Breken met je ouders is al ingrijpend. Maar voor adoptie-, donor- en pleegkinderen gaat dat vaak gepaard met een extra loyaliteitsconflict. Velen kregen te horen dat ze vooral dankbaar moesten zijn.
is journalist, schrijver en columnist. Hij schrijft voor de Volkskrant over identiteit en tijdgeest.
Ze kon haar adoptiemoeder moeilijk vertrouwen. ‘Ik voelde haar verdriet en wrok over het feit dat ze zelf nooit kinderen heeft kunnen krijgen’, vertelt een vrouw die begin jaren negentig als baby uit Sri Lanka werd geadopteerd. ‘Ze probeerde iets van mij te maken dat ik niet was: een wit, volgzaam meisje. Ze wilde dat ik er zo westers mogelijk uitzag, wat onmogelijk is met mijn donkere huid en krullen.’
Toen ze ouder was, vielen meer puzzelstukjes op hun plek. ‘In rapporten van de Kinderbescherming las ik dat mijn moeder het lastig vond dat ik als baby veel huilde en dat ze me vaak moest troosten. Ze had zich niet gerealiseerd dat een geadopteerd kind wellicht moeite zou hebben om zich aan te passen.’
De dochter kampte bovendien met gezondheidsproblemen en als volwassene lukte het ook niet om zwanger te worden. ‘Toen ik later toch onverwachts moeder werd, was mijn adoptiemoeder erg jaloers. Ze vond dat zij meer recht had om te baren dan ik. En op haar sterfbed zei mijn moeder dat ze veel spijt had van mijn adoptie.’
Dat was een klap in haar gezicht, vooral omdat de dochter vele pogingen had gedaan om met haar adoptiemoeder in gesprek te gaan en het contact te verbeteren. Maar het riep ook de vraag op: had ze niet eerder moeten breken met de vrouw die niet het beste met haar voorhad en haar geen geluk gunde?
Familie moet elkaar trouw blijven, is het idee. Zo zijn we biologisch, sociaal en vaak ook religieus geprogrammeerd. Ouders hebben je het leven geschonken, dus er blijft een existentiële band, zeggen sommige gezinstherapeuten in mijn boek Het blijft toch je familie?, waarin ik breuken tussen bloedverwanten onderzoek. Maar wat als je geen bloedband deelt? Wat als een opvoeder jarenlang voor je heeft gezorgd, maar die zorg niet goed of gezond was? Wat houd je dan nog bij elkaar als de relatie niet werkt?
Naar aanleiding van mijn boek kreeg ik ook reacties van mensen die afstand namen van hun adoptieouders. Natuurlijk zijn er genoeg mensen die wél een goede band hebben met niet-biologische opvoeders. Maar in dit artikel onderzoek ik wat er mis kan gaan. Ik deed een oproep op sociale media om meer persoonlijke ervaringen van adoptiekinderen te verzamelen.
In die verhalen staat eenzaamheid centraal. Geadopteerden konden geen band opbouwen met hun familie in het land van herkomst en missen belangrijke informatie over wie ze zijn. Tegelijkertijd moesten ze blij zijn met het leven dat ze ervoor in de plaats kregen, in het rijke Westen. Maar ze voelden zich vaak niet thuis in hun adoptiegezin. Als volwassene kijken ze anders terug op hun getroebleerde jeugd, waardoor ze nu moeten concluderen: de mensen die mij hebben opgevoed waren geen geschikte ouders.
Die eenzaamheid voelde Qian van Binsbergen ook in haar gesprekken met ruim tweehonderd geadopteerden, voor haar docuserie De Afhaalchinees en het gelauwerde vervolg De Afhaalchinees: Thuisbezorgd. Ze werd zelf ook geadopteerd uit China. Toen haar adoptiemoeder ziek werd en overleed, voelde Van Binsbergen zich verloren. ‘Ik ging van 100 procent wees naar 150 procent wees’, zegt ze in haar serie. Onlangs brak ze ook met haar adoptievader en zijn familie. ‘Tijdens het maken van de documentaires kreeg ik veel nieuwe inzichten’, zegt ze nu tegen de Volkskrant. ‘Ik kwam tot de conclusie dat zij niet mijn familie zijn, maar mensen die mij hebben geadopteerd. Zij zijn niet mijn bloed.’
Tegenwoordig wordt er kritischer gekeken naar adoptie, nadat in de afgelopen decennia grootschalige misstanden aan het licht kwamen. Maar welke idealen lagen eraan ten grondslag? Interlandelijke adoptie nam een vlucht na de kreet: ‘Al red je er maar één.’ Deze woorden werden uitgesproken door schrijver Jan de Hartog, in een tv-interview met Mies Bouwman in 1967. Hij adopteerde twee Koreaanse kinderen en riep Nederlandse kijkers op om hetzelfde te doen. Die reageerden massaal en wilden ook wel een ‘adoptie-Koreaantje’. Zo werden in de jaren zeventig en tachtig vierduizend kinderen uit Zuid-Korea geadopteerd. Daarna werden er ook kinderen uit andere, armere, vooral niet-westerse landen gehaald. Die zijn beter af in een witte, christelijke omgeving, werd destijds gedacht. ‘Zo werd er ook gesproken over geadopteerden uit China’, zegt Van Binsbergen. ‘Kinderen zouden daar geen kansen krijgen, en meisjes werden al helemaal weggegooid.’
Maar adoptieouders hadden vaak geen idee waar ze aan begonnen en waren slecht voorbereid op een kind uit een andere cultuur. ‘Vooral in de beginjaren had men daar weinig oog voor’, zegt Ruth Willems, die werd geadopteerd uit Zuid-Korea en als psycholoog andere geadopteerden helpt. ‘Als een ouder jaren wacht op een adoptiekind, en in de tussentijd maar vijf woorden Spaans leert, is dat niet cultureel sensitief. Heb je je wel verdiept in het kind en waar het vandaan komt? Dat beïnvloedt ook de hechting met het kind.’ Ze krijgt bijval van transcultureel familietherapeut Kitlyn Tjin A Djie. ‘Adoptieouders ontnamen kinderen hun taal, hun naam en hun achtergrond, omdat dit een goede relatie in de weg zou staan. Maar als de bloedband van het kind niet wordt gerespecteerd, kan de band met adoptieouders ook niet groeien.’
Veel geadopteerden die reageerden op mijn oproep moesten niet alleen ‘assimileren’ in de Nederlandse cultuur, maar werden ook op andere, vergaande manieren onder druk gezet. ‘Ik werd klein gehouden’, zegt een vrouw die uit Colombia is geadopteerd. ‘Ik had een ontwikkelingsachterstand, maar mocht niet naar het speciaal onderwijs. Toen mijn adoptiemoeder merkte dat ik stopte met groeien, moest ik wel onder dwang een hormoonbehandeling ondergaan. Ik weet inmiddels dat ik de ziekte van Graves heb, maar die symptomen hebben mijn adoptieouders jarenlang genegeerd.’ Ook toen de vrouw op zichzelf woonde, bleef haar adoptiemoeder haar leven bepalen. ‘Toen ik zwanger werd, vroeg mijn adoptiemoeder steeds of ik het kind wel wilde houden. Ze dwong me daarna tot een abortus, waar ik niets over te zeggen had. Later kreeg ik toch een kind, van wie ze niets wilde weten. Daarna heb ik definitief het contact met mijn adoptieouders verbroken.’
Geadopteerden en experts gebruiken vaak de uitdrukking ‘out of the fog’ (uit de mist). ‘Omdat je eerst niet goed begreep wat je voelde’, zegt psycholoog Willems. ‘Maar hoe ouder je wordt, hoe meer je beseft wat je bent kwijtgeraakt of tekort kwam.’ Volwassen krijgen allerlei levensvragen: wie ben ik, en vooral: wie had ik kunnen zijn als ik niet was geadopteerd? ‘Zelf een kind krijgen is vaak een keerpunt’, zegt Willems. ‘Vooral als jouw kind de leeftijd bereikt waarop jij van jouw eigen ouders bent gescheiden.’ Volgens de psycholoog gaat interlandelijke adoptie altijd gepaard met verlies. ‘Geadopteerden hebben eerst vaak in meerdere weeshuizen gezeten. Na de adoptie is er een verlies van geuren en kleuren, broertjes en zusjes. Maar adoptieouders hebben zelf vaak ook een verlies moeten verwerken, door onvruchtbaarheid of een doodgeboren kind.’
Waarin verschillen adoptiegezinnen van andere gezinnen met conflicten? Adoptieouders kunnen immers dezelfde fouten maken als biologische ouders. Maar het is wrang dat geadopteerden uit het buitenland werden gehaald door mensen die pretendeerden dat ze reddende engelen waren, die het beter zouden doen dan hun biologische ouders. ‘Slechts enkele maanden nadat ik als peuter in Nederland aankwam, kregen mijn adoptieouders financiële zorgen en ook drankproblemen’, zegt een vrouw die in India werd geboren. ‘Als instanties beter hadden gecontroleerd, hadden ze gezien dat mijn moeder altijd tot in de middag haar roes uitsliep.’ Het liep zo uit de hand dat het meisje op haar 12de van huis wegliep en hulp zocht bij anderen. ‘Ik moest dus vanaf zeer jonge leeftijd voor mezelf zorgen en had het gevoel dat iedereen me op den duur in de steek zou laten.’
In ieder gezin kunnen ouders ook besluiten om uit elkaar te gaan, dat is altijd verdrietig voor kinderen. Maar voor geadopteerden is dat weer extra pijnlijk. Sommigen schrijven dat ze verscheurd werden tussen ruziënde ouders of zelfs moesten kiezen; een onmogelijke opgave voor een kind dat al trauma’s met zich meedraagt en loyaliteitsconflicten ervaart. ‘Toen ik 7 was, gingen mijn adoptieouders uit elkaar, want mijn adoptievader bleek homo te zijn’, zegt een vrouw die in Zuid-Korea werd geboren. ‘Hij zat in een identiteitscrisis en voelde zich schuldig omdat hij het gezin had verlaten. Als volwassene heb ik meermaals zorgverlof opgenomen om mijn adoptiemoeder te ondersteunen na haar operaties. De andere, biologische kinderen deden dit niet. Maar toen ik op latere leeftijd het contact verbrak, kreeg ik te horen dat ik mijn adoptiemoeder te weinig aandacht en liefde had gegeven.’
Geadopteerden voelen zich vaak minderwaardig ten opzichte van de biologische kinderen. Die worden voor hun gevoel voorgetrokken en komen overal mee weg. Meerdere geadopteerden zeggen dat ze werden gepest en gediscrimineerd. En soms komen geadopteerden ook tegenover elkaar te staan. ‘Mijn broer en ik werden allebei uit India geadopteerd, maar uit verschillende weeshuizen, dus we delen geen bloedband’, zegt zijn zus. ‘Na de dood van onze adoptievader ontspoorde mijn broer. Hij loog en bedroog jarenlang de boel bij elkaar. Dat kwam omdat hij een vaderfiguur miste, zei de omgeving geregeld. Ik ben ook een vader verloren, maar had juist het gevoel dat ik iedereen moest pleasen.’ Toen ze brak met haar broer om zichzelf te beschermen, ging de moeder daar niet in mee. ‘Ik weet nog dat ze zei: ik heb hem uit de sloppen gehaald, dus ik stop hem niet terug in de sloppen.’
Er lopen meerdere rode draden door deze complexe verhalen. Geadopteerden voelden zich outsiders in het gezin. Ze werden verkeerd begrepen, openlijk gediscrimineerd en slechter behandeld dan andere gezinsleden. Ze kwamen onderaan de hiërarchie te staan, want ze voldeden niet aan het plaatje dat adoptieouders van hen hadden en konden niet de rol spelen die van hen werd verwacht. Geadopteerden werden gekleineerd, mishandeld of soms zelfs seksueel misbruikt. Het is onbekend op welke schaal dit voorkomt. Maar na een oproep kreeg programmamaker Qian van Binsbergen binnen een week 36 meldingen van seksueel misbruik in adoptiegezinnen. Een adoptie-expert in haar serie herkent dat beeld en stelt dat adoptiekinderen misschien nog wel vaker seksueel worden misbruikt dan pleegkinderen.
Dat roept de vraag op: hoe verhouden de ervaringen van adoptiekinderen zich tot die van pleeg- en donorkinderen? Deze groepen kwamen ook niet aan bod in mijn boek over bloedverwanten. Een aantal van hen liet me weten dat ze zich niet thuis voelden in het gezin waarin ze opgroeiden. Het is goed om te benadrukken dat kinderen ook liefdevol kunnen worden opgevoed door niet-biologische ouders (of stiefouders). Als queer man zie ik legio voorbeelden van meeroudergezinnen waarin iedere opvoeder even belangrijk is en evenveel van de kinderen houdt. Maar het contact wordt verstoord als belangrijke informatie wordt verzwegen en kinderen pas in hun volwassen leven krijgen te horen wie hun biologische ouders zijn. En dan gaat het meestal om wie de vader is.
‘Ik heb vorig jaar op Vaderdag het contact verbroken met mijn opvoedvader’, zegt een vrouw die een kind bleek te zijn van een anonieme donor. ‘Dat was een familiegeheim waar ik op mijn 26ste pas achter kwam. Mijn hele familie wist het en zat maar te wachten en wachten.’ Ze ontdekte dat ze negentien halfbroers en -zussen had. ‘Ik wist niet wat ik daarmee aan moest. Nou, niks dus. En mijn biologische vader is inmiddels overleden.’ Ze is boos dat zij over ‘zoiets existentieels’ is voorgelogen. ‘Wat hebben ze nog meer verzwegen?’
Een andere vrouw ontdekte ook pas op haar 25ste dat ze een donorkind was. ‘Mijn opvoedvader heeft na de onthulling de genetische kaart getrokken: hij hoefde niet meer te doen alsof en verdween uit mijn leven. In het ouderlijk huis werden foto’s waarop ik stond weggehaald, terwijl foto’s van zijn biologische zoon bleven staan.’
Liegen over waar een kind vandaan komt is funest, zowel voor adoptiekinderen als donorkinderen. ‘Ouders vragen wanneer ze het een donorkind moeten vertellen’, zegt psycholoog Willems. ‘Dat moet zo vroeg mogelijk, het moet een verhaal zijn dat altijd bekend was. Toch wordt het vaak geheim gehouden, omdat het te ingewikkeld zou zijn voor het kind. Maar het is vooral te moeilijk voor de ouders. En als het ware verhaal niet wordt verteld, wordt het ook niet erkend. Dat kan leiden tot eenzaamheid en boosheid.’ Transcultureel therapeut Tjin A Djie denkt dat dit in sommige gevallen het gevolg kan zijn van een zwijgcultuur binnen families, waarbij verschillende generaties gevoelige informatie voor elkaar achterhouden.
Als je adoptie- en pleegkinderen met elkaar vergelijkt, vallen weer andere dynamieken op. ‘Pleegouders nemen een kind in huis, maar houden meestal in hun achterhoofd: dit kind is van iemand anders’, zegt psycholoog Willems. ‘Adoptieouders hebben de hoop dat dit hún kind wordt. In gezinnen met zowel adoptie- als pleegkinderen worden ze vaak ook anders behandeld.’ Volgens therapeut Tjin A Djie ligt er meer druk op adoptiekinderen om goed te presteren en perfect te zijn, terwijl pleegkinderen worden gezien als gemankeerd. ‘Bot gezegd: wegwerpkinderen uit disfunctionele families, waar je van alles mee kunt doen.’ Dat doet denken aan het veelbesproken verhaal van de drie pleegkinderen in Vlaardingen die jarenlang werden mishandeld. Het is een extreem voorbeeld van waar dat toe kan leiden.
De culturele sensitiviteit die adoptieouders geregeld missen, ontbreekt vaak ook bij pleegouders en betrokken instanties. Tjin A Djie werkte ooit bij een kindertehuis, waar ze zich bekommerde om een Marokkaans-Nederlands meisje. ‘Toen zei een psycholoog: ‘Die gaan we bij een gezin in het Gooi plaatsen.’ Hij dacht dat het kind beter af was bij rijke, witte mensen. Maar toen protesteerde ik en zei dat we een Marokkaans pleeggezin voor haar gingen zoeken.’
Tjin A Djie heeft geen goed woord over voor de pleegzorg in Nederland. ‘Je moet altijd eerst op zoek gaan naar iemand uit de directe omgeving die de zorg tijdelijk kan overnemen. Denk aan verdere familie, maar bijvoorbeeld ook aan docenten of sportcoaches. Een kind dat in de eigen context wordt verzorgd, behoudt belangrijke banden.’
Iets anders dat adoptie- en pleegkinderen bindt, is dat ze vaak krijgen te horen dat ze dankbaar moeten zijn. Ze moeten zich aanpassen en vragen zich later af: moet ik iets terugdoen voor de zorg die ik kreeg?
Dat voelde ook deze vrouw die opgroeide in een pleeggezin: ‘Mijn moeder worstelde met haar mentale gezondheid en bracht langere periodes in een kliniek door. Ik woonde dan bij kennissen, die de rol van pleegouders op zich namen. Maar ik wist niet hoe ik me moest gedragen en durfde geen nee te zeggen. Ik voelde geen onvoorwaardelijke liefde.’ Nu ze zelf moeder is, heroverweegt de vrouw de relatie met haar pleegmoeder. Maar die is inmiddels weduwe en leunt juist zwaarder op haar. ‘Zij wil dingen van mij die ik niet kan of wil geven. Ik wil voor mezelf kiezen, maar kan ik dat maken?’
Het blijft toch je familie. Dat is wat buitenstaanders tegensputteren als je breekt met bloedverwanten, vaak zonder te weten welk jarenlang leed eraan voorafging. En ook mensen die breken met adoptie- en pleegouders krijgen dikwijls te horen dat ze hun familie niet de rug mogen toekeren, merkt psycholoog Ruth Willems. ‘Van geadopteerden en pleegkinderen wordt vaak verwacht dat zij dankbaar blijven, wat er ook is gebeurd. Opvallend genoeg wordt de eerste breuk met de biologische familie vaak gezien als iets wat nu eenmaal bij adoptie hoort, terwijl een latere breuk met de adoptie- of pleegfamilie als onacceptabel wordt beschouwd. Maar sommigen moeten deze keuze maken omdat ze er anders zelf aan onderdoor gaan. Ik moedig een breuk niet aan, maar in mijn praktijk is het zeker geen taboe.’
Andersom komt ook voor: adoptieouders die breken met hun adoptiekind. ‘Mijn adoptiemoeder zei van de ene op de andere dag dat ze geen contact meer wilde’, zegt een vrouw die werd geboren in Zuid-Korea. ‘Ik was ruim tien jaar mantelzorger voor haar, maar ineens was ik overbodig. En ik kreeg geen enkele uitleg. Ik voelde me dus voor de tweede keer in mijn leven afgewezen.’
De vrouw vermoedt dat haar adoptiemoeder een narcistische persoonlijkheidsstoornis heeft. ‘Het draaide altijd om haar. Door mij te adopteren voelde ze zich een goede moeder, en ze wilde ook graag aan anderen laten zien hoe goed ze het deed.’ Maar haar adoptiedochter kon niets goed doen. ‘Toen mijn tante het voor me opnam, brak mijn moeder ook met haar.’
De laatste jaren stappen steeds meer slachtoffers van slecht ouderschap uit de mist en praten openlijker over hun verleden. Het zijn geen incidenten, maar structurele en institutionele misstanden. Driekwart van de kinderen die sinds 1945 in de Nederlandse jeugdzorg zat, heeft daar te maken gehad met fysiek, seksueel of psychisch geweld of was daar getuige van, concludeerde een onderzoekscommissie in 2019. Ook komen er steeds meer verhalen naar buiten over roekeloze zaaddonoren en sjoemelende fertiliteitsartsen die tientallen of zelfs honderden kinderen verwekten, wat vaak een grote schok is voor getroffen gezinnen. In 2021 concludeerde de commissie-Joustra dat interlandelijke adoptie moet stoppen, omdat er in het verleden te veel fouten zijn gemaakt in de procedures, documenten werden vervalst en kinderen soms onder dwang werden weggehaald bij hun biologische ouders. Interlandelijke adoptie wordt daarom gaandeweg afgeschaft, want volgens de overheid kan ook in een strenger ingericht systeem de kans op misstanden niet worden uitgesloten.
‘Als je nu nog een kind wil adopteren, is dat moreel onverantwoord’, vindt Qian van Binsbergen. ‘Omdat je weet dat je meewerkt aan een systeem dat niet klopt en niet zo mag doorgaan.’ Volgens psycholoog Willems zijn hele generaties geadopteerden wakker geschud, omdat hun levensverhaal vaak niet bleek te kloppen. Daar kunnen ze activistisch van worden, zoals bij Van Binsbergen gebeurde, maar ook bij andere geadopteerden die ik sprak. ‘Als je veel onrecht hebt ervaren, werkt dat lang door’, zegt Willems. ‘Het laat diepe en langdurige psychologische sporen na. Onrecht veroorzaakt woede, ook op persoonlijk vlak. Sommigen kunnen alleen helen van die woede door het om te zetten in activisme, zodat ze er zelf niet aan onderdoor gaan.’
De redenen waarom adoptie-, pleeg- en donorkinderen breken met niet-biologische ouders hebben vaak te maken met de onconventionele gezinssituatie. Maar hun motieven komen ook overeen met verhalen uit mijn boek, van mensen die braken met bloedverwanten. De kern is dat iemand zich langdurig niet gehoord en gezien voelt door een familielid, en daarom voor zichzelf kiest. ‘Ik verzet me dan ook tegen het idee dat alles door adoptie komt’, zegt psycholoog Willems. ‘Want over welk aspect van de adoptie heb je het? Wat maakt dat adoptieouders en geadopteerden elkaars verschillen niet kunnen accepteren?’ Er zijn immers ook geadopteerden die zich ondanks alle verschillen met gezinsleden wél geaccepteerd voelen.
Wat is de druppel voor mensen die breken met adoptieouders? ‘Geadopteerden breken vaak als zij kritischer naar hun levensverhaal willen kijken, maar adoptieouders dat niet willen’, zegt Willems. Het voortschrijdende inzicht over interlandelijke adoptie is van groot belang. ‘Als een ouder kan toegeven dat er mogelijk fouten zijn gemaakt in de procedure, volgt er vaak een rouwproces, maar kan een breuk met het kind worden voorkomen.’ Volgens de psycholoog willen veel geadopteerden vooral erkenning voor de moeilijke en eenzame weg die zij hebben afgelegd. Willems heeft zelf ook ervaring met een breuk in haar eigen adoptiefamilie. ‘Veel mensen die ik spreek, zeggen: al hadden mijn ouders één keer echt sorry gezegd, dan was dat voldoende geweest.’
‘Als je me nu voor mijn ouders zou neerzetten, klap ik waarschijnlijk dicht’, zegt een vrouw die uit Ethiopië werd geadopteerd en jaren geleden met haar adoptieouders brak. ‘Er waren in mijn jeugd veel ruzies en allerlei vormen van geweld. Verbaal, fysiek en als ik er nu als volwassene op terugblik ook psychisch. ‘We hadden je niet moeten adopteren’, kreeg ik te horen. Ik voelde me altijd het buitenbeentje in het gezin.’ Ze weet niet of ze ooit nog op het punt komt dat ze het contact met haar adoptieouders wil herstellen. ‘Ik draag nog te veel onverwerkt leed met me mee en kan daardoor erg onzeker zijn. Als volwassene moet ik beter voor mezelf opkomen, maar ik ben bang dat ik mezelf weer klein maak tegenover mijn adoptieouders. Er moet dus eerst een handreiking worden gedaan naar het kind in mij.’
In dit artikel delen ervaringsdeskundigen hun kant van het familieverhaal. Deze mensen zijn geanonimiseerd, om hun privacy en die van familieleden te beschermen. Ook zijn sommige herleidbare details weggelaten. Namen en contactgegevens zijn bekend bij de redactie.
Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant