Als Tatjana Almuli op sociale media deelt dat het financieel even niet zo lekker gaat, wordt ze ‘dapper’ genoemd – alsof ze een groot taboe doorbreekt. Dat zou niet zo moeten zijn, betoogt ze. Want als we niet open zijn over geld, houden we een oneerlijk systeem in stand.
Ruim een jaar geleden plaatste ik voor het eerst een bericht op sociale media over geld. ‘Na een periode van overspannenheid, minder kunnen werken en te weinig cashflow ben ik op zoek naar nieuwe klussen’, schreef ik. ‘Wat moedig, die openheid’, hoorde ik de dagen erna regelmatig als reactie. Dankzij het bericht werd ik ook uitgenodigd om over krappere financiële periodes te praten in een podcast over geld. Eén van de hosts zei meermaals hoe stoer ze het vond dat ik dit ‘taboethema’ openbrak: ‘Ik realiseer me dat ik zo’n post nog nooit heb gezien.’
Ik vond het een grappige en tegelijkertijd wrange gewaarwording. Want voor de meesten is het toch echt geen verrassing dat je zelden rijk wordt van werken in de journalistiek en culturele sector. Toch is het nog steeds niet bon ton om er openlijk over te praten en hangt er voor velen ongemak rond dit gesprek. Zo ook voor mij – dat bericht had ik liever niet gedeeld. Maar de waarheid is: ik verkeer niet in de luxe om het op een andere manier te doen.
Sinds mijn 18de sta ik financieel op eigen benen; ik leef zonder steun van ouders of andere verzorgers in de vorm van schenkingen of giften, bijdragen aan studie- of woonkosten, verzekeringen of tandartsbezoekjes. Tot nu toe is het altijd gelukt, soms door eindjes aan elkaar te knopen: in mijn studententijd at ik regelmatig bij vrienden of gezinnen waar ik oppaste, omdat ik die week te weinig geld had voor avondeten. Vaak ging het net aan, soms prima, af en toe een periode comfortabel. Toch ben ik tot nu toe nooit voor langere tijd op een punt gekomen waarop ik écht financiële rust of ruim vaarwater ervoer. Of systematisch kon sparen voor iets essentieels als pensioen, een grotere buffer, of de aanschaf van een koophuis.
Lange tijd dacht ik dat de meeste mensen om mij heen ongeveer dezelfde financiële werkelijkheid ervoeren als ik. We werkten in vergelijkbare sectoren, woonden in de steeds duurder wordende Randstad, verdienden geen topsalarissen en klaagden allemaal weleens over geld. Totdat steeds meer mensen in mijn omgeving een huis kochten. Opmerkingen als ‘ik ben echt blut’ bleken moeiteloos samen te gaan met uitgaven die voor mij ondenkbaar waren. Een koopwoning, een nieuwe auto, meerdere verre reizen kort achter elkaar.
Ik vond het confronterend en werd er onzeker van. Waarom lukt mij dit niet? Langzaam drong zich een andere vraag op: had ik al die tijd overschat hoeveel de mensen om mij heen in financieel opzicht op mij leken?
Journalist Malu de Bont beschrijft deze kloof erg inzichtelijk in haar boek Je verdiende loon (2025). Ze laat zien hoe een deel van mijn generatie – toevallig de bubbel waartoe ik behoor, de Randstedelijke twintigers en dertigers – ogenschijnlijk hetzelfde leeft: we gaan naar dezelfde cafés, restaurants en queerfriendly technofestivals, lezen dezelfde boeken en kranten, stemmen veelal op dezelfde progressieve politieke partijen. Maar achter die gedeelde normen, waarden en levensstandaarden gaan op geldgebied erg verschillende werkelijkheden schuil. En dat verschil wordt niet in de eerste en belangrijkste plaats bepaald door talent, werkinzet of discipline om wat opzij te zetten. Het wordt vooral bepaald door de vraag of er thuis vermogen is. Wie ouders of een partner heeft die kunnen bijspringen, schenken of (in de toekomst) een erfenis nalaten, begint met een voorsprong. Wie dat niet heeft, moet het doen met alleen arbeid – en dat is in deze tijd vaak niet genoeg om dat tempo bij te benen.
Daarover bestaat dus weinig openheid. Pas wanneer ik er later uitgebreider naar vroeg, bleek er vaak meer mee te spelen dan ik eerder zag. Soms bleken mensen een schenking of erfenis te hebben gekregen, soms hadden ouders geholpen met een lening bij de aankoop van een huis, soms had een partner een familievermogen. En soms zat het niet eens in direct geld, maar in de wetenschap dat er een vangnet zou zijn mocht het misgaan.
