Home

Hoe belangrijk was de Nederlandse republiek voor het ontstaan van de Noord-Amerikaanse evenknie?

Voor de founding fathers van de Verenigde Staten was de Nederlandse republiek ongetwijfeld een lichtend voorbeeld. Historicus Geerten Waling weet echter niet zeker of het Plakkaat van Verlatinghe bij hen op het nachtkastje lag.

schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.

Amerika, dat zijn wij. Zo luidt de parmantige titel van het boek waarmee historicus Geerten Waling (1986) een Nederlandse bijdrage levert aan de herdenking van 250 jaar Amerikaanse onafhankelijkheid.

Die titel suggereert een zekere ongevoeligheid voor de wanen van de dag. Enkele tientallen jaren geleden zou het Nederlandse lezerspubliek vermoedelijk de verwantschap met de Verenigde Staten, al dan niet van harte, hebben onderschreven. Maar in het tweede jaar van het tweede presidentschap van Trump zal het daarvan niets meer willen weten.

Geschreven vanuit de elite

Voor een historicus doen de grillen van de zoveelste hoofdbewoner van het Witte Huis niets af aan de Nederlandse invloeden waaraan de founding fathers van de VS blootstonden. Waling maakt dan ook weinig woorden vuil aan Trump, wat best verfrissend is. Ook in een ander opzicht veroorlooft Waling zich een zekere eigenzinnigheid, in overeenstemming met zijn conduitestaat als conservatieve opiniemaker: zijn boek is, verklaart hij zelf, geschreven vanuit het perspectief van de elite van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en die van de dertien Amerikaanse koloniën die vanaf 1776 de Verenigde Staten zouden vormden. Oftewel: ‘Blanke mannen met macht, vermogen en aanzien.’

De slavernij krijgt weliswaar enige aandacht; niet als een westers verschijnsel, maar als een van de ‘constanten in de wereldgeschiedenis’. Niettemin achtte Thomas Paine, een belangrijke wegbereider van de Amerikaanse revolutie, ‘deze barbaarse praktijk’ onverenigbaar met de ‘vanzelfsprekende’ principes die in de geboorteakte van de Verenigde Staten zouden worden vastgelegd.

In het boek van Waling is dit een van de talrijke terzijdes: het gaat hem vooral om de vraag in welke mate de founding fathers van de Noord-Amerikaanse republiek zich hebben laten inspireren door de Nederlandse republiek en hoe duurzaam die invloed is geweest.

Waling pretendeert met deze vraagstelling een terrein te betreden dat in de historiografie van de jonge Verenigde Staten goeddeels buiten beschouwing is gebleven. Daarmee miskent hij dat meerdere historici aan beide zijden van de Atlantische Oceaan ruimhartig aandacht hebben besteed aan dit thema: Jan Willem Schulte Nordholt, Barbara Tuchman, Friedrich Edler, Douglas Campbell en Russell Shorto (die door Waling overigens wel uitgebreid wordt geciteerd).

Deze vakgenoten hebben al laten zien dat beide republieken het zelfbeeld van ‘nieuw Jeruzalem’ of ‘stad op de heuvel’ koesterden. Dat de onafhankelijkheidsstrijd voor beide een sterke protestants-christelijke component had. Dat beide het recht meenden te hebben om in opstand te komen tegen hun vorst – Filips II in het geval van de Nederlandse republiek en de Engelse koning George III in het geval van de Verenigde Staten – omdat die zich als ‘tiran’ zou hebben ontpopt.

Nationale revolutie

In beide gevallen had de nationale revolutie een conservatief karakter: aanvankelijk was niet onafhankelijkheid de inzet, maar een terugkeer naar de (veronderstelde) situatie waarin de vorst en de onderdanen elkaars rechten en plichten respecteerden.

Aan deze wordingsgeschiedenis van twee (per saldo) succesvolle republieken voegt Waling welbeschouwd niet zoveel toe – afgezien van een onmiskenbare schrijfvreugde. En op de vraag welke geboortepapieren van de Nederlandse republiek (de Unie van Utrecht, het Plakkaat van Verlatinghe of de Apologie van Willem van Oranje) met name indruk hebben gemaakt op de founding fathers, geeft Waling tastend en weifelend antwoord: hij volstaat met de enigszins gratuite veronderstelling dat zij er kennis van hadden kunnen nemen, maar dat er ‘geen hard bewijs is’ voor het vermoeden dat Thomas Jefferson ‘het Plakkaat als spiekbriefje zou hebben gebruikt’.

Het meest aansprekend in Walings boek zijn eigenlijk nog de passages over de verschillen tussen de twee republieken, met name in de wijze waarop zij hun eigen voortreffelijkheid toonden. De Amerikanen gingen met Bijbelse connotaties (Jefferson als Mozes), de pelgrimsmythe en hun identificatie met de ‘stralende stad op de heuvel’ steevast in de overdrive.

Pizzadoos

In Nederland daarentegen was het Plakkaat van Verlatinghe – het document dat de breuk met Filips II bezegelde – tot voor kort opgeborgen in ‘een pizzadoos’ in het Nationaal Archief. Zijn welbespraakte auteur, Jan van Asseliers, is slechts een figurant in de vaderlandse geschiedenis. Een Nederlandse versie van The Fourth of July kennen we niet. En de vraag is welke datum daarvoor het meest in aanmerking zou komen: de verjaardag van het Plakkaat van Verlatinghe (26 juli 1581) of 24 april, de geboortedag (in 1533) van Willem van Oranje?

Zelfs de tolerantie waarop Nederland zich ooit liet voorstaan heeft haar glans verloren. Ze impliceert, aldus historicus Ernst Kossmann, dat er een groep is die tolereert, en een groep die wordt getolereerd, en dat vloekt met het niet-discriminatiebeginsel van de Grondwet. Deze deemoed is helaas wezensvreemd gebleven aan de Verenigde Staten.

Geerten Waling: Amerika, dat zijn wij – De Nederlandse invloeden op de founding fathers van de Verenigde Staten. Prometheus; 255 pagina’s; € 22,99 euro.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next