar een boekhandel.’

Einde van de winkel

Joyce stond aan de wieg van Shakespeare and Company’s roem, maar zijn werk luidde ook het einde van de winkel in. Een Duitse soldaat was fan van Joyce en zag in de etalage een exemplaar van Finnegans Wake (1939) liggen.

Beach weigerde het te verkopen: het was haar laatste exemplaar. Kwaad verliet de Duitser de winkel. Twee weken later kwam hij terug, kreeg weer nul op het rekest en dreigde toen al haar boeken te confisqueren. Beach nam geen risico, verhuisde de inboedel en sloot haar winkel in december 1941.

In 1944 kwam Hemingway met Amerikaanse militairen de rue de l’Odéon eigenhandig bevrijden. Althans, als we Beach mogen geloven. Maar dat raadt Neumahr af: zoals met veel verhalen waarin Hemingway een glansrijke hoofdrol vervult, is de waarheid wat minder heldhaftig.

Overigens was vroeger niet alles beter. Shakespeare and Company was in de jaren dertig van de vorige eeuw zo beroemd geworden dat er bussen met toeristen van American Express stopten voor het pand in de rue de l’Odéon.

Dus die rij met toeristen voor de deur vandaag: eigenlijk is die authentiek historisch.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next