Waarom wenden de meeste mensen zich af voor tech? Al in 1985 liet Donna Haraway in Een cyborgmanifest zien dat iedereen (m/v/x) technologische macht zou moeten grijpen. De slimme technerd bevrijdt zich van alle hokjes.
is techverslaggever van de Volkskrant.
Ha!, denk ik, als YouTube me een Dyson-reclame voorschotelt. Alsof ik met mijn millimeterlange haar óóit een föhn nodig zou hebben. Alsof ik het type mens ben dat überhaupt ooit een Dyson-föhn zou kopen, zélfs al had ik lang haar.
Het type mens. Ik denk al net zoals het algoritme berekent: díé moeten we hebben voor een Dyson-föhn.
Profiel (gokje): ‘interesse in make-up en beauty’, ‘vrouw’, ‘zit rond ovulatie’, ‘hoog inkomen’, ‘net gedumpt’.
Vooruit, één punt, voor de V in mijn paspoort.
Mijn streven om niet (of verkeerd) door Google in een hokje gepropt te worden is behaald – de beloning voor het consequent weigeren van cookies, nu een paar maanden lang.
In Een cyborgmanifest (1985) beschouwt Donna Haraway opkomende technologie als breekijzer om ons uit hokjes te bevrijden. Het essay, waarvan binnenkort een nieuwe Nederlandse editie verschijnt, is ‘een pleidooi voor het plezier dat het doelbewust verwarren van grenzen oplevert en voor verantwoordelijkheid bij het construeren ervan’.
Haraway (1944) schreef het als ‘poging een ironisch-politieke mythe te ontwerpen’ die het socialistisch feminisme zou hervormen. Dat ging volgens haar te veel mee in de dualismen waartegen het streed, door eindeloze verfijningen en afsplitsingen aan te brengen op basis van identiteit. In plaats daarvan zouden coalities moeten draaien om affiniteit, stelde Haraway.
In de opkomst van nieuwe technologieën zag ze een ingang. Vergroeid als we zijn met onze (kop)telefoons, laptops, protheses, spiraaltjes, lenzen en smartwatches, tart tech de grenzen tussen mens en machine, lichaam en geest, actief en passief, hier en daar, werkelijkheid en schijn, cultuur en natuur, maker en gemaakte, God en mens. En door de eindeloze medische en reproductieve mogelijkheden óók die tussen man en vrouw.
We zijn cyborgs, schrijft Haraway: ‘Hersenschimmen, getheoretiseerde en gefabriceerde hybriden van machine en organisme.’
Cyborgs zijn ongrijpbaar, wisselvallig, rafelig, meervoudig, flexibel. Ze fabuleren geen narratieven over een zuiver verleden, een zondeval en de onvermijdelijke apocalyps die daarop volgt. Of over een schone lei, na de revolutie. (Zo bezien is de cyborg een medicijn tegen het oprukkende fascisme, dat gelooft in de wedergeboorte van een verzonnen verleden – al haalt een betoog voor ambiguïteit in een wankele wereld waarschijnlijk weinig uit.) Ze omarmen tegenstrijdigheden en doen niet aan identiteitspolitiek, maar vormen strategische allianties.
Het manifest werd een cultklassieker, academische popcultuur. Het maakte Haraway wereldberoemd; vorig jaar won ze de Erasmusprijs voor haar oeuvre. Sindsdien beleeft haar werk een herwaardering – vandaar deze nieuwe editie. Maar: hoe bruikbaar is haar betoog nog in deze tijd van techdystopieën?
In theorie is het internet de ultieme plek om ongedefinieerd te zijn. Je bent er een IP-adres. Huidskleur en geslacht blijven achterwege. Een vormloze ziel, gedefinieerd hoogstens door acties, niet door uiterlijkheden.
Zoiets had essayist John Perry Barlow in gedachten, denk ik, toen hij in 1996 A Declaration of the Independence of Cyberspace schreef. ‘Governments of the Industrial World, you weary giants of flesh and steel, I come from Cyberspace, the new home of Mind’, schreef hij. ‘On behalf of the future, I ask you of the past to leave us alone.’
Hij vreesde kolonisatie door overheden. Maar die waren zichzelf net aan het wegcijferen, natuurlijk, en lieten dat aan bedrijven over, die van onze identiteit hun product maakten.
Uw politieke voorkeur, zoekgeschiedenis, reisverleden, gender, seksuele oriëntatie, etniciteit, contacten, financiële en medische gegevens – techbedrijven weten het allemaal af te leiden en bepalen zo mede of u een lening mag afsluiten, welke landen en vliegtuigen u in mag, hoe duur producten online zijn, of u als verdachte wordt aangemerkt, hoe hoog uw verzekeringspremie is, hoe zichtbaar u bent en wat u ziet op sociale media.
Afgebakend zijn we, tot in de details uitgetekend. ‘Cyberspace’ werd omwille van commercie niet zozeer een vijfde domein, naast land, zee, lucht en ruimte, zoals Barlow zich voorstelde, maar een surveillancelaag die over over de bestaande domeinen heen ligt.
In weerwil van haar enthousiasme over ons cyborg-zijn, geloofde Haraway heus niet dat technologie ons zou emanciperen. Ze zag juist hoe die bestaande ongelijkheden vergroot, complexer en onzichtbaarder maakt. Denk aan seksisme en racisme dat is verankerd in algoritmen, data die door de Amerikaanse immigratiedienst worden gebruikt om mensen van kleur op te pakken en te deporteren of platforms die flexwerkers uitbuiten.
Om dat alles het hoofd te bieden, moest het feminisme op de schop, vond Haraway. En voor dat nieuwe feminisme gebruikte ze technologie, de cyborg, als metafoor. Die sloeg aan: het manifest drukte een stempel op de feministische en queer theorie, is zuurstof voor mensen die niet vast te pinnen zijn op een uiterste of überhaupt niet gevangen wensen te worden; die in beweging zijn.
Queer mensen scheurden categorieën open en plakten er nieuwe bij. Man, vrouw, non-binair – het staat sinds 2018 in de Van Dale. De cover van het Amerikaanse tijdschrift Newsweek uit 1995, over biseksualiteit als ‘nieuwe seksuele identiteit’, is een meme onder queers op forum Reddit (want zo nieuw was dat niet), maar laat wel zien dat grijstinten zichtbaarder zijn geworden. Tuurlijk, het zijn nog steeds hokjes, ze schieten tekort voor de werkelijkheid, maar komen daar al dichter bij dan de dichotomieën die ze vervangen.
Wat minder beklijfde uit Een cyborgmanifest: de boodschap dat technologie een halszaak zou moeten zijn voor iedereen die geeft om gelijke rechten. Zeker, het verzet tegen big tech neemt toe. Maar de meeste mensen stoten nog altijd liever hun kleine teen dan dat ze WhatsApp inruilen voor Signal. En zelfs binnen het feminisme is de aandacht voor tech nog altijd minimaal.
In haar recent verschenen essay Technologie is politiek onderzoekt Paola Verhaert dat gebrek aan verzet tegen de digitale kolonisatie. Wereldwijd heeft Whatsapp een geschatte 3 miljard gebruikers, en slechts een fractie van hen heeft iets te zeggen over de app. Tuurlijk, schrijft Verhaert, daar kun je tegenin brengen dat Whatsapp niet meer is dan een commercieel product dat wordt aangeboden door een privébedrijf. Maar in de afgelopen vijftien jaar heeft de technologie een groot deel van onze communicatiemiddelen vervangen. Het is verworden tot publieke dienst in private handen.
In andere sectoren zouden we dat gebrek aan inspraak niet pikken. Maar Meta’s diensten zijn voor de meeste gebruikers alleen een middel, geen onderwerp. Burgers verzetten zich op sociale media tegen van alles, maar ze verzetten zich zelden tegen sociale media.
Vanwaar dat gebrek aan bemoeienis? De bekendste opstand tegen technologie is die van de luddieten, in de 19de eeuw. ’s Nachts trokken zij eropuit om de weefmachines stuk te slaan die hun werk inpikten.
Door techauteurs worden de gevaren van digitalisering vaak vergeleken met die van klimaatverandering: ze zijn abstract en onzichtbaar, niet tastbaar genoeg om te bestormen. En de gevolgen zijn maar zo groot als ons voorstellingsvermogen toelaat.
Deels klopt dat, denk ik: steeds meer mensen komen in verzet tegen datacenters die hun fysieke omgeving dreigen te vervuilen en alle stroomaansluitingen opeisen; zie bijvoorbeeld hoe activisten onlangs de bouw van een Microsoft-datacentrum in Amsterdam verstoorden. Toch kan die onzichtbaarheid niet het hele verhaal zijn – de abstracte klimaatverandering brengt véél meer mensen op de been.
Verhaert zoekt een alternatieve verklaring voor het gebrek aan verzet in de metaforen die we gebruiken om technologie te beschrijven. Meestal is dat die van de sneltrein die we niet willen missen – vooral als samenleving niet. Het is precies de retoriek die nu klinkt rondom AI.
Die treinanalogie schiet tekort, schrijft Verhaert: ‘Ze stelt technologie voor als iets dat mensen overkomt, in plaats van iets dat het resultaat is van menselijke keuze en handelingen.’ Niemand vraagt zich af: wie is de machinist? En wie legt hier eigenlijk het spoor aan?
Techbedrijven plukken daar de vruchten van, en voeden graag het idee van technologie als natuurkracht, als iets dat er uiteindelijk toch wel komt. Alsof wát er uiteindelijk komt, altijd hetzelfde zal zijn, ongeacht wie het maakt. Alsof AI altijd een chatbot is en sociale media altijd je identiteit verkopen.
Verhaert stelt voor dat we de sneltrein vervangen door de beeldtaal van de Canadese wetenschapper, schrijver en pacifist Ursula Franklin (1921-2016). Technologie bepaalt hoe het huis eruitziet waarin we allemaal samenleven, stelt Franklin – en dan niet de bakstenen of het glas in lood, maar de indeling van de kamers en wie daar al dan niet welkom is.
Nee, dan de aarde die in de fik staat, oceanen die ons verzwelgen – dát spreekt pas tot de verbeelding. Net als de AI-apocalypse overigens, die ons afleidt van de dagelijkse mensenrechtenschendingen door technologiebedrijven. Dat dagelijkse onrecht is droger, lastiger te vatten, voor niet-techneuten. Pas als mensen zich ervoor interesseren, kunnen ze het opbrengen die complexiteit te doorgronden. Zullen ze zich er wellicht mee willen bemoeien.
Valt er een groter verhaal over tech te vertellen? Ja, en daarin zit de kracht van iemand als Haraway, die technologie niet als zodanig afzweert, niet vies is van machines maar ze als een mogelijkheid ziet, afhankelijk van wie er controle over heeft. Ze schetst een heel canon aan feministische en queer sciencefiction, met onder meer de romans The Female Man (1975) en Superluminal (1983), die laten zien wat er óók met technologie kan.
Ik weet het: ook techbro’s als Elon Musk en Mark Zuckerberg lieten zich inspireren door sciencefiction – dat pakt lang niet altijd goed uit. Des te belangrijker dat ook wij niet-technische gutmenschen kunst en filosofie tot ons nemen die technologie voor ons tot leven wekt.
Voor mij werken de dichtbundel Het netwerk moet gebouwd worden van Maxime Garcia Diaz (2025), de roman Afwijzing van Tony Tulathimutte (2024), de driedelige docuserie Visions of Heaven and Hell (1994) en de video-essays Screen Memories (2023) van Nick Vyssotsky erg goed.
Of de essays van Ernst Jünger (1895-1998), waarvan vorig jaar een selectie werd vertaald en uitgegeven in Totale mobilisatie en andere essays. Mens en machine zijn in zijn ogen zo onlosmakelijk met elkaar verbonden, dat Jünger de zaak omdraaide: het gereedschap staat niet ten dienste van ons – wij staan ten dienste van het gereedschap.
Volgens hem is techniek een natuurkracht die zich via de mens manifesteert. Er valt wat voor te zeggen: onze vroegste menselijke voorouder, homo habilis, de handige mens, is vernoemd naar zijn gereedschap. Sindsdien ploegen wij de wereld om, volgens Jünger, zetten haar vol met machines, zodat ze een nieuwe huid krijgt. Via de mens vervelt moeder aarde.
Inderdaad, dat noemen we doorgaans ‘milieuvervuiling’. Bekeken op een schaal van homo habilis tot nu, is luddisme daarom wellicht het enige juiste antwoord. Maar die schaal, van tweeënhalf miljoen jaar, geeft tegelijkertijd aan hoe verwant de mens en technologie zijn. Technologie is macht; het is de reden dat we de aarde beheersen.
Misschien heeft Jünger een beetje gelijk, brengen wij mensen onvermijdelijk technologie voort. Evolueert die met ons mee, van homo habilis met zijn hamerstenen tot homo sapiens met zijn hyperscalers. Maar juist dan, als technologie een maatstaf voor menselijkheid is, mag het vormgeven daarvan niet worden overgelaten aan een klein groepje Amerikaanse alfamannen.
Ook u, beste lezer, bent een gereedschapsdier. Een cyborg zelfs.
Ik geloof niet dat het aanzwellende anti-technologische, luddistische geluid ons van big techs juk zal bevrijden. Nee, juist technofielen en pioniers met alternatieven zullen dat doen. Uit liefde voor technologie.
Laten we vooral niet, zoals Musk, massaal fan worden van Jünger. Maar wel allemaal een beetje meer technerd, samen techfilosoferen. Ons afvragen: wie is de machinist van deze trein? En wie zou dat moeten zijn?
Donna Haraway: Een cyborgmanifest – Wetenschap, technologie en socialistisch feminisme. Uit het Engels vertaald door Karin Spaink. ISVW; 200 pagina’s; € 24,95. (verschijnt later deze zomer)
Ernst Jünger: Totale mobilisatie en andere essays. Uit het Duits vertaald door Mark Wildschut en Piet Meeuse. Ten Have/De Nieuwe Wereld; 216 pagina’s; € 20,99.
Paola Verhaert: Technologie is politiek – De strijd voor digitale rechtvaardigheid. Letterwerk; 120 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant