Home

Oos Kesbeke: ‘Ik denk wel dat ik hier mijn hele leven elke dag zal zijn’

Het Amsterdamse familiebedrijf van Oos Kesbeke vaart wel bij het succes van realityserie De Augurkenkoning (seizoen vijf vanaf september). Hij maakt geen haast met de geplande overdracht van de fabriek aan zijn zoons. „Een pot zilveruien maken is geen kloot aan. Juist de gekkigheid vind ik mooi.”

Oos Kesbeke tijdens opnames voor De Augurkenkoning.

In de augurkenfabriek van Oos Kesbeke (68), op een industrieterreintje in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer, krioelt het van de medewerkers in rode bedrijfstruien en met blauwe haarnetjes op. In het naastgelegen kantoor, met een gigantisch zeeaquarium, bevindt zich ook de cameraploeg van RTL 4 – het vijfde seizoen van de veelbekeken realityserie De Augurkenkoning wordt opgenomen.

Kantoormedewerker Wendy kijkt bezorgd als ze hoort dat haar baas nu een interviewafspraak heeft. „Oeeeehhh.” Hij houdt eerst nog een praatje voor zijn medewerkers, die een gezondheidscheck mogen omdat hij ambassadeur is van de Hartstichting: „Ik zeg altijd dat jullie elke dag een vitaminepil moeten nemen”, er staat een grote pot naast de koffieautomaat, „en dit hoort er ook bij”.

CV

Oos Kesbeke (Amsterdam, 1958) nam in 1999 het familiebedrijf Kesbeke Fijne Tafelzuren over van zijn vader Camiel Kesbeke. Hij werkte er vanaf zijn kindertijd.

Zijn zoons Camiel en Silvian Kesbeke zijn directeur in opleiding en sinds 2024 allebei mede-eigenaar. Ze bezitten elk een kwart van het bedrijf. Silvian wordt op nog onbepaalde termijn verantwoordelijk voor „fabriek en logistiek”, Camiel voor „de rest”.

Oos Kesbeke is gescheiden van hun moeder, zijn tweede vrouw, en woont met zijn huidige partner Farenas Rodriguez in een appartement boven zijn bedrijf in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer.

Vanaf september wordt het vijfde seizoen van De Augurkenkoning uitgezonden door RTL4, tevens te zien op Videoland.

”Ik ben een zeiklul, met die vitaminepillen”, zegt hij als hij terugkomt van het praatje, „maar ik weet dat er jongens bij zijn die niet gezond eten.” Het interview zal veelvuldig onderbroken worden door telefoontjes (die hij opneemt) en binnenwandelend personeel.

Kesbeke Fijne Tafelzuren werd in 1948 opgericht door Charles Kesbeke, de grootvader van Oos. Nadat die een jaar gewerkt had in een Amsterdamse inleggerij, begon hij voor zichzelf in de kelder van zijn huis aan het Waterloopplein.

Wat herinner je je nog van je grootvader?

„Weinig. We zagen elkaar niet vaak en hij stierf toen ik een tiener was. Alles wat ik weet, heb ik van horen zeggen.”

Maar je werkte vanaf je twaalfde in de weekenden en vakanties in de fabriek, toen leefde hij toch nog?

„Ja, hij kwam af en toe langs. Wat ik me herinner, is dat ik houten kisten vol augurken op de prikmachine moest gooien.” Daarmee werden vroeger de augurken geperforeerd. „En als ik niet snel genoeg doorwerkte, gaf hij me een tik met de stok waarmee hij liep. Er werd niet over nagedacht dat het kantelen van kisten van twintig kilo zwaar werk is voor een kind. Ik droeg leren polsbanden omdat mijn polsen vreselijk pijn deden.”

Wat vond je ervan dat je moest meehelpen in de fabriek?

„Helemaal niet leuk natuurlijk. Als mijn vriendjes lekker vakantie vierden terwijl ik potten augurken en zilveruien in dozen moest zetten, had ik zwaar de klere in. Maar het moest gebeuren. We waren een klein bedrijf en alles wat je in het weekend kon doen, hoefde je op maandag niet door betaald personeel te laten doen. Mijn vader werkte zelf dag en nacht, zes, zeven dagen in de week.”

De relatie met je vader, Camiel Kesbeke, was niet zo goed.

„Ik wilde altijd vooruit, nieuwe dingen doen, ondernemen, terwijl hij terughoudender en conservatiever was. Dat kon flink botsen. Alles wat verkeerd ging, kreeg ik op mijn bordje. Ook als ik er niet eens was. En ik moest alle rotklusjes doen. Ik heb in mijn leven meer geveegd dan die mensen van de gemeentereiniging. Toch was ik ook trots op mijn vader. Hij heeft keihard geknokt om als kneuterbedrijfje overeind te blijven tussen de enorme conservenfabrieken die er destijds in Nederland waren.”

Je bent een tijdlang gebrouilleerd geweest met hem.

„Ja, in het begin van mijn twintiger jaren. Ik liep boos de deur uit. Toen had ik wel een probleem. Ik zat thuis en dacht: wat moet ik doen? Ik kon helemaal niks. Ja, een vrachtwagen rijden en augurken inmaken. Maar verder niks.”

In het jaar dat hij zijn vader niet zag, richtte hij verschillende bedrijfjes op, zo verhuurde hij hotelkamers aan toeristen. En samen met zijn vriendin Marcella van Altena runde hij twee dansscholen. „Intussen ging het hier, met de fabriek, niet zo goed. Mijn moeder zei: je vader heeft je nodig. Maar hij was te trots om te vragen of ik wilde terugkomen.” Uiteindelijk deed hij dat toch. „Niet rechtstreeks natuurlijk, maar met veel omwegen. Ik zei: goed, maar alleen als ik het leuk vind. Ik ben klaar met dat gezeik. Vanaf het moment dat ik hier weer rondliep, voelde ik me als een vis in het water.”

Was het inderdaad afgelopen met de problemen tussen jullie?

„Ja. Ik zat elke dag een paar uur bij hem om te praten en dingen te leren. Langzaam zijn we kameraden geworden. ’s Avonds, nadat ik had gewerkt in de dansschool van Marcella, ging ik altijd nog even bij hem langs. Mijn moeder lag dan allang in bed, maar hij bleef elke avond op me wachten. Stond-ie op de uitkijk.” Hij raakt geëmotioneerd. „Pfjoe.” Zijn telefoon gaat, voor het eerst neemt hij niet op.

Woonde je in die jaren nog in die caravan?

„Jij hebt je huiswerk gedaan. Maar nee, Marcella en ik woonden in die tijd in een gewoon huis in Halfweg, op een halve kilometer van mijn ouderlijk huis. Daarvoor hebben we inderdaad dertien jaar in een tweedehands stacaravan gewoond.”

Waarom eigenlijk?

„Omdat ik geen geld had voor een huis. Mijn toenmalige schoonmoeder had een stukje grond bij de dansschool in Zwanenburg en zei: waarom zet je daar geen caravan neer? Het was, denk ik, de mooiste tijd van mijn leven. Verliefd. En vanuit niks samen wat opbouwen.”

Marcella van Altena overleed op 36-jarige leeftijd aan de gevolgen van een inwendige melanoom. „Het ging aanvankelijk best goed, tot ze twee jaar later opeens pijn in d’r buik kreeg. De kanker bleek in haar lever te zitten. Daarna heeft ze nog een week of acht geleefd.”

Oos Kesbeke in het kantoortje van zijn augurkenfabriek.

Hoe was jij als partner in die laatste twee maanden?

„Het klinkt een beetje idioot, maar ik was gewoon aan het werk. Overdag in de fabriek, ’s avonds in de dansschool. Dat verwachtte ze ook van me. Op de avond dat ze stierf, werd er afgedanst. De hele hut zat vol ouders en ik moest het presenteren. Terwijl ik wist dat m’n meissie elk moment kon overlijden. Er stond een telefoon naast me op de bar, ik zou gebeld worden als het zover was. En elke keer dat die telefoon ging, kreeg ik de bloedzenuwen. Maar the show must go on. Dat deed je gewoon.”

En toen kwam het telefoontje.

„Ja, toen kwam dat telefoontje. En nu moet ik plassen.” Hij staat abrupt op en loopt weg.

Als hij terugkomt, zegt hij dat hij zich na haar overlijden voornam om zijn leven te veranderen: minder werken, meer genieten. „Dat heb ik hooguit drie maanden volgehouden. Maar ik heb er wel veel verdriet van gehad.” Huilen deed hij stiekem, als hij ’s avonds met de hond wandelde.

Dat huilen gaat je nu makkelijker af.

„Ja, als je ouder wordt, word je sentimenteel. En ik heb er nu ook schijt aan.”

Waarom destijds niet?

„Ik heb er geen verklaring voor, behalve dat het m’n opvoeding was. Mijn vader is vaak in de maling genomen door mensen voor wie hij goed was, en dat deed hem elke keer veel pijn. Ik denk dat hij me dat wilde besparen door me te leren dat ik hard moest zijn.”

Wie ooit een aflevering van De Augurkenkoning heeft gezien, weet: als Oos Kesbeke boos wordt, houdt hij zich niet in. Hij vertelt over het toenemend aantal regels om de certificaten voor voedselveiligheid te krijgen. „Daar word je krankzinnig van. Het stopt nóóit. Er was hier een tijdje geleden zo’n auditor, iemand die komt controleren of je aan alle regeltjes voldoet, en die vroeg of ik de vliegen op de kleefplaat had geteld. Geen grap. Ik zeg tegen die man: wat denkt u nou dat de jongens doen als ik tegen ze zeg dat ze de vliegen moeten tellen?” De laatste keer dat een inspecteur het moest bezuren, was toen de lak op de steel van de rubberen hamers te dun werd bevonden. „Ik ontplofte. Mijn kwaliteitsmanager stond in de deurpost wat kalmerende bewegingen te maken”, hij wappert ter illustratie met zijn handen, „want zo iemand kan je maken of breken. In het eindgesprek zei ik: meneer, u komt bij mij nooit meer binnen, want u begrijpt er niets van’.”

Ook tegen je eigen medewerkers kun je flink tekeer gaan.

„Gisteren nog, twee jongens stonden de vloer schoon te spuiten waar ze net augurken hadden gesneden. Midden op die vloer lag een pallet, en niet één van hen tilt die op. Nou, dan word ik link. Die cameramensen van RTL vinden dat natuurlijk heerlijk om te filmen, maar daardoor lijkt het alsof ik veel vaker boos word dan in werkelijkheid zo is.”

Als het niet regelmatig zou gebeuren, zouden ze het ook niet kunnen filmen.

„Dat is zo, maar ik denk ook vaak: hóé kán dit? Jongens die water spuiten op een stopcontact, op eléktra. Ik zeg tegen ze dat dat gevaarlijk is. Oh ja, zeggen ze dan, maar twee dagen later doen ze het wéér.”

Denk je niet dat je je soms grensoverschrijdend gedraagt?

„Nou, ik kan wel tekeer gaan, maar het is nooit persoonlijk.” Hij zoekt even naar woorden en zegt dan: „We moeten ophouden met dat geaai en dat woke-gedoe. Hier heerst de cultuur van een Amsterdams bedrijf waar we van ons hart geen moordkuil maken. Als je daar niet tegen kunt, moet je hier niet komen werken. En ik kan op iemand mopperen, maar zodra ik me omdraai is het klaar. Na vijf minuten drinken we gewoon een bak koffie samen.”

Er werken hier veel mensen die het wat lastiger hebben in het leven.

„Ja, ik vind dat er te veel vooroordelen zijn over mensen met een beperking of een rugzakje. Dat vind ik idioot, iederéén heeft een beperking.”

Wat is de jouwe?

Hij wijst om zich heen in de vergaderruimte, er is nauwelijks een leeg stukje vloer, tafel of muur te zien. „Ik heb verzamelwoede. Of neem Daan”, een van de medewerkers die een prominente rol speelt in de serie, „hij was een Amsterdamse straatjongen met een stempeltje die op het punt stond om de verkeerde kant op te gaan. Maar als je nou ziet wat die jongen bereikt heeft! Er werkt hier ook een jongen uit Afghanistan die zijn ouders verloren is bij een bombardement en zelf doof is geworden. Fantastische gozer. En ik heb er nog eentje die geestelijk een flinke achterstand heeft, je moet hem echt begeleiden, maar hij functioneert hier prima. Ja, af en toe is er weleens een beetje ergernis, hij zal niet zelf bedenken dat-ie vijf centimeter naar links of vijf centimeter naar rechts moet. Maar iedereen vergeeft het hem omdat het zo’n lieverd is.”

Wat levert het jou op?

Hij denkt even na. „Een goed gevoel.” Hij slaat op zijn borst. „Als je het echt zakelijk ziet, qua productiviteit, dan is het natuurlijk… Maar je hoeft toch niet altijd alles te doen met een reden? Je kunt soms toch iets doen vanuit je hart?”

Je betaalt soms de schulden van je medewerkers.

„Natuurlijk. Ook mijn personeel kan weleens financiële tegenslag hebben. Waarom zou ik ze dan niet helpen? Zíj moeten het doen hier en dus staan ze voor mij altijd op nummer één. Als er wat met ze is, help ik ze. Als ze een bril nodig hebben, of steunzolen, of als ze naar de pedicure moeten voor hun likdoorns.”

Er keken gemiddeld een miljoen mensen naar het vorige seizoen van De Augurkenkoning. Wat heeft die populariteit voor je bedrijf betekend?

„Natuurlijk wordt er in de supermarkten meer verkocht, vooral in het begin, maar de meeste omzetstijging komt doordat mensen gezien hebben dat we meer maken dan wat er in die supermarkten verkocht wordt. Al die producten, bijvoorbeeld de piccanaise [een combinatie van mayonaise en piccalilly], de sambal met augurk en de Amsterdamse uienketchup, zijn veel populairder en bekender geworden.”

Hoeveel is de omzet gestegen?

Hij aarzelt. „Vergeleken met tien jaar geleden draaien we nu het dubbele.”

En dat is?

Hij aarzelt weer. „Ik heb altijd moeite om dat te zeggen.”

Waarom?

„Omdat ik niet de indruk wil wekken dat wij zo’n groot bedrijf zijn. Er werken hier maar dertig mensen. Maar eh, nou, boven de twintig miljoen.” Hij lacht. „Toen ik het van mijn vader overnam, zaten we op één miljoen.”

Vanaf het eerste seizoen van De Augurkenkoning, in 2023, was het idee dat de kijker te zien zou krijgen hoe Oos Kesbeke zijn fabriek geleidelijk overdraagt aan zijn twee zoons. Maar algauw werd duidelijk dat hij geen enkele haast voelt bij die overdracht. Al zijn er inmiddels wel stappen gezet: Camiel (28) en Silvian (24) zijn nu elk voor een kwart eigenaar van het bedrijf.

Je bent hier nog elke dag aan het werk?

„Zeker, ik doe bijna elke avond het licht uit. Maar vanochtend was ik er pas om kwart over acht.”

Dat vind je laat?

„Dat is elitetijd, toch?” Grinnik. „Meestal ben ik er om zeven uur.”

Wanneer draag je de andere helft over?

„Geen idee. Ik denk er wel vaak over na. Hoe ik dat in een goed vaatje moet gieten.”

Of blijf je hier de rest van je leven rondlopen?

„Ik denk wel dat ik hier mijn hele leven elke dag zal zijn, ja, maar dan zoals mijn vader deed. Dan kom ik wat later en doe ik alleen nog de dingen die ik leuk vind. Nieuwe producten ontwikkelen, mopperen op de jongens als ze rotzooi maken.”

Over nieuwe producten gesproken: afgelopen voorjaar was je te zien in een aflevering van televisieprogramma Keuringsdienst van waarde, over kimchi.  

Direct: „Weet je wat ik daar niet goed aan vond?” In de aflevering wordt hij geconfronteerd met de gevolgen van het pasteuriseren van zijn kimchi: door het verhitten zijn alle melkzuurbacteriën dood, terwijl die essentieel zijn voor het Koreaanse, gefermenteerde groentegerecht. „Maar er zitten nog steeds veel goede spullen in bij ons, het lééft alleen niet meer, en dat is logisch, want als je iets houdbaar wilt maken, kan het niet blijven leven.”

De indruk die achterbleef is dat jullie een Koreaans gerecht mishandelen.

„Ja, maar ze hebben er niet bij gezegd dat wij óók hele bergen ongepasteuriseerde, verse kimchi maken. Die kun je bijvoorbeeld bij biologische winkels kopen. Dat vind ik een beetje lullig: alleen het negatieve laten zien. En de kimchi die wij pasteuriseren, wordt eerst óók gefermenteerd. Dat is voor ons de enige manier om in supermarkten verkocht te kunnen worden.”

Jullie hebben ook, onder meer, zure matten en chocoladeletters met augurksmaak gemaakt. Beginnen de augurken en zilveruitjes je te vervelen?

„Weet je, ik heb mijn hele leven geroepen dat je met een augurk veel meer kan dan mensen denken. Het zure vak in de supermarkt is het meest dooie vak in de winkel. Daar gebeurde nóóit wat, er werden potjes met augurken in gepleurd en dat was het. Nu verandert dat eindelijk.”

Meer dan twintig jaar geleden ging je al samenwerken met chef-kok Jonnie Boer van De Librije.

„Jonnie heeft me laten inzien dat je altijd nieuwe dingen kunt verzinnen. Het begon ermee dat hij een populaire piccalilly maakte en die graag houdbaar in een potje wilde hebben. Zo kwamen we met elkaar in gesprek en kwam ik in aanraking met kruiden en specerijen waar ik vroeger nooit aan dacht. Het is een heel gevecht geweest om iets te maken dat Jonnies goedkeuring kreeg.”

En jij reed steeds heen en weer naar Zwolle om het hem te laten proeven?

„Ja, ik ben er heel vaak geweest. Hij had veel overschotten in zijn eigen kas, waar hij van alles kweekte. Die gingen we inmaken, met verschillende receptjes. We dachten: zullen we een merkje gaan maken? Zo is Jonnie & Oos geboren. En dat ga ik niet wegdoen nu hij er niet meer is, al is het alleen al als eerbetoon. Net zoals ik ook de dansschool van Marcella nog heb. We blijven nieuwe dingetjes maken met De Librije. Een pot zilveruien maken is geen kloot aan. Juist die gekkigheid vind ik mooi.”

Ik kan me voorstellen dat Jonnie Boer en jij veel in elkaar herkenden. Jullie lijken een beetje op elkaar en hebben allebei twee kinderen die jullie opvolgen.

Hij hapert. „Jaa. Zeker. Het is een gemis. Mijn maat.” Voor de tweede keer neemt hij zijn telefoon, die nog altijd onafgebroken rinkelt, niet op. Hij wijst naar een van de vele foto’s op een kast, mannen in jachttenue. „Kijk, nou zie ik daar weer die kop van hem. En daarboven”, hij wijst, „staat-ie ook. We gingen regelmatig samen jagen.”

Dacht je nu ook, net als na het overlijden van je eerste vrouw, dat je minder zou gaan werken?

„Nah. Ik heb me áltijd schuldig gevoeld als ik hier de deur uitloop om iets leuks te gaan doen terwijl de jongens hard aan het werk zijn. Omdat ik er dan niet voor ze ben. Ik ga ook nooit lunchen, zonde van mijn tijd. En dat ik nou al zolang met jou zit te lullen… Neem je straks nog een zuurtje mee?” Hij loopt naar zijn zoetzuurwinkeltje aan de overkant van de straat en keert terug met een volle tas. „Zit ook een potje verse kimchi bij. Ongepasteuriseerd.”

Oos Kesbeke: „Ik doe hier bijna elke avond het licht uit.”

Amsterdam

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next