Ik kijk naar mijn plonzende kinderen en hun vriendinnetjes, in het zwembadje in onze achtertuin. Glimmende lijfjes die over elkaar heen buitelen. Onder water, boven water. Ze gillen en schateren. Hittevrij hebben ze.
De boodschap kwam dinsdag, tijdens een studiedag toen ze ook al thuis waren. We werden geacht de kinderen de rest van de week vanaf twaalf uur op te halen en vrijdag zelfs de hele dag thuis te houden vanwege de hitte. Ik zuchtte, net als mijn vrienden met schoolgaande kinderen. Hoe regelen we dit nu weer?
Er moet immers gewoon gewerkt worden. Ik werk grotendeels thuis, dus een oplossing is er eigenlijk altijd – ik verplaats werk naar de avonduren, of schrijf terwijl de kinderen zwemmen, zoals nu. Maar veel vrienden werken op een kantoor. Werkgevers zijn vaak flexibel, maar om op zo korte termijn nog iets te regelen is niet vanzelfsprekend. Dus is er in veel gekoelde kantoren in Nederland toch hittestress.
De kinderen vinden het geen probleem. Onze diepvries zit vol ijsjes en ze hebben dikke pret. Voor déze kinderen is het geen probleem, mijmer ik, terwijl ik aan kinderen in flatgebouwen denk. Aan kinderen die geen zwembadje en geen tuin hebben, maar óók naar huis gestuurd zijn. Wat doen die nu? De voetbalkooien en betonnen basketbalveldjes in de stad zijn bakovens.
Buitenspelen, dat doet zo’n een op de drie basisschoolkinderen in Nederland sowieso nauwelijks. Het rapport ‘Niemand aan de zijlijn’ van de Nederlandse Sportraad en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving dat eerder deze maand verscheen herinnerde me nog eens aan dat schokkende cijfer. Die kinderen zitten nu binnen, op een schermpje waarschijnlijk – want wat moet je anders doen.
Waarom hebben zoveel mensen een werkplek met het hele jaar rond een goed klimaat, maar geven we onze kinderen dat niet? Hoe komt het dat werknemers aanspraak maken op strikte Arboregels, maar kinderen zijn overgeleverd aan de „zorgplicht” van hun school? Scholen doen wat ze kunnen, begrijp me niet verkeerd. Maar het enige dat ze kunnen is: kinderen naar huis sturen bij een hittegolf.
Ook al zijn sporttrainingen vanmiddag afgelast vanwege de hitte, mijn kinderen krijgen hun beweging wel. Sterker, ze ploffen vanavond uitgeteld van zon en water in hun bed. Maar de beweging die kinderen in hete flats misschien nog kregen, is nu helemaal gestopt. Ach, het is maar voor een paar dagen, hoor ik veel mensen al. Maar dat is niet waar het om gaat.
‘Niemand aan de zijlijn’ gaat over kansenongelijkheid in sport en bewegen. De redenen liggen vaak niet binnen de sport, maar erbuiten: een drukke weg tussen de wijk en het sportveld, of een sportclub die zo ver weg ligt dat er gehaald en gebracht moet worden. Geen probleem voor mensen uit een hogere sociale klasse, wel voor gezinnen in achterstandswijken. Het rapport pleit voor een fundamenteel andere, en meer samenhangende aanpak om deelname aan sport en bewegen te vergroten, en daarmee de gezondheid en de kwaliteit van leven in het algemeen.
Het zijn niet die paar dagen hitte, het is alles bij elkaar. We vinden gekoelde kantoren voor volwassenen belangrijker dan scholen met een goed binnenklimaat. We kiezen niet voor de toekomst van onze kinderen, maar voor het comfort van onszelf. Ik vraag me wel eens af hoeveel diersoorten de overlevingskansen van hun kleintjes kleiner in plaats van groter maken. Iets zegt me dat dat er weinig zijn.