Weinig geschiedschrijvers hadden zo’n kleurrijk oeuvre als de Italiaanse ‘microhistoricus’ Carlo Ginzburg. Hij werd beroemd met een boek over een door de 16de eeuwse inquisitie vervolgde molenaar, die beweerde dat het universum oorspronkelijk een rottende, wormstekige kaas was.
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over de financiële sector.
De ketter was nog zo gewaarschuwd door zijn familie en vrienden: stop toch eens met die godslasterlijke kroegpraatjes van je, anders eindig je nog voor de inquisitie!
Maar de tragische hoofdpersoon uit Carlo Ginzburgs befaamdste historische werk, Il formaggio e i vermi (1976), in het Nederlands vertaald als De kaas en de wormen, kon of wilde zijn mond niet houden.
Zo verkondigde deze Menocchio, een molenaar uit Friuli, aan Jan en alleman dat Jozef eigenlijk niet met Maria had willen trouwen, omdat zij voor Jezus al twee kinderen had gebaard. Of dat de hel een uitvinding was van priesters en monniken, en de sacramenten hun verdienmodel.
Zo gebeurde waarvoor zijn dierbaren hadden gevreesd. In de winter van 1584 stond de door een lokale priester verlinkte Menocchio terecht voor de Venetiaanse inquisitie. In De kaas en de wormen beschreef Ginzburg (1939-2026), op 17 juni overleden in Bologna, het bizarre proces dat volgde.
De titel verwees naar het blasfemische scheppingsverhaal van de 52-jarige molenaar. Menocchio betoogde tegenover de inquisitie dat God helemaal niet de schepper van het universum was, maar dat de wereld oorspronkelijk één grote, kolkende chaos was geweest, die op zeker moment tot materie was gestold, zoals melk gestremd wordt tot kaas.
Deze kosmische kaas was gaan rotten, waarna er wormen of maden in waren verschenen (het Italiaanse vermi kan allebei betekenen). Die wormen, dat waren God en de engelen.
Dat er in den beginne een rottende kaas was geweest, vloekte dermate met Genesis dat Menocchio, na te zijn gemarteld aan de wipgalg, tot een levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld. Na enkele jaren kreeg hij genade van de kerkelijke autoriteiten, die geloofden dat hij tot inkeer was gekomen.
Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Op zijn oude dag begon Menocchio zijn ketterijen weer te verkondigen. In 1599 stond de recidivist opnieuw voor de inquisitie. Ditmaal was er geen genade: de 67-jarige eindigde op de brandstapel.
De langvergeten geschiedenis van Menocchio, door Ginzburg opgediept in de krochten van de inquisitiearchieven, was typerend voor de kleine verhalen met grote thema’s waarmee de ‘microhistoricus’ wereldfaam verwierf. Niet de ‘grote daden van koningen’ boeiden Ginzburg, maar de levens van de ongeprivilegieerde klassen, van wie in tegenstelling tot keizers, veldheren en filosofen meestal niets bewaard is gebleven, tenzij ze, zoals Menocchio, voor het gerecht waren gedaagd.
Microhistorie was een reactie op de marxistische en kwantitatieve geschiedschrijving van de jaren vijftig en zestig, waarin het individu nog weleens kopje onder ging in een zee van grootse theorieën en statistische modellen.
Ginzburg maakte naar eigen zeggen ‘de vervolgden en verslagenen, door veel historici als onbelangrijk afgedaan en meestal volledig genegeerd’, tot zijn onderwerp. Hij vergeleek het verschil in aanpak met filmkunst: tegenover de extreme longshots van traditionele geschiedschrijving plaatste hij de close-ups van de microhistorie.
In Ginzburgs in tientallen talen verschenen boeken schitterden underdogs en onderspitdelvers, de een nog obscuurder dan de ander, steevast in de hoofdrol. Het verleidde een Britse vakgenoot ooit tot de kritiek dat het leven van pak ‘m beet de grote Isaac Newton toch echt belangrijker was geweest dan alle microhistorische beschrijvingen van de slachtoffers van heksenprocessen samen.
Ginzburgs eerste boek, I Benandanti (1966), ging over een 16de-eeuwse sekte van mannelijke en vrouwelijke anti-heksen, die beweerden dat hun zielen in het holst van de nacht, als een soort metafysische burgerwachten, buiten hun lichamen traden om, gewapend met venkelstengels, te vechten tegen heksen en duivelskunstenaars.
De inquisitie kon er geen chocola van maken. In arren moede besloten de ketterjagers dat de anti-heksen in werkelijkheid zelf heksen en duivelsvereerders waren, en vervolgden de sekte net zo lang tot deze van het toneel was verdwenen.
‘Pas veel later begreep ik mijn emotionele identificatie, als Jood, met de slachtoffers van de inquisitie’, schreef Ginzburg in 2013. Want het lot van de ketters, heksen en weerwolven uit zijn boeken leek veel op dat van zijn door de fascisten opgejaagde familie. Zijn moeder was de beroemde schrijver Natalia Ginzburg (1916-1991), zijn vader de door de nazi’s doodgemartelde verzetsstrijder Leone Ginzburg (1909-1944).
Ginzburg was de laatste jaren fel criticus van het Israëlische geweld tegen de Palestijnen. Vorig jaar ondertekende hij een open brief waarin hij Israël, een land waarmee hij zich sterk zei te vereenzelvigen, opriep om een Palestijnse staat te erkennen.
In zijn laatste boek, het in januari verschenen Il vincolo della vergogna (De band van schaamte), beschrijft hij dat schaamte een volk soms meer bindt dan nationale trots. Wie wil weten tot welk land hij of zij behoort, moet zich volgens Ginzburg een simpele vraag stellen: voor welk land schaam ik me? ‘De schaamte die ik voel tegenover de bloedbaden in Gaza’, zei Ginzburg tijdens een toespraak in oktober, ‘maakt deel uit van mijn dubbele identiteit als jood in de diaspora.’
3 x Carlo Ginzburg
Ginzburg maakte mondiaal school met zijn microhistorische aanpak, die werd gebruikt door afrikanisten, Braziliaanse slavernijhistorici en Russische onderzoekers van Stalins showprocessen.
Ginzburgs vader Leone was medeoprichter van de Italiaanse uitgeverij Einaudi. Toen Einaudi in 1994 werd opgekocht door de zakenman en politicus Silvio Berlusconi, weigerde hij zijn boeken nog langer bij de uitgeverij te laten verschijnen.
Ginzburg schreef ook een boek over de voor moord veroordeelde linkse activist Adriano Sofri, die volgens Ginzburg slachtoffer was geworden van een gerechtelijke dwaling.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant