Over zijn ongeneeslijke ziekte en zijn povere vooruitzichten wenste Harrold niet te praten: hij bleef liever optimistisch. Zijn vrouw Anne heeft dat gerespecteerd. ‘Logisch ook, hij was pas 58, met drie opgroeiende kinderen, wie zou zich dan kunnen neerleggen bij de dood?’
interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine
Anne van Barlingen-Boerma (55, goudsmid): ‘Wat ik zo jammer vind, is dat ik te weinig heb gevraagd aan Harrold. Over zijn werk, echt inhoudelijk: de medische bedrijven waarin hij investeerde, de innovaties die er werden gedaan. Natuurlijk ging het wel over werk ’s avonds aan tafel, maar dat was vooral: hoe was je dag? Daarna ging het al snel weer over de hockeywedstrijden van de kinderen of de etentjes die er gepland stonden voor komend weekend. De gewone, dagelijkse dingen.
‘Echt doorvragen, inhoudelijk, waar ben je mee bezig, wat heb je bereikt, daar is het veel te weinig van gekomen. Daar heb ik nu wel spijt van. Na Harrolds dood heb ik van zoveel mensen gehoord hoeveel hij heeft betekend voor anderen, hoeveel impact hij had in zijn werkveld – ik heb er veel te weinig van geweten. Niet dat Harrold zo bescheiden was, maar uit zichzelf heeft hij me dat allemaal niet verteld.
‘We kwamen uit verschillende werelden. Ik ben goudsmid, hij was wetenschapper en ondernemer. Ik ben creatief en een tikje chaotisch, hij was juist heel netjes, analytisch, rationeel en superoptimistisch. ‘Komt goed’, dat was wat hij altijd zei. Het staat ook onder zijn foto op de rouwkaart, want dat was zijn gevleugelde uitspraak. Op de ochtend van zijn overlijden heeft hij het nog gezegd, in het ziekenhuis waar hij met spoed was opgenomen. ‘Komt goed’, ook om mij en de kinderen gerust te stellen, natuurlijk. Maar het typeert hem: hij ging altijd uit van het beste scenario.
‘We leerden elkaar kennen bij het uitgaan in Utrecht, toen hij 31 was en ik 26. Ik viel op hem om allerlei redenen, natuurlijk, maar ook omdat hij zo slim was. Waar je ook met hem over praatte, de actualiteit, de politiek, de natuur, dieren, landen, hij wist altijd alles. Het grappige is: hij was begonnen op de mavo, hij was knetterdyslectisch en bovendien kwam hij niet uit een gezin waarin je werd verondersteld te gaan studeren. Daarna heeft hij een mbo gedaan, de laboratoriumschool. Vervolgens hbo, de universiteit en uiteindelijk is hij gepromoveerd. Op iets ingewikkelds, de rol van lipiden in het metabolisme bij hart- en vaatziekten; heel technisch. Zijn proefschrift heeft hij toen opgedragen aan zijn broer André, die op zijn 31ste al overleden is, ook aan kanker.
‘Toen onze drie kinderen nog klein waren, zei hij op een dag: ik ga voor mezelf beginnen. Ik weet nog dat ik dat niet per se een goed idee vond. Ik had als goudsmid al een eigen zaak, en dat was best onzeker de eerste tijd, ik vond het wel prettig dat Harrold een vaste baan had. Maar ik steunde hem wel, ja, zeker. Hij was bevlogen en goed in zijn vak. Hij begon een investeringsfonds, Thuja Capital, dat grote bedragen ophaalde voor beginnende biotechbedrijven, die bijvoorbeeld geneesmiddelen ontwikkelen tegen kanker. Een thuja, ook wel levensboom genoemd, is een boom die heel groot kan worden. Dat vind ik een mooi beeld voor Harrold met zijn 1,96 meter.
‘Het is dubbel dat hij aan de basis heeft gestaan van medische innovaties, maar er zelf niet van heeft geprofiteerd. Zo wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan celtherapie, waardoor chemokuren op termijn minder nodig worden. Dat is veel sneller en prettiger voor de patiënt. Terwijl: Harrold heeft in het ziekenhuis uren, dagen aan die infusen moeten hangen. Geweldig dat het bestaat natuurlijk, maar hoe mooi zou het zijn als dat in de toekomst niet meer nodig is.
‘Het was in de zomer van 2023 dat hij thuiskwam uit zijn werk en zei: ik ga even liggen. Hij klapte dubbel van de pijn. De huisarts dacht aan diverticulitis, een op zich onschuldige darmontsteking, maar later, in het ziekenhuis, bleek er veel meer aan de hand. Harrold lag op zaal met drie anderen toen de arts het gordijn rond zijn bed dichtschoof, ik was erbij. Darmkanker, luidde de diagnose – niet echt een fijne setting om zo’n bericht te horen. Het was vanaf het begin wel duidelijk dat het ongeneeslijk was – jullie moeten herinneringen gaan maken, zeiden de oncologen steeds, dat vond ik eigenlijk heel heftig. Want ik ben blijven hopen op een soort wonder. En Harrold ook, denk ik. Hij wilde niet dood en hij gíng niet dood – in de anderhalf jaar dat hij nog heeft geleefd, is het nooit onderwerp van gesprek geweest.
‘Steeds als hij was opgekrabbeld van de chemo, hervatte hij zijn oude leven zo goed en zo kwaad als het weer ging. Dat betekende dat we nog een heel fijne tijd hebben gehad met het gezin. We zijn met zijn vijven wezen skiën, zoals elk jaar, we hebben met onze beste vrienden een huis gehuurd in Piemonte in de zomervakantie en Harrold en ik zijn samen naar Spanje geweest, naar Malaga, Cordoba en Sevilla, dat zijn geweldige vakanties geweest. Harrold ging ook weer werken zodra dat mogelijk was, hij ging op zaterdag naar de markt om ’s avonds te koken en bij hockeywedstrijden van de kinderen stond hij langs de lijn.
‘Na zijn dood waren er mensen die zeiden dat ze het lastig vonden dat hij nergens over had willen praten, dat hij zo in de ontkenning zat. Dat vond ik best moeilijk om te horen, want dit was zíjn manier. Ik begreep hem heel goed, en daarom forceerde ik hem ook niet tot gesprekken; hoe had ik dat moeten doen? Zeggen: je gaat dood? Als ik dat zou uitspreken, verlangde ik kennelijk van hem dat hij dat zou erkennen – maar hij wilde er niet aan.
‘Logisch ook, hij was pas 58, met drie opgroeiende kinderen, wie zou zich dan kunnen neerleggen bij zijn dood? Daarbij was hij tenslotte die onverwoestbare optimist, hij liet de gedachte gewoon niet toe dat het slecht af zou kunnen lopen. Ik liever ook niet, natuurlijk, en daarbij respecteerde ik het hoe hij met zijn ziekte omging, hij liet de kanker simpelweg niet de overhand nemen. We hebben doorgeleefd op de manier waarop Harrold het wilde en ik heb daar geen spijt van. We hebben die anderhalf jaar eindeloos veel Netflix gekeken. En Star Wars, met de kinderen, gewoon gezellig op de bank.
Kerst 2024 hebben we met mijn zusje en haar gezin gevierd. We deden dan altijd zo’n vragenrondje met vragen als: wat verwacht je van volgend jaar? ‘Ik hoop dat ik er dan nog ben’, zei Harrold toen. Op 7 januari 2025 is hij overleden. In twee dagen tijd: pijn, ziekenhuis, omgevallen. Dat past ook eigenlijk heel goed bij hem, geen ziekbed, geen lijden, geen afscheid nemen, want dat kon hij niet.
‘Ik ben ontzettend trots op hem. En ik mis hem verschrikkelijk, maar ik sta nog overeind. Ik heb drie ongelooflijk leuke, vrolijke, optimistische kinderen – van wie zouden ze dat hebben? We doen het op zijn Harrolds: we praten niet over zijn dood, we maken de dagen gewoon zo mooi mogelijk. Dat is niet altijd makkelijk; bij de diploma-uitreiking van Marnix stonden we daar met zijn vieren, tussen alle complete gezinnen met opa’s en oma’s en de hele aanhang, zonder Harrold, terwijl ik wist hoe graag hij dat had meegemaakt.
‘Hij gaat de bruiloften van de kinderen niet meemaken, hij gaat nooit opa worden, op die diploma-uitreiking kwam dat heel heftig binnen. Maar daarna ben ik met de kinderen uit eten gegaan en toen hebben we een borrel gedronken op Harry. We hebben elkaar, en we maken er wat van.’
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant