Jonge auteurs schrijven over de smaak, de stijl en de vakanties van de hogere middenklasse, en dat is niet vreemd: klasse is overal weer een thema. Waarom willen hun boeken dan toch geen klassenkritiek worden?
In Een goed nest, de eerder dit jaar verschenen roman van Philip Huff, bezoeken Paul en Hani, twee studenten aan de filmopleiding, de tombe van Karl Marx in Londen.
Om bij de begraafplaats te komen, moeten ze ‘door een privéstraat vol Maserati’s, Porsches, Range Rovers en bewakers in dikke zwarte jassen’.
Huff schrijft: ‘Illustratief voor de einduitslag van de wedstrijd, vond Hani. ‘Vind je niet?’’
Ze krijgen maar even de tijd om de begraafplaats te bezoeken, want die sluit al bijna. O, ironie!
In de roman verhaalt Huff over drie kinderen uit een familie die zijn uitgevlogen over de wereld. Julia, een fotograaf, probeert in Nieuw-Zeeland te aarden en twijfelt over het krijgen van een kind; Paul blikt in Los Angeles terug op zijn innige vriendschap met Hani; Vincent, een schrijver die woont in New York, experimenteert met sm-seks en geeft schrijfles aan delinquenten.
Helmer Stoel is postdoctoraal onderzoeker in de filosofie, schrijver, en docent.
Ze zijn kinderen van Raymond, een advocaat, en Lucia, een uitgever. Huff schrijft over familiebanden en liefdesrelaties en hoe deze veranderen door de tijd, waarbij, en dat is heel subtiel gedaan, de liefde het laatste woord heeft. In het hoofdstuk waarmee de roman opent zit Raymond in zijn luxe appartement en kijkt uit over het IJ: ‘Hier zit hij graag, omdat je hoog zit, je goed kunt zien hoe klein het land is en hoe wijd het water, hoe hoog de lucht. Hij denkt vaak aan de vakanties en de reizen met hun kinderen, Frankrijk, de Middellandse Zee, Nieuw-Zeeland, Nova Scotia, Venezuela, Guyana, Suriname.’
De Reichenbachs, de onlangs verschenen roman van Berend Sommer, is stukken duisterder. Nadat moeder Willemijn, minister voor de PvdA, politiek ten val komt, belandt zij in een psychiatrische kliniek. Dat veroorzaakt een schok bij de andere familieleden. Jaap, de vader, moet verschijnen voor een parlementaire enquêtecommissie vanwege zijn betrokkenheid bij de Omgevingswet, een groot, mislukt overheidsproject, dat miljarden kostte.
Serge, de zoon, is een depressieve fotograaf die slechts twee succesvolle foto’s heeft gemaakt (en daar op een wonderlijke manier van kan leven). En tot slot is er Julliette, de dochter, een koelbloedige journalist die voor de tv verslag doet van de oorlog in Oekraïne.
De val van de familie Reichenbach wordt al in de openingszinnen aangekondigd: ‘Decorum en jaloezie houden een gezin in evenwicht. Buitenstaanders zien gezellige schaduwen tegen het gordijn. Dat kan jaren goed gaan. Tot de problemen zich vermenigvuldigen en de eerste scheurtjes zichtbaar worden. Er is een moment waarop de werkelijkheid toeslaat.’
De roman van Philip Huff heeft meerdere raakvlakken met de roman van Berend Sommer. In zekere zin zijn het omgekeerde familieromans: verhalen die beginnen met een uiteengevallen familie, om vervolgens terug in de tijd te gaan. In hoeverre word je gevormd door je afkomst?
Wat de boeken nog meer gemeen hebben: zowel Huff als Sommer schetsen een portret van een specifiek segment van de hogere middenklasse. Huff doet dat met lichte ironie, Sommer satirisch en spottend. Beide auteurs maken klasse tot thema, ook al lijkt het voor hen zeker niet de hoofdzaak. De ouders hebben zowel goede banen met een hoge sociale status, als aanzienlijk eigen vermogen. Ondanks kleine verschillen hebben de kinderen allemaal dezelfde levensstijl.
Deze millennials zijn zonder uitzondering werkzaam in de culturele sector of de journalistiek. ‘Geen van jullie drieën heeft een gewone baan’, merkt Huffs vader Raymond over zijn kinderen op.
Je kunt ze rekenen tot de creative class, zoals de Amerikaanse socioloog Richard Florida deze groep omschreef in het boek The Rise of the Creative Class uit 2002: werkers in grote steden met creatieve beroepen en veel autonomie, onder wie academici, ingenieurs, schrijvers, en acteurs. Ze hebben gekozen voor creatieve maar onzekere beroepen, die maar weinigen als een vanzelfsprekend carrièreperspectief kunnen zien.
Ze zijn ook door en door kosmopolitisch. Reizen is geen luxe, maar een tweede natuur. Zo lezen we bij Sommer over Julliette: ‘Mensen die hun hele leven in dezelfde stad bleven wonen en werken, zoals haar vader, nam ze niet serieus.’
Nederland is een plek waarnaar ze noodgewongen terugkeren, niet een plek waartoe ze veroordeeld zijn.
Zowel Huff als Sommer geven met merkbaar plezier de details van de levensstijl van de personages van hun eigen generatie weer, met de bijbehorende voorkeuren op het gebied van consumptie en cultuur. Daaronder vallen onder andere: laarzen van Yves Saint-Laurent, schoudertasjes met logo’s van specifieke winkels (die je maar net moet kennen), de films van ‘Riefenstahl, Chaplin, Loach’, het blad Monocle (gericht op global affairs en lifestyle) en dineren bij het restaurant Ceccioni’s in de Amsterdamse vestiging van Soho House.
Opvallend is ook hoe klassenbewust de personages zelf zijn. Zo denkt bij Sommer de journalist Julliette, altijd even cynisch en berekenend, na over hoe het krijgen van een kind haar klassenpositie zou beïnvloeden:
‘Stel ze kreeg een baby: zou dat dan een sociale stijger of een sociale daler worden? Willemijn was een sociale stijger, Jaap een sociale daler. Serge dreigde een sociale daler te worden. Het was misschien wat vroeg om de balans op te maken – maar van zichzelf verwachtte ze alleen succes.’
Bij Huff overdenkt de fotograaf Julia schuldbewust haar eigen geprivilegieerde positie (al lijkt in deze scène de auteur zelf meer aan het woord): ‘Ze wist inmiddels wel beter: geluk had altijd een voorgeschiedenis. Zoveel werd bepaald door genen en de plek van de geboortewieg. Je kon het systeem wel een meritocratie noemen, maar dat was misleidend. Je succes was erfelijk.’
Het klassenbewustzijn dat in veel hedendaagse Nederlandse literatuur, filosofie, en journalistiek naar voren komt, is vaak performatief en ironisch. Dat is niet verwonderlijk. Onder het progressieve deel van de hogere middenklasse is een bepaald klassenbewustzijn ironisch genoeg het teken dat je tot deze klasse behoort. In andere woorden: het erkennen van het eigen privilege is een vorm van wat de Franse socioloog Pierre Bourdieu ‘cultureel kapitaal’ noemde.
Tussen de slokjes natuurwijn door bespreek je in je woonkeuken De zeven vinkjes van Joris Luyendijk of de nieuwe podcastaflevering van Voorheen Schaamteloos Randstedelijk van Doortje Smithuijsen en Perre van den Brink.
Opvallend is dat ‘klasse’ hierbij vaak in overwegend culturele termen wordt geduid: het gaat over opleidingsniveau, consumptiegedrag en cultuur. Vaak wordt klasse gereduceerd tot lifestyle, ‘hoogopgeleiden versus laagopgeleiden’, of gedrag. Daarbij verdwijnt klasse als (breder) sociaal-economisch thema naar de achtergrond.
Als klasse bestaat de hogere middenklasse voornamelijk uit ‘hoofdwerkers’. Vaak is er enige schaamte richting de klassen met voornamelijk praktische beroepen. Terwijl de kantoorwerker of thuiswerker ontspannen achter een bureau zit, is de praktische werker ‘echt’ aan het werk.
Maar deze beschaamde houding, loffelijk als die soms kan zijn, is politiek begrensd. Het is een individualistische, moralistische benadering van klasse: je moet je schuldbewust rekenschap afleggen van je klassenprivileges en niet discriminerend optreden naar ‘de kwetsbaren’ in de samenleving. Het lijkt hiermee op het kopen van een aflaat, zoals vroeger in de katholieke kerk gebruikelijk was. In het ergste geval neemt het de plaats in van echt sociaal of politiek engagement.
In Een goed nest wordt veel gerefereerd aan klassenongelijkheid (net als aan de verfoeilijkheid van het kapitalisme, oorlogen en de klimaatcrisis), maar dat blijft vooral bij plichtmatige beweringen, zonder dat het een organisch deel uitmaakt van het verhaal, of ook maar iets verandert aan de levens van de personages. Ook het personage Nora, jeugddelinquent en vluchteling en de enige sociale daler, wil niet echt tot leven komen. De kosmopolitische levens die Huff schetst, spelen zich af in een gesloten sociale wereld.
De Reichenbachs, in sommige opzichten een heerlijk ambitieus boek, is in de eerste plaats een satirische zedenschets. Tegelijkertijd is het een kritiek op de onmacht van de Nederlandse regentenklasse.
Dat komt het duidelijkst aan het licht in de verhaallijn over topambtenaar Jaap en zijn geworstel met de Omgevingswet. De Nederlandse overheid is zwaar afhankelijk geworden van externe adviseurs, waaronder spindoctor Frank en IT-specialist Aldo. Zij dragen geen enkele verantwoordelijkheid, terwijl ze wel grof geld verdienen.
Wanneer Jaap naar Spanje afreist om bij Aldo om hulp te bedelen en de sfeer plotseling omslaat, geeft de libertarische IT-specialist hem ervan langs: ‘Als ik naar jou kijk, zie ik een man in een ergonomische bureaustoel op de negentiende verdieping van een Haagse toren, waar je mailwisselingen aan het doorsturen bent naar je collega’s.’
Maar deze satire stuit op een grens. Net als bij Huff blijft de sociale wereld die Sommer schetst gesloten. Zijn personages zijn zo consequent elitaristisch dat de grap er vaak vanaf is (‘Het deed haar denken aan Nederlandse bed en breakfasts, waar echtparen zonder cultuur Home sweet home op de muur schilderden.’).
Bij Sommer is het uiteindelijk ieder voor zich. In de kille wereld die deze roman oproept lijkt Julliette, zonder twijfel het memorabelste personage, het laatste woord te hebben: ‘Alle beschaving, alle idealen, echt alles is hypocrisie.’
En wanneer ze in Oekraïne op een persiflage van Tommy Wieringa stuit, zegt ze over Joe Speedboot: ‘Veel van geleerd. Sindsdien kies ik altijd voor mezelf. Niemand anders zal het doen.’
Sommers Tommy Wieringa glundert: ‘Briljante interpretatie.’
Waar de realistische roman van de 19de eeuw – Honoré de Balzac, Charles Dickens, Benito Perez Galdós – de maatschappij afbeeldde als een veelstemmige wereld waarin verschillende sociale klassen bestaan, voert de Nederlandse realistische roman van de 21ste eeuw vaak een eenstemmige wereld op, die van de veralgemeniseerde middenklasse.
Vreemd is dat niet, want het beeld van Nederland als een land met alleen een middenklasse is hardnekkig. Waar je wieg ook staat in Nederland, ze lijkt altijd in een koopwoning te staan. Uiteraard is dit een zelfgenoegzame mythe, mede gepropageerd door de partij voor de ‘hardwerkende Nederlander’ die al meer dan vijftien jaar onafgebroken in de regering zit.
In de jaren negentig van de vorige eeuw gold het spreken over klasse als achterhaald. Al in het decennium daarvoor waren veel politici, politicologen en sociologen het erover eens: het was legitiem om de categorie ‘klasse’ dood te verklaren. Zo stelde de Duitse socioloog Ulrich Beck bijvoorbeeld dat klasse ‘een zombiecategorie’ was: iets dat voortleeft maar eigenlijk nergens meer naar verwijst.
Achteraf bezien lijkt dit idee vooral een momentopname te zijn geweest, gekoppeld aan de hegemonie van het neoliberalisme. De financiële crisis van 2008, de voorzichtige opleving van economisch linkse partijen, de effecten van de coronacrisis en de nieuwe elite van tech-oligarchen in de Verenigde Staten hebben klasse als thema opnieuw op de agenda gezet.
Sinds pakweg zes jaar lijkt ook in het neoliberale Nederland het gesprek over klasse weer terug. Op tv waren er de series Sander en de kloof en Klassen. Er zijn in de laatste jaren ook veel boeken over klasse verschenen, waaronder werk van Sinan Çankaya, Milio van de Kamp, Tim ‘S Jongers en Rasit Elibol.
De reden daarvoor is simpel: sociale ongelijkheid groeit. De hoge inflatie, de wooncrisis, het stijgen van de energieprijzen en de afbraak van sociale voorzieningen raken bovendien niet alleen de lagere klassen in de samenleving, maar nu ook de middenklasse. Dat leidt tot de angst voor neerwaartse sociale mobiliteit en een somber toekomstbeeld.
In maart 2023 publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau het rapport Eigentijdse ongelijkheid, waarin de Nederlandse bevolking in zeven klassen wordt onderverdeeld. Op deze categorisering valt veel aan te merken: zo wordt er te veel betekenis toegekend aan zogenoemd sociaal kapitaal, terwijl economisch kapitaal aan het zicht wordt onttrokken. Maar alleen al de ondubbelzinnige erkenning van het bestaan van klassenongelijkheid betekende voor Nederlandse begrippen een heuse doorbraak.
In Klasse – Het ontstaan van onder en boven trekt Hanno Sauer, filosofieprofessor in Utrecht, van leer tegen het performatieve klassenbewustzijn. Hij beschrijft progressieve morele opvattingen in populistisch-rechtse termen als ‘deugdpronken’.
Daarom is het des te ironischer dat hijzelf klasse ook vooral een culturele invulling geeft. Met zijn boek heeft Sauer iets knaps weten te doen: een dik boek schrijven over het begrip klasse, zonder echt op sociale en politieke klassen in te gaan.
Voor wie niet weet wat klasse is, zet Sauer gelukkig alles even op een rijtje. We kunnen wel denken in grote lijnen iets over klasse te begrijpen, maar dan vergissen we ons. Klassen, aldus Sauer, zijn ‘statushiërarchieën’ die berusten op sociaal geconstrueerde schaarste van prestige, macht en middelen. Dat maakt van klasse vooral een symbolische orde.
Dit baseert hij op de theorie van sociale signalen die afkomstig is uit de evolutionaire biologie en de economie. Door de logica van zogenaamde ‘kostbare signalen’ – dit zijn acties, eigenschappen of uitgaven die tot op zekere hoogte niet kunnen worden ‘vervalst’ door opportunisten die in klassen willen klimmen – ontstaan statussymbolen. Met dit soort ‘opzichtige consumptie’, goede diploma’s of juist doelbewuste eenvoud geven we onze sociale status aan.
In zijn boek laat Sauer een reeks klassieke denkers over klasse de revue passeren – Thorstein Veblen en Pierre Bourdieu, Karl Marx en Alexis de Tocqueville. Maar terwijl zij klasse als een sociaal, economisch en politiek fenomeen begrijpen, leest hij ze vanuit zijn eigen op voorhand vastgelegde raamwerk, waardoor alle andere dimensies van klasse verdwijnen achter de symbolische dimensie. Het lijkt haast alsof je met status je huur zou kunnen betalen.
Het is dan ook niet toevallig dat hij bovenmatig veel belang toekent aan Bourdieus categorie van cultureel kapitaal (terwijl voor de Franse denker zelf economisch kapitaal doorslaggevend blijft wanneer het over klassenverschillen gaat). Marx wordt moedwillig gereduceerd tot een karikatuur. Over economische factoren zoals inkomen of eigendom, of politieke factoren zoals macht of elitevorming gaat het eigenlijk niet, laat staan over sociale ongelijkheid. Zo wordt de term ‘klasse’ volledig gedepolitiseerd.
Daar hoeven we niet van op te kijken, want het boek heeft uiteindelijk een oerconservatieve agenda. Zo is Sauer het roerend eens met de aartsconservatief Theodor Dalrymple (ook een inspiratiebron voor Thierry Baudet), die stelt dat de ‘kernpathologie van de arbeidsklasse bestaat uit een idee, het idee namelijk dat ze het hulpeloze slachtoffer van externe omstandigheden zijn, zonder handelingsvermogen of verantwoordelijkheidsbewustzijn’.
Een klassiek staaltje blame the victim.
In Klasse legitimeert Sauer klassenverschillen door ze als iets natuurlijks (evolutionair onvermijdelijks) en eeuwigs af te schilderen. We moeten er dus mee leren leven; alles wat er te doen valt tegen sociale ongelijkheid is zorgen dat de onfortuinlijken in de samenleving wat beter worden behandeld.
‘Het slechte nieuws’, zo deelt hij ons mee, ‘is dat we maar heel weinig tegen het bestaan van statushiërarchieën kunnen doen.’
Gelukkig is er ook goed nieuws: dit ‘heldere begrip’ van klasse staat al op pagina 21, wat je ‘meer dan driehonderd pagina’s’ aan leeswerk bespaart.
Het beste boek dat recentelijk over klasse is verschenen is zonder twijfel het prachtige Overgave op commando van Nadia de Vries – het stond in mei nog op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs.
In plaats van een traditionele realistische roman over klasse te schrijven kiest ze voor een literair vormexperiment. Om die reden doet het boek denken aan een aantal internationale romans van de laatste jaren, zoals Seizoenarbeid van Heike Geißler en Werken voor de kost van Claire Baglin.
De Vries heeft een schelmenroman geschreven, een sprookjesachtig verhaal in korte episoden, telkens voorafgegaan door een enigmatische hoofdstuktitel (‘Onze held leert de charme van levensgevaar. Romantiseert het niet. Verandert wel voorgoed.’).
Schelvis, het genderloze hoofdpersonage, groeit op in een kleine kustplaats onder de rook van een staalfabriek. Op school wordt Schelvis met diens vrienden ‘voorbereid om dienstbaar te zijn’. Na te zijn verstoten door de vriendengroep reist Schelvis naar de grote stad, waar verschillende mensen op diens pad komen. Zoals Ruud, een handtastelijke verhuurder, Tanja, een journalist die humaninterestreportages schrijft over ‘mensen met een miserabel leven’, en alternatievelingen in een woongroep.
In de eerste helft van het boek geeft De Vries een portret van een arbeidersmilieu. In het tweede deel, in de stad, komen in de omgang van Schelvis met de andere personages klassenverschillen aan het licht. Zoals in een komische scène waarin Tanja, als kind van advocaten deel van de hogere middenklasse, klaagt over hoe zwaar haar werk is. Het is een mooi voorbeeld van how to make this about me: ‘Voor mij was het nooit een optie om te falen. Mijn ouders waren succesvol en dus was ik voor niets anders voorbestemd dan grootsheid. Dat is een last, Schelvis, het is zwaar om generationeel getalenteerd te zijn. Jij begrijpt dat misschien niet, dat weet ik. Maar geloof mij: elke dag van mijn leven moet ik mijn best doen niet middelmatig te zijn.’
Ondanks alle moeite die Schelvis doet lukt het hen niet een plekje te vinden. Het is sterk van De Vries dat ook de huisgenoten van de woongroep, antikapitalistische alternatievelingen die zichzelf ‘als mondstuk voor de samenleving’ zien, Schelvis uiteindelijk niet beter behandelen. Klasse zit dieper dan alleen bewuste opvattingen.
Op een manier die herinnert aan Oliver Twist van Dickens (een boek waaraan De Vries ook refereert in haar verantwoording), voert Overgave op commando klasse op als een aanklacht. Daarvoor heeft ze geen politieke theorieën nodig. Soms is de beschrijving van een leven zelf al een aanklacht.
Tegen het einde van het verhaal geeft een huisarts moederlijk advies aan Schelvis: ‘Je bent het waard om je veilig en geliefd te voelen.’
Dat is leuk, denk je met Schelvis, maar wáár?
Lang leefde Nederland met de mythe dat het een land met alleen een middenklasse was, en hoewel het thema klasse terug is, is de nawerking van de mythe dat we klasse nog steeds bediscussieren in culturele termen – waarbij het vaak een algemene, vibes-based categorie blijft. Lifestyle, opleidingsniveau, gedrag. Onvoldoende gaat het over economisch bepalende factoren als bronnen van inkomen, positie op de arbeidsmarkt, en vermogen. Maar gelukkig zien we steeds vaker uitzonderingen.
Net als Paul en Hani, de twee vrienden in de roman van Philip Huff, ging ik drie jaar geleden naar een Karl Marx-bedevaartsoord. In het huis aan de voormalige Orléansstraat in Brussel, waar Karl Marx aan de vooravond van het Revolutiejaar 1848 het Communistisch Manifest schreef, zit nu een yogastudio.
‘Mooie metafoor’, was alles wat ik kon denken.
Philip Huff: Een goed nest. Prometheus; 334 pagina’s; € 23,99.
Berend Sommer: De Reichenbachs. Prometheus; 382 pagina’s; € 24,99.
Hanno Sauer: Klasse – Het ontstaan van boven en onder. Uit het Duits vertaald door Laura Molenaar. De Bezige Bij; 368 pagina’s; € 29,99.
Nadia de Vries: Overgave op commando. Pluim; 160 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant