Na de oorlog vond hij dat hij geen recht meer had van bestaan, zei hij tegen zijn dochter Katinka. In haar memoires Mijn vader, een verrader? zoekt ze uit hoe het werkelijk zat.
is recensent voor de Volkskrant.
Milieujurist Katinka Jesse (1967) kan de foto naar eigen zeggen nog steeds niet aanzien. Hij dateert van vlak na de bevrijding. Daar staat haar vader, vastgebonden aan een paal op een jeep, de handen geboeid, angstige blik, met om zijn nek twee borden.
Op het ene staat zijn verzetsnaam Vos, op het andere de mededeling dat het hier ‘de verrader van Weert’ betreft. Om hem heen militairen en dorpelingen die grijnzend in de camera kijken.
Als ze de foto in 1984 voor het eerst onder ogen krijgt, kent ze het verhaal allang. Op een dag, ze was nog maar 9 jaar, riep haar vader Bob – Amsterdammer met een Joodse moeder en een niet-Joodse vader – haar en haar twee jaar oudere zusje bij zich. In de oorlog, vertelt hij zijn dochters, zat hij in het verzet. Maar in 1944 gaat het mis. Hij wordt gepakt met een vals persoonsbewijs, verhoord en gemarteld. Zijn ondervragers weten hem plaats en tijdstip te ontfutselen van een vergadering in Weert. Ettelijke verzetslieden die aldus in de val lopen zullen het einde van de oorlog niet halen.
Bij wijze van vergelding wil het verzet hem liquideren; hij laat zijn dochtertjes het litteken van de schotwond zien. Ik had me, vertelt hij erbij, meteen nadat ik was doorgeslagen het leven moeten benemen. ‘Of laten benemen.’
Waarna hij de meisjes laat beloven om er met niemand buiten het gezin over te praten.
Aan die zwijgbelofte zal Jesse zich grotendeels houden, zelfs na haar vaders overlijden in 1982. Tot ze vele jaren later volkomen vastloopt, mentaal en fysiek. Haar vader vond dat hij geen recht meer had om te bestaan, heeft zij het wel? ‘Als hij er niet had moeten zijn, had ik er ook niet mogen zijn.’
Ze besluit haar baan op te geven en de archieven in te gaan. Alleen als ze uitzoekt hoe het werkelijk zat, beseft ze, zal ze met ‘de zwaarte’ die haar bedrukt in het reine kunnen komen. De memoires Mijn vader, een verrader? is de weerslag van die zoektocht.
Ze ontdekt hoe hard haar vader werkte, hoe geliefd en moedig hij was, hoeveel mensenlevens hij redde door het ritselen van bonkaarten, persoonsbewijzen en onderduikadressen. Maar ze ontdekt ook dat hij in 1944 totaal overspannen raakt. Zelf wil hij stoppen, maar zijn verzetsvrienden halen hem over om door te gaan. Twee weken later volgt de fatale aanhouding.
Na de bevrijding belandt hij in een kamp tussen NSB’ers en ander tuig. Uiteindelijk oordeelt het Gerechtshof dat hij weliswaar verraad heeft gepleegd, maar dat hij ‘over zijn vrije wil niet die beschikking had die verondersteld moet worden, wil men hem zijn daad kunnen aanrekenen’. Hij wordt ontslagen van rechtsvervolging. De Bijzondere Raad van Cassatie komt tot dezelfde uitspraak. Ook een verzetsvriendin als Selma van de Perre – die door hem in Vught en Ravensbrück belandde – veroordeelt hem niet. ‘Niemand weet hoe die zich in zo’n extreme situatie zal gedragen.’
Zo is het natuurlijk, en niet anders. Maar voor Bob zelf blijven de levens die verloren zijn gegaan vele malen zwaarder wegen dan de levens die zijn gered. Ondanks een nieuwe liefde, ondanks zijn gezin.
Of, zoals zijn voormalige huisarts in een condoleancebrief aan de weduwe schrijft: ‘Het leek alsof hij van mening was dat hij geen recht had op geluk.’ Hartverscheurend.
Katinka Jesse: Mijn vader, een verrader? Hoe een verzetsman de regie over zijn leven verloor. Hollands Diep; 155 pagina’s; € 23,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant