WK voetbal Uitbreiding van het WK zou tot „oninteressante wedstrijden” leiden, smaalden Europese critici. Het tegendeel was waar. Het mondiaalste WK ooit is nu al een succes.
Kaapverdische fans vieren hun eerste doelpunt in de groepswedstrijd tegen Uruguay (2-2)
Als een zwerm bijen op een pot honing vlogen tientallen journalisten vorig weekend op Vozinha af. Het was zondagavond in het Miami Stadium en klam en benauwd in de perstent die naast het stadion was gebouwd, waar alle spelers na de wedstrijd langs een rij journalisten moesten om naar hun bus te gaan. Een week eerder hadden weinigen nog van de veertigjarige keeper van Kaapverdië gehoord. Hij werd pas op z’n vijfentwintigste profvoetballer in Angola en keepte daarna onder meer in Moldavië, Slowakije en Portugal. Maar na een heldenrol tegen Spanje, waarin hij de WK-debutant knap op de been hield (0-0), en nu het gelijke spel tegen Uruguay (2-2) wilden media van over heel de wereld hem spreken.
Terwijl hij sprak over zijn moeder, die in eerste instantie geen visum voor de VS had kunnen betalen, over sociale media, waar hij ineens miljoenen nieuwe volgers had, en over zijn team, dat het zo verrassend goed deed, was op de achtergrond het gezang van Kaapverdische fans te horen. Ze zwaaiden met vlaggen, dansten, en vierden het tweede punt van het toernooi alsof ze gewonnen hadden.
De plotselinge populariteit van Vozinha was in zekere zin symbolisch voor de groepsfase van dit WK. Niet alleen omdat moderne voetballers vanuit obscuriteit ineens viral kunnen gaan, maar vooral door de opkomst van kleine voetballanden in dit toernooi, de weerstand die zij boden tegen grotere landen – en de ongelijkheid waarmee hun fans aan de Amerikaanse grens te maken hebben.
De uitbreiding van het toernooi van 32 naar 48 landen heeft dit het mondiaalste WK tot nu toe gemaakt. Landen die lang alleen maar konden dromen van een WK, zoals debutanten Oezbekistan, Jordanië, Curaçao en Kaapverdië, staan er. En landen voor wie hun eerdere WK-deelname vooral een verre herinnering was, zoals DR Congo en Haïti (allebei deden ze in 1974 voor het laatst mee), leven opnieuw op.
Het zou „oninteressante wedstrijden” opleveren, sneerde de UEFA-voorzitter Alexander Ceferin kort na de start van het toernooi. Maar het tegendeel bleek waar. De uitbreiding van het toernooi is een succes. Het maakt van dit WK een werkelijk mondiaal toernooi, dat schuivende verhoudingen in voetbal en geopolitiek weerspiegelt: de opkomst van het mondiale zuiden, de afnemende maar nog steeds dominante positie van het westen en de bestaande maar krimpende ongelijkheid tussen die twee.
Wereldkampioenschappen waren lang een aangelegenheid voor westerse voetballanden en overwegend witte Zuid-Amerikaanse teams. De eerste zwarte voetbalster, de Uruguayaan José Leandro Andrade, doorbrak de raciale barrière op de Olympische Spelen van 1924 en het eerste WK zes jaar later, maar kreeg altijd met racisme te maken: hij werd bekogeld tijdens wedstrijden en werd in westerse kranten op dierlijke, primitieve wijze omschreven.
Voor Jules Rimet, de voetbalpionier die het initiatief nam voor het eerste WK, bestonden niet-witte landen eigenlijk niet, schrijft journalist Simon Kuper van Financial Times. „Niet-witte volkeren waren slechts koloniale onderdanen die niet meetelden.” Op het eerste WK in 1930 had zelfs de Verenigde Staten, een marginaal voetballand maar een politieke en economische grootmacht, een plek.
Die vroege wereldkampioenschappen weerspiegelden een wereld die door koloniale, westerse grootmachten werd gedomineerd. Egypte was in 1934 de eerste Afrikaanse deelnemer, maar het duurde tot 1970 voordat er een tweede was. In 1966 weigerden Afrikaanse landen een play-off te spelen, omdat hun verzoek voor één vaste plek door de FIFA was geweigerd; het beste land van het continent moest tegen het beste Aziatische team strijden om een ticket.
Die westerse dominantie werd doorbroken in 1974, toen de Belgische Braziliaan Joao Havelange werd verkozen tot FIFA-voorzitter. Hij had campagne gevoerd met de belofte het WK uit te breiden voor Aziatische en Afrikaanse landen, en om Zuid-Afrika ten tijde van apartheid uit te sluiten van het toernooi. Wat ook hielp: de tonnen aan smeergeld die hij bestuurders van voetbalbonden betaalde om voor hem te stemmen. Hij introduceerde daarom een systeem van patronage, waarbij FIFA-gelden worden gebruikt om politieke steun te verwerven van voetbalbonden, dat door zijn opvolgers Sepp Blatter en de huidige FIFA-voorzitter Gianni Infantino is voortgezet.
Het nationale elftal van Uruguay, met links achteraan José Leandro Andrade, in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw de eerste zwarte voetbalster. Datum en plaats van de foto zijn onbekend.
Tegelijkertijd werd het voetbal onder Havelanges leiderschap mondialer en postkolonialer. Meer Afrikaanse landen konden lid worden van de FIFA en het continent kreeg eerst één, toen twee en uiteindelijk, in 1994, drie plekken op het WK. Europa en Zuid-Amerika hadden alle wereldkampioenschappen tussen 1930 en 1990 georganiseerd, maar daarna kreeg de rest van de wereld een kans: de VS (toen nog steeds een marginaal voetballand) in 1994, Japan en Zuid-Korea in 2002, Zuid-Afrika in 2010, Brazilië in 2014, Qatar in 2022.
De uitbreiding van het toernooi, eerst naar 24 landen in 1982, toen naar 32 in 1998 en dit jaar naar 48, heeft het wereldkampioenschap toegankelijker gemaakt. Nog steeds heeft Europa met zestien landen de meeste deelnemers. Maar de grootste groei zit in Azië (acht, drie meer dan in 2022) en Afrika (negen, vier meer). Dit jaar konden teams als Congo, Curaçao en Oezbekistan zich daardoor kwalificeren, maar landen als Bolivia, Nieuw-Caledonië en Suriname weten dat zij er de volgende keer kunnen staan.
De prestaties van de kleine landen dit toernooi weerleggen het eurocentristische argument van UEFA-voorzitter Ceferin. Zeker: Engeland – Kroatië in Dallas, een duel tussen twee grootmachten, was een geweldig voetbalgevecht. Maar de 2-2 tussen Nieuw-Zeeland en Iran was misschien nog wel spannender om te kijken. Zoals ook Kaapverdië tegen Uruguay (2-2), Curaçao tegen Ecuador (0-0), DR Congo – Oezbekistan (3-1) en DR Congo tegen Portugal (1-1) enerverend waren.
De kleintjes zijn bovendien zelden weggespeeld; de 7-1 waarmee Curaçao van Duitsland verloor deed het spelbeeld geen recht. En hoewel Haïti puntloos het toernooi verlaat, leverde het dapper weerstand tegen Marokko, in 2022 nog halve finalist. Een eerste deelname kan bovendien begin zijn van een flinke ontwikkeling omhoog. Zo was Marokko in 1994 kansloos in de groepsfase en werd het vier jaar later nipt uitgeschakeld in dezelfde ronde; in 2022 was het, mede dankzij de instroom van Europees diasporatalent, halve finalist. Japan scoorde in 1998 als WK-debutant slechts één doelpunt en verloor alle drie de groepswedstrijden; dit jaar is de verwachting dat ze ver kunnen komen in het toernooi.
Dit laat zien dat het landenvoetbal steeds gelijkwaardiger wordt. Die groeiende gelijkheid is de andere kant van de medaille van een steeds ongelijker wordend clubvoetbal, schetste de Servische econoom Branko Milanovic al in 2006. Voetballers kunnen, mede dankzij flexibilisering van de mondiale arbeidsmarkt, gemakkelijker naar betere clubs in betere competities verhuizen. Topteams zijn melting pots van culturen: het Engelse Manchester City levert dit WK negentien spelers aan twaalf verschillende landen af, waaronder Oezbekistan en Algerije.
Die voetbaleconomie verarmt weliswaar de ene competitie, schreef Milanovic, maar de leg drain wordt gecompenseerd doordat het nationale team er een betere speler voor terugkrijgt. Een wedstrijd tussen Duitsland en Curaçao is daarom meer een soort Borussia Dortmund tegen Fortuna Sittard, twitterde de Britse voetbaljournalist Rory Smith vorige week. Alsnog ongelijk, maar geen kelderklasseteam tegen PSG.
De Braziliaanse voetbalbestuurder Joao Havelange (derde van links, bruin pak) groet de spelers van zijn nationale elftal op het WK van 1966. Als FIFA-voorzitter (1976-1998) zou Havelange zorgen dat het voetbal mondialer en postkolonialer werd.
Ook de FIFA heeft die gelijkwaardigheid tussen landen aangejaagd. De afgelopen tien jaar investeerde de bond in totaal zo’n 4,5 miljard euro in de ontwikkeling van de sport. Alle 211 lidstaten krijgen vierjaarlijks acht miljoen euro; veel armere bonden gebruiken dat om faciliteiten te verbeteren, trainers op te leiden en de nationale teams te ondersteunen, bijvoorbeeld in reiskosten naar interlands. WK-deelnemers als Kaapverdië en Haïti waren vroege profiteurs van dat geld, bijvoorbeeld door kunstgrasvelden aan te leggen.
Teams uit het mondiale zuiden profiteren bovendien van de diasporagemeenschappen die na eeuwen van kolonialisme, arbeidsmigratie en vlucht voor oorlog zijn ontstaan. Nooit eerder speelden zoveel voetballers voor een ander land dan waar ze zijn geboren, liet NRC eerder al zien. Dat vergroot de vijver waaruit nationale teams talenten kunnen vissen. Die ‘buitenlandse’ spelers trekken vervolgens ook het niveau van het nationale team omhoog.
Zulke landen zijn op WK’s daarom zelden nog heel zwak. In 1974 was Zaïre, het huidige DR Congo, nog het eerste Sub-Sahara land dat deelnam aan het WK. Het team werd drie keer volledig weggespeeld (waaronder een 9-0 nederlaag tegen Joegoslavië) en verliet het toernooi met veertien doelpunten tegen en geen enkele voor. Dit jaar, in een team dat sterk leunt op de diaspora, hield het Portugal knap op 1-1 en verloor het nipt van Colombia (1-0). Tegen Oezbekistan stond het lang achter, maar kreeg het uiteindelijk wat het verdiende: een 3-1 overwinning en daarmee plaatsing voor de volgende ronde.
De eindfase van het toernooi zal dit jaar vast alsnog door Europese en Zuid-Amerikaanse teams gedomineerd worden. Maar de onderliggende trend, van groepsfases die gelijkwaardiger én mondialer worden, is niet te keren. Kaapverdië, Egypte, DR Congo, Ivoorkust en Zuid-Afrika plaatsten zich bovendien voor het eerst voor de knock-outfase van het toernooi – alleen Congo als gelukkige derde, de anderen als tweede in de groep. Ook Ghana en Senegal zijn door. Nooit eerder waren Afrikaanse landen zo sterk op een WK.
Terwijl de wereldorde ‘post-westers’ wordt, zoals de Duits-Braziliaanse politicoloog Oliver Stuenkel in een gelijknamig boek schreef, drijft zo ook het zwaartepunt van het landenvoetbal langzaam uit het westen weg. Het geopolitieke belang van westerse landen neemt af, ten gunste van het mondiale zuiden.
Maar hoe mondiaal dit toernooi ook is, er is in de Verenigde Staten ook een schaduwzijde zichtbaar bij de fans van niet-westerse teams. Waar de supporters van westerse landen probleemloos op toeristenvisa het land binnenkomen, treffen zij moeilijk doordringbare grenzen. Visa zijn duur (Kaapverdiërs betalen zo’n vijftienduizend dollar borg voor een aanvraag), of überhaupt niet te verkrijgen: fans uit Iran, Ivoorkust en Haïti komen simpelweg de VS niet in. Die landen worden in de stadions dan ook vooral gesteund door migranten uit de grote diasporagemeenschappen in de drie organiserende landen.
Ook de iconische Congolese fan Michel Nkuka Mboladinga, die elke wedstrijd als de antikoloniale verzetsstrijder Patrice Lumumba op de tribunes staat, ontbrak in de laatste wedstrijd van Congo, in Atlanta: voor Mexico had hij een visum gekregen, maar de VS weigerden zijn visumaanvraag. Het ene paspoort is meer waard dan het andere.
De feestvierende Senegalezen in New York, Ghanezen in Toronto en Haïtianen in Miami toonden niettemin dat wereldkampioenschappen allang geen louter westerse aangelegenheid meer zijn – en dat de culturele pluriformiteit van de organiserende landen door politici aangevallen kan worden, maar moeilijk te kenteren is. We laten, zei de Haïtiaanse Farah Larrieux in Miami, „de wereld zien: wij kunnen óók iets”.
De spelers van DR Congo vieren de gelijkmaker tegen Portugal in de eerste groepswedstrijd in Houston. Het land deed voor het laatst mee aan een WK in 1974.