Bij mij zit dat anders. Ik ben wat De Bont een ‘won’t have’ noemt: iemand zonder vermogen achter de hand, zonder iets om op terug te vallen. Ik groeide op in een gezin waar weinig geld was. Als jong kind merkte ik daar niet veel van. Ja, we gingen nooit uit eten en ik droeg tweedehands kleding of kleding die mijn moeder zelf maakte, maar op de Vrije School waar ik naartoe ging, hingen meer excentriekelingen rond en was er in de jaren negentig en nul weinig groepsdruk om merkkleding te dragen. We gingen in, tegenstelling tot veel klasgenoten, niet altijd op vakantie. En áls we gingen was het binnenlands: huizenruil, kamperen aan het strand. Maar het waren vaak gezellige, warme vakanties waarin ik op materieel vlak nauwelijks iets tekort kwam.
Pas toen het bedrijf van mijn ouders failliet ging, zij scheidden en mijn moeder een alleenstaande moeder werd met drie schoolgaande kinderen, ontstonden er grotere financiële problemen. Ze kwam in de schuldsanering terecht, we moesten het vaak met een paar tientjes per week doen. Er was geen geld voor schoolreisjes, de verwarming stond in principe uit en tijdens de écht taaie maanden zaten er soms anonieme envelopjes met 50 euro in de brievenbus. Tampons en douchegel kocht ik van mijn eigen geld, dat ik verdiende met oppassen; soms moest ook ik bijdragen aan vaste lasten, als er onverwachte tegenvallers waren, zoals een kapotte wasmachine. Ik herinner me hoe mijn moeder ’s avonds laat mijn kamer binnenkwam en met gebroken stem vroeg of ik nog iets had kunnen sparen, ze zou me later terugbetalen. Ik kreeg het heel warm, wilde mijn zuurverdiende geld natuurlijk niet kwijt, maar besefte ook dat ze het niet voor haar lol vroeg. Dus ik deed wat er van me gevraagd werd. We spraken er niet meer over, maar het geld terugbetalen kon ze helemaal niet, dat was duidelijk.
Mijn moeder was naar de buitenwereld niet open over onze financiële situatie. Naar ons was ze dat alleen als de nood hoog was. Soms hoorde ik haar huilen op haar kamer, ving ik een telefoongesprek op tussen haar en een vriendin waarin ze haar altijd sluimerend aanwezige stress kenbaar maakte. Vaker was het: kop fier in de lucht, schouders eronder, niet klagen, en er vooral niet over praten.
Schrijver en socioloog Milio van de Kamp beschrijft die houding in Misschien moet je iets lager mikken (2023) als een vorm van zelfbescherming bij gezinnen die met armoede of andere kansenongelijkheid te maken hebben. Door emoties buiten de deur te houden, voorkom je dat je overspoeld raakt.
De mentaliteit dat je alles zelf oplost, dat problemen van jezelf zijn en niet van een ander, die herken ik. Het heeft me veel gebracht: draagkracht, doorzettingsvermogen en zelfstandigheid. Maar als 35-jarige zie ik ook een valkuil: kop in het zand als het tegenzit, te hard voor jezelf zijn, doen alsof alles goed gaat terwijl je ondertussen steeds nét wel of nét niet je hoofd boven water houdt. Lange tijd zag ik die eigenschappen vooral als persoonlijke karaktertrekken.
Dat er thuis geen financieel vangnet was, beschouwde ik jarenlang als iets dat achter me lag. Ik zag het vooral als een jeugd die ik had overleefd. Pas veel later begon ik te begrijpen hoeveel invloed de afwezigheid van dat vangnet nog steeds had op de keuzes die ik maakte, de risico’s die ik wel of niet kon nemen, en de rust die ik wel of niet ervoer.
De afgelopen tijd verschijnen er steeds meer boeken en wordt een publiek debat gevoerd over de invloed en impact van opgroeien in armoede of kansarmoede. In het autobiografische Vuistslagen (2025) maakt journalist Rasit Elibol tastbaar wat het werkelijk betekent om je milieu te verlaten en te stijgen op de maatschappelijke ladder. Inmiddels verdient hij een bovenmodaal salaris, is hij eigenaar van een riant koophuis – en toch, zegt hij, zal financiële zorgeloosheid er nooit helemaal in zitten. Een deel van hem blijft bang dat hij maar één domme beslissing hoeft te nemen om alles kwijt te raken. Die waakzaamheid, dat onderhuidse gevoel van angst en onrust, verdwijnt niet met een beter inkomen.
Sinds het lezen van onder meer eerder genoemde boeken zijn ook mijn eigen oogkleppen afgevallen. Er zijn ervaringen die ik pas nu in een breder kader begin te plaatsen. Thuis was het in mijn tienerjaren vrij onstabiel. Mijn moeder kwam niet altijd naar ouderavonden, mijn vader was in die periode buiten beeld, de computer was geregeld kapot en er was geen geld om hem te laten maken. Ik liep achter met huiswerk, niet omdat ik het niet wilde doen, maar omdat de omstandigheden het moeilijk maakten. Dat zag een deel van mijn leraren niet, of ze wilden het niet zien. De mentor op mijn middelbare school zei: ‘Je mag blij zijn als je vmbo haalt, want zo slim ben je niet.’
De studieadviseur aan de universiteit – waar ik me na een aantal jaren meldde mét een hbo-propedeuse op zak en prima cijfers – keek me bij ons eerste gesprek aan en zei: ‘Ik weet niet of je het hier zal redden, je lijkt me niet direct een universiteitstype.’
Ze wist op dat moment weinig over mij en mijn situatie, behalve dat mijn moeder niet universitair opgeleid was. Het zijn de momenten waarop een systeem je vertelt wat je plek is, voordat je zelf de kans hebt gehad die te ontdekken. Van de Kamp en Elibol beschrijven iets vergelijkbaars: hoe armoede en kansarmoede niet alleen bepalen wat er op je bankrekening staat, maar je ook vormen wie je denkt te zijn en wat je je permitteert te verwachten. Het kan een negatief zelfbeeld opleveren; het eeuwige idee dat je ooit nog eens door de mand gaat vallen, dat mensen niet op je zitten te wachten.
Mijn remedie was heel lang te doen alsof ze niet bestonden, die kansarme wortels. Ik hield me staande met de gedachte dat als je maar hard genoeg werkt, meedoet met de anderen, zuinig genoeg leeft, of juist je kop in het zand steekt en geld laat rollen, het uiteindelijk vanzelf wel goed komt. Ik wilde erbij horen, deed zonder blikken of blozen mee aan dure etentjes, verjaardagscadeaus en weekendjes weg. Als ik ergens echt geen geld voor had, zei ik dat niet. Zo liep ik als twintiger anderhalf jaar rond met gaatjes in m’n gebit omdat ik de tandarts niet kon betalen. Niet omdat ik het vergat of uitstelde, maar omdat ik het geld er simpelweg niet voor had en dat keurig voor mezelf hield. Elke keer als ik mijn tong langs mijn kiezen liet glijden, duwde ik het weg en dacht, volgende maand misschien, als ik wat ruimer zit.
Of het verjaardagscadeau van een vriendin waarbij de appgroep rondging en iedereen 50 euro inlegde voor een gezamenlijk cadeau. Ik had dat geld nodig om zelf rond te komen die maand, maar ik maakte het over omdat de anderen het ook deden en ik niet degene wilde zijn die de rem erop zette, gierig zou zijn, of erger: moest uitleggen waarom ze minder gaf. De rest van de week at ik boterhammen met omelet en spinazie om het te compenseren, wat ik uiteraard tegen niemand zei.
Er was geen expliciete groepsdruk. Niemand zei dat ik mee móést naar een etentje of 50 euro aan een cadeau moest bijdragen. Juist daardoor was het lastig er niet in mee te gaan. Afwijken is niet verboden, maar betekent wel dat je jezelf zichtbaar maakt als ‘anders’. Dat je moet zeggen: ik heb daar het geld niet voor. En precies in die zichtbaarheid zat voor mij de schaamte. Die schaamte ging niet zozeer over het gebrek zelf, maar vooral over wat ik dacht dat het over mij zei. Dat ik iets verkeerd deed en kennelijk minder goed met geld was dan de mensen om me heen. Daardoor bleef ik financiële verschillen lang zien als een persoonlijk probleem. Ik dacht dat ik harder moest werken, beter moest sparen, verstandigere keuzes moest maken.
Dat het voor velen van ons moeilijk is om eerlijk te zeggen dat we financieel niet kunnen meekomen met onze vrienden, is niet gek. De maakbaarheidsgedachte; het idee dat persoonlijk succes en geluk voor iedereen te bereiken is door goede keuzes en discipline, wordt niet alleen gevoed door influencers die op sociale media beloven dat je met de juiste strategie 50 duizend euro of zelfs tonnen op je rekening kunt krijgen, ze wordt al decennialang politiek gepropageerd. De vrije markt als neutrale plek, toegankelijk voor iedereen, hard werken als sleutel tot succes. De implicatie van meritocratie werkt twee kanten op: als het goed met je gaat is dat je eigen verdienste, en als het níét goed gaat, ligt dat ook aan jezelf. Maar dat is lang niet altijd zo, in elk geval niet zo zwart-wit als het wordt voorgesteld.
Ik merkte pas echt grote verschillen toen ik twee jaar geleden een langere periode overspannen en grotendeels zonder werk thuis kwam te zitten. Ik had geen vangnet, op een vaste column in een tijdschrift en een podcastserie na, waardoor ik elke maand in ieder geval een deel van mijn vaste lasten kon betalen. Maar verder werd het voor het eerst een langere periode écht pittig aanpoten. Voor het eerst voelde ik concreet hoe groot het verschil is tussen terugvallen op spaargeld of familievermogen, en terugvallen op niets anders dan je eigen arbeid. Sparen, een buffer opbouwen, pensioen opzij zetten, mijn rijbewijs halen, dat zit er voor mij tot nu toe niet in. En ondertussen houd ik het gevoel dat ik, ondanks mijn meer dan voltijdse werkweek, achterloop en te weinig zekerheid weet te bereiken.
Mijn leidinggevende bij mijn eerste en vooralsnog enige baan in loondienst zei bij ons afscheidsgesprek, toen ik zeven jaar geleden aankondigde fulltime te gaan freelancen: ‘Onthoud wel dat je anders bent dan x en y’ – twee jonge schrijvers van wie het werk deels overlapte met het mijne. Ik vond het destijds bot en ontmoedigend. Nu denk ik dat het waarschijnlijk aardig en realistisch bedoeld was, geen oordeel over mijn talent of inzet, maar een verwijzing naar het vangnet dat anderen wél hebben, families die zowel cultureel als economisch meer kapitaal hebben dan mijn ouders hadden of ikzelf heb.
Inmiddels probeer ik vaker open te zijn over mijn financiële situatie. Dat gaat nog met wisselend resultaat. Wat wil je dit jaar bereiken?, werd me laatst gevraagd op een verjaardagsfeestje van een vriendin. Ik antwoordde: meer financiële rust en grip.
Er viel een ongemakkelijke stilte, alsof ik iets te zwaars aanbracht in het gesprek. Later kreeg ik een bericht van een van de aanwezigen, wederom werd mijn openheid geprezen als een dappere daad. Ik zou willen dat we dat niet meer als moedig of uitzonderlijk zouden zien. Dat openheid over geld, maar ook over hoe anders ieders financiële fundament er werkelijk uitziet – ook binnen vriendengroepen die er aan de buitenkant hetzelfde uitzien – gewoon deel van het gesprek zou zijn.
Niet vanuit slachtofferschap of aanklacht tegen de groep die beter boert, maar vanuit interesse, sympathie en erkenning. We zijn allemaal een product van onze omgeving en achtergrond. Dat geldt voor ons karakter en onze levensstijl, maar ook voor de financiële ruimte waarbinnen we keuzes kunnen maken. Een open gesprek daarover leidt er hopelijk toe dat we er niet meer voetstoots van uitgaan dat flinke verschillen in vermogen altijd voortkomen uit verschillen in talent, discipline of persoonlijke verdiensten.
Want dat gevoel van gezien worden, dáár gaat het om. Een goede vriend, iemand die financieel in een betere positie zit dan ik, vroeg me een tijdje geleden hoe het eigenlijk ging. Ik was eerlijk over de geldstress die ik regelmatig ervaar, over het gevoel van achter de feiten aanlopen, ergens buiten vallen.
In plaats van het weg te relativeren, erkende hij wat zijn positie hem geeft: ruimte en rust in zijn hoofd, hoeveel kopzorgen het scheelt als geldstress nooit aan de orde is. Hij stelde vragen vanuit oprechte nieuwsgierigheid, zonder oordeel. Ik voelde me begrepen op een manier die zelden voorkomt als iedereen doet alsof de uitgangspunten gelijk zijn. Er viel schaamte weg, het werd ‘gewoon’ een onderwerp tussen de andere levensthema’s die we bespraken. En dat is precies wat openheid teweeg kan brengen: niet het oplossen van onze verschillen of mijn zorgen, maar ze net iets minder zwaar maken.
Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant