‘Verwacht niet dat mensen Deens met je gaan praten. Bereid je er ook op voor dat er mensen zullen zijn die nee zeggen tegen een gesprek. Ze zijn doodmoe van de aandacht van buitenlandse journalisten. Dat moet je gewoon als gegeven aanvaarden.” Voor mijn vertrek naar Groenland spreek ik uitvoerig met de Deense journalist Martin Breum (1959), die al jaren schrijft over het Noordpoolgebied en de verhouding tussen Denemarken en Groenland. „Maar zolang je oren actiever zijn dan je mond, kom je een heel eind.”
Ik ben niet als journalist op Groenland, maar als toerist. Daar zitten ze wél op te wachten, het is een belangrijke bron van inkomsten, al is het een uitdaging voor de relatief kleine bevolking (ca. 56.700) om de logistiek die daarbij komt kijken te bolwerken. Het aantal toeristen steeg explosief van 90.000 in 2022 tot 149.000 in 2025, nauwgezet bijgehouden door tourismstat.gl. Deze groei is mede te danken aan de opening van een nieuwe internationale luchthaven in de hoofdstad Nuuk en de toegenomen nieuwsgierigheid nu het grootste eiland ter wereld overal in het nieuws is. Ik doe allemaal toeristendingen, zoals mijn eten vangen op een vissersboot, een gletsjer bezoeken, op walvissafari gaan.
Natuurlijk ben ik nieuwsgierig of er iets te merken is van de annexatiedrift van Trump. In Nuuk springen twee borden op straat met de tekst ‘Greenland is not for sale’ in het oog, en dat geldt ook voor de Pride-vlaggen die naast de Groenlandse wapperen. Er worden petten verkocht met de Groenlandse vlag en de tekst ‘Already Great’ en ‘Make America Go Away’. In een cultuurhuis zie ik kunstwerken waarin de complexe relatie met zowel Denemarken als de Verenigde Staten verbeeld wordt. Er is een werk van de Groenlandse kunstenares Julie Edel Hardenberg over de relatie met de Denen: vijf kleine maskertjes met de Deense vlag en zwart haar. Ik interpreteer het zo dat Groenlanders leren hun ‘Deense’ masker op te zetten. En er zijn tekeningen waarop Trump is afgebeeld als varken; twee Groenlandse mannen zetten hem resoluut het land uit. Ze zitten niet op hem te wachten.
Wie het meesterlijke stuk „Inside the Ludicrous, Deadly Serious Plan to Take Over Greenland” van journalist Ben Taub in The New Yorker leest, begrijpt de argwaan jegens Amerikanen. Taub reconstrueert nauwgezet hoe een viertal Amerikanen probeerde te infiltreren in Groenland, onder hen een bankier, een zelfverklaarde privé-investeerder, en een man in cowboyhoed en zwarte leren jas met een ‘Bikers for Trump’-embleem, de motorclub die hij in 2015 oprichtte om als lijfwacht bij de campagnerally’s van Trump te fungeren. De vierde was de Groenlandse metselaar Jørgen Boassen, die met een MAGA-pet in Nuuk rondwandelde en in het geheim een lijst bijhield van Groenlanders die welwillend zouden staan tegenover de annexatie.
Van een Deens echtpaar met wie ik aan de praat raak, hoor ik wat er van hem geworden is: hij is min of meer op het vliegtuig naar Kopenhagen gezet. Groenlanders hadden geen zin meer om hem met zijn pet te zien rondlopen. Nu ik in Nuuk ben, dringt tot me door hoe klein deze stad is, je zou die man werkelijk overal tegen het lijf kunnen lopen.
Martin Breum vindt het belangrijk dat journalisten Groenland blijven volgen, zodat meer mensen zich bewust worden van het belang van het Noordpoolgebied voor Europa. Het grootste misverstand dat er bestaat over Groenland onder buitenlandse journalisten, vertelt hij, is dat ze denken dat het Groenlandse streven naar onafhankelijkheid betekent: jezelf compleet losmaken van Denemarken. Maar 55,3 procent van de begroting van de Groenlandse regering wordt gedekt door financiële steun uit Kopenhagen, en Denemarken investeert veel. In Groenland staat zelfbeschikking in eigen land voorop. „Als je het woord ‘separation’ gebruikt, klinkt dat als een vijandige houding ten opzichte van Denemarken. Journalisten denken aan losmaking en afscheiding, terwijl het politieke proces veel ingewikkelder is.”
Ik blijk, net als twintig jaar geleden toen ik voor het laatst op Groenland was, op veel plekken terecht te kunnen met mijn Deens, maar het is inderdaad minder vanzelfsprekend. De taalkwestie is complex geworden. Er wonen af en aan tussen de zesduizend en achtduizend Denen op Groenland, en Groenlanders leren zowel Groenlands als Deens op school. Er woedt een debat of die tweede taal beter het Engels zou kunnen zijn; Groenland ligt in Noord-Amerika en er is veel handel met de Verenigde Staten. Groenland trekt daarnaast mensen uit Thailand en de Filippijnen die in het (culinaire) toerisme en de visserij werken, die een beetje Groenlands leren, maar geen Deens spreken.
En dan wordt het 21 juni, de nationale feestdag, Ullortuneq. Het land kleurt rood en wit, de Groenlandse identiteit wordt met trots gevierd. Op het podium van het cultuurhuis in Nuuk spreekt Nivi Olsen, minister van Onderwijs, Cultuur, Sport en Kerk. „Niemand kan ons land van ons afpakken”, zegt ze in haar speech. Het feest begint. Trump lijkt voor even ver weg. De zon gaat die dag niet onder.