Home

Zo hard mogelijk van A naar B, zonder een kip te raken, tijdens de Vechtdal Rally

In het weiland is een rood-wit lint gespannen, ongeveer vijftig meter van de zandweg. Achter die demarcatie verzamelen zich op vrijdag aan het eind van de middag tientallen toeschouwers met koelboxen en klapstoeltjes. Hun auto’s parkeerden ze verderop in de berm. Verwachtingsvol turen ze in de verte.

Dan een harde fluittoon. Ze komen! Eerst zwelt het geluid van een bulderende motor aan, dan zoef, een bestickerde rally-auto scheurt langs om even later met een enorme stofwolk de bocht om te snellen. Kwestie van seconden. Dan staan we weer in een stil weiland. Nog tachtig auto’s te gaan.

Racen op de openbare weg: voor een stadsbewoner is het lastig voor te stellen. Maar hier, nabij Hardenberg in Overijssel, wordt dat al 22 jaar gedaan tijdens de jaarlijkse Vechtdal Rally. Met vijf parcoursen, ‘proeven’ in rallyjargon, van twaalf kilometer die twee keer worden gereden. Zo’n zestig kilometer landweg in het buitengebied wordt uren afgesloten voor verkeer.

Dat klinkt als een flinke klus en dat ís een flinke klus, zegt een van organisatoren Henk Peter Meilink (56), in de pitstraat naast zijn witgroene Toyota Yaris GR. Zijn afrasteringsbedrijf is een van de hoofdsponsoren, het staat ook groot aan de zijkant van zijn auto. Meilink racet zelf ook graag en hard.

Alle omwonenden, onder wie veel boeren, moeten worden geïnformeerd over de races: een paar uur lang mag geen hond of kip oversteken. Niet iedereen is liefhebber, maar voor veel bewoners langs het parcours is de rally een feestje. Met familie, vrienden, barbecue en bier zitten ze klaar op het erf. Boeren helpen rechte stukken uitdagender te maken voor de coureurs met hooibalen of zandzakken, waar de auto’s omheen moeten zigzaggen.

Wat is allemaal nodig voor zo’n rally? Allereerst moet je aan veel veiligheidseisen voldoen, zegt Meilink. „Je wil geen ongelukken.” En anders krijgt hij geen vergunning. Dat wordt sowieso elk jaar een pittiger klus door stikstof- en milieuregels.

Vijfhonderd vrijwilligers helpen mee op rallydagen. Bij elke bocht, bij elke kruising staan ze in een oranje hesje. Anderen weer onzichtbaar voor publiek, achter monitors voor tijdregistratie en om hulptroepen te alarmeren als iemand botst of crasht.

Meilink laat zien hoe hij zich in een brandwerend pak als een sardientje in de kuipstoel van zijn auto vastgespt. Met nekbescherming wordt bij een botsing een whiplash voorkomen. Naast de stoel rode knoppen voor blusschuim bij brand en alarmering voor ambulance en brandweer.

Voordat de race begint, rijden vijf auto’s over het parcours een laatste check. De laatste van die vijf heet ‘nul-auto’. Die rijdt bijna even hard als de rallyrijders, zodat de eerste deelnemer niet het voordeel heeft van een stofvrij parcours. Meilink rijdt deze keer die nul-auto.

De lol van het racen? „Zo hard mogelijk van A naar B”, zegt Meilink. Op de weg is dat leuker dan rondjes rijden op een afgesloten circuit, zegt hij. Zeker in het Vechtdal waar hij vandaan komt. En de samenwerking met de navigator in de bijrijdersstoel. En natuurlijk het gejuich als je mooi door de bocht komt. Trouwens, het publiek juicht ook als je de bocht uitvliegt.

Crashes horen erbij. Gaat er verder weleens iets mis?

Nee, eigenlijk niet… Nou ja, heel af en toe.

Zoals die keer dat een boer z’n weiland afsloot nádat het publiek daar massaal illegaal had geparkeerd. Er liepen ook een keer paarden op de weg (liep af met een sisser). En, o ja, een keer reed een tractor het parcours op. De oude boer had dementie en was de rally vergeten. De familie zat te kijken, hoorde een trekker en dacht. „Dat zal vader toch niet zijn?” Het was vader wel. Dat was even schrikken, maar Meilink ontweek hem sierlijk.

Henk Peter Meilink naast zijn auto

Sheila Kamerman doet wekelijks ergens vanuit Nederland verslag

Auto's

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next