Waar eerdere romans van Booker Prize-winnaar Stuart (Shuggie Bain, Mungo) oprecht en urgent aanvoelden, lijkt die emotionele kern hier te ontbreken.
‘Daar is hij dan’, zegt John Macleod wanneer hij zijn zoon, John-Calum oftewel ‘Cal’, na enkele jaren weer ziet.
Deze Cal is klaar met zijn studie in Edinburgh en keert na een ernstig telefoontje van zijn vader over zijn oma – haar voeten zouden paars opgezwollen zijn – terug naar huis. En, toegegeven, hij kon geen baan vinden. Het is ergens halverwege de jaren negentig, Kurt Cobain wordt vereerd, Blair is nog niet verkozen.
‘De hoop van zijn voorouders’, noemt John Cal.
‘Wat een last’, reageert Cal. De xtc die hij op de boot heeft genomen giert nog door zijn lichaam.
Daarmee staat de centrale thematiek van de roman John, zoon van John fier overeind: het belang van familie, de aantrekkingskracht die eerdere generaties op de levenden uitoefenen. Johns overleden vader, de opa van John-Calum, heette Calum.
Na Shuggie Bain, zijn door veel uitgevers afgewezen debuutroman waarmee hij uiteindelijk de Booker Prize won, en Mungo is de Schotse auteur Douglas Stuart (1976) met John, zoon van John neergestreken op de Hebriden. Zijn geboortedorp, Harris, is klein, streng presbyteriaans en afgelegen, in alles de tegenhanger van Edinburgh. Of Londen, de stad waar hij naartoe had willen verhuizen.
In plaats daarvan is hij terug op de pachtboerderij van zijn vader. Googel ‘Harris’ en je ziet een idyllisch, echt Schots eiland. Meer een plek waar je vandaan komt dan waar je naartoe wilt. In John, zoon van John regent het er constant.
John, zoon van John is een klassieke roman: een traditioneel verteld verhaal, lineair, van a tot z, waarin al snel duidelijk wordt dat de belangrijkste personages allemaal hun eigen geheim bij zich dragen.
Cal is homoseksueel, te flamboyant voor de strenge ideeën over mannelijkheid die op het eiland heersen. Zijn vader is bevriend met een man genaamd Innes; al snel blijken zij geliefden te zijn. Niemand weet dat, behalve grootmoeder Ella.
Ook Ella, de moeder van Cals moeder, heeft haar geheimen. Nadat John van haar dochter is gescheiden, is zij op diens boerderij blijven wonen. Ze komt uit Glasgow, heeft nooit Gaelisch leren spreken en geldt daarom als buitenstaander. Ze weet dat ze die status met haar zoon deelt en vermoedt het een en ander over haar kleinzoon. Maar als ze vraagt of hij op mannen valt, ontkent hij.
Die veranderingen komen eerst langzaam, dan steeds sneller, tot ze niet meer tegen te houden zijn. In de laatste akte sterft er iemand en wordt er een mens geboren. Geheimen komen aan het licht, de sociale verhoudingen veranderen. Je hoopt dat mensen liefdevoller naar elkaar worden – tevergeefs, wellicht.
Dit alles wordt overgoten met Stuarts bezielende en bezielde taal. Zoals hier, wanneer Cal over de heuvels van het eiland zwerft: ‘Hij keerde terug naar de weg en liep naar het verlaten busje. Het stond een meter of vijftien lager weg te roesten op de kust. In de baai lagen drie kleine eilandjes die bij eb als prehistorische beesten oprezen uit het water, overdekt met zeewier, ruig behaard als slapende mammoeten. Vroeger had Cal de kinderen van Macdonald daar vaak zien spelen. Ze zwommen naar de eilandjes, zaten de zeehonden achterna en namen de mammoeten in bezit, ronddansend in hun uitgelubberde ondergoed.’
Dat busje zal nog terugkeren in de roman; de krappe financiële situatie op het eiland speelt iedereen parten. Dat is zo en dat was zo, van de prehistorie tot het heden.
De manier waarop Stuart de verhouding tussen John en Innes in kaart brengt, ontroert. Langzame scènes waarin de stugge laatveertigers met zichzelf en hun emoties worstelen en daarmee de ander pijn doen. Vooral John weet niet hoe hij een leven met een andere man zou moeten vormgeven: ‘Moeten we soms gaan samenwonen? Sta je er weleens bij stil wat je van me vraagt?’ John is voorzanger in de lokale kerk; met Innes leven zou hem afsnijden van de gemeente.
Daarop roept Innes uit: ‘De kerk is dood! Dat zou jij als geen ander moeten weten.’
Maar tegen de natuur ingaan, twee mannen die samenwonen, dat zou de kerk ‘de nekslag’ geven. Dat wil John niet op zijn geweten hebben. In deze scènes komt zijn eenzaamheid ontzettend sterk naar voren. Doe het gewoon, wil je roepen, angst is een slechte raadgever.
En toch schuurt er iets in deze roman.
John, zoon van John is goed opgezet, maar voelt daardoor ook enigszins als een invuloefening. Stuarts eerdere romans werden voortgedreven door een emotionele kern, een oprechtheid en een ervaring die de verhalen vaart en urgentie gaven. Die ontbreken in dit boek.
Alle elementen in deze roman – het eiland, religie, homoseksualiteit en homofobie – lijken geleend te zijn uit andere verhalen en door Stuart hier op knappe wijze in elkaar te zijn gezet. Ze zijn niet persoonlijk.
Ik denk dat het ook hierdoor is dat John, zoon van John wat langdradig lijkt. Alles wordt netjes uitgelegd en soms zelfs uitgesponnen, de variaties op het thema uitgespeeld.
En wanneer Stuart de verschillende verhaallijnen bij elkaar begint te brengen en naar de vele onthullingen en ontknopingen toewerkt, schiet de zorgvuldige taal over in melodrama en krijgt het boek iets schmierderigs.
‘Zorg dat je gelukkig wordt, jongen. Laat er in godsvredesnaam ten minste een van ons gelukkig worden’, bijt Ella Cal toe nadat hij een fikse ruzie met zijn vader heeft gehad.
Ook lijken de plotwendingen vaak op te gemakkelijke en te handige momenten in het verhaal te komen. Daarmee haalt John, zoon van John het niveau en de begeestering van Shuggie Bain niet. Maar Schotland, de Hebriden: die blijven betoveren.
Douglas Stuart: John, zoon van John. Uit het Engels vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen. Wereldbibliotheek; 399 pagina’s; € 25,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant