Wat betekent het om schoon te zijn? En wie bepaalt wat vies is? Met zijn open en onderzoekende blik zoekt Vulkers in Alles lekt naar antwoorden.
Bij ons thuis was het vroeger niet verplicht om je handen te wassen voor het eten. Ik vond het vreemd als ik bij mijn basisschoolvriendjes ging eten en hun ouders ons eerst naar de keukenkraan dirigeerden.
Dat mensen het belangrijk vonden om schoon te zijn, om geregeld in bad of onder de douche te gaan, had ik wel meegekregen op die leeftijd. Maar als er geen modder op mijn handen zat, waarom moest ik die dan wassen? En waarom noemde mijn klasgenoot me ‘vies’ toen ik met ongewassen handen het toilet op school verliet?
Een soortgelijke verwondering staat aan de basis van Alles lekt, het eerste boek van essayist Luuk Vulkers (1994), die eerder bekroond werd met de Joost Zwagerman Essayprijs (2023) en de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek (2020). Wat betekent het om schoon te zijn? En wie bepaalt wat vies is? Welke historische processen en ideologische mechanismen liggen daaraan ten grondslag?
Startpunt is Vulkers’ eigen mysofobie, in de volksmond ‘smetvrees’ genoemd. Hij is zo iemand die zijn handen wel wast, grondig ook: ‘tot eczeem zich over de palmen verspreidde, waar [hij] dan weer in paniek naar staarde, verstijfd, bang dat zelfs een beweging door de lucht rampen kon ontketenen.’
In een indrukwekkende mengeling van autofictionele essayistiek, cultuuranalyse en grondig historisch speurwerk onderzoekt hij hoe we als mens ‘controle [willen] houden over de manier waarop [ons] lichaam met de wereld in contact treedt’.
Vulkers neemt je mee op reis naar New York, waar hij studeert, naar Dresden, waar hij het Deutsches Hygiene-Museum bezoekt, naar de schoonmakers uit Spakenburg, naar het fictieve stadje Leonia uit Italo Calvino’s roman De onzichtbare steden (1972). Moeiteloos springt hij heen en weer tussen persoonlijke reflecties op zijn eigen ziektebeeld, de politieke implicaties van historische opvattingen over reinheid (ik noem: de ‘rassenhygiëne’ van de nationaalsocialisten) en analyses van romans, kunstwerken, tv-series en internetcultuur. Dat resulteert in een bijzonder hoge ideeëndichtheid. Prikkelend vaak, veelzijdig en verrassend ook, al is het soms wel heel veel om te verwerken.
Conceptueel vertrekt Vulkers vanuit één fundamentele aanname: alles lekt. Er is niet zoiets als een binnen en een buiten, er zijn geen helder afgebakende grenzen tussen jou en de wereld: ‘De wereld bestaat niet uit heldere, losse entiteiten. [...] Grenzen verslijten, verdampen, verkleven, vermengen, absorberen, smelten, zuigen in zich op.’
Ook al willen we nog zo graag onze tuinen omheinen, het onkruid van de buurman vindt zijn weg naar jouw perkje wel. In de trein neem je plaats op een oppervlakte die krioelt van de bacteriën van je voorganger. Dat besef kan leiden tot wat psychiater Menno Oosterhoff een ‘gekmakende onrust’ noemt, en die onrust uit zich vaak op paradoxale wijze, bijvoorbeeld: wél obsessief je handen wassen maar tegelijkertijd kettingroken.
De onrust is daarnaast ook arbitrair, een beetje op dezelfde manier als mensen zich zorgen kunnen maken over geopolitiek: wel van slag zijn door Gaza maar nauwelijks bezig zijn met de burgeroorlog in Soedan.
Die smetvrees, en het obsessief-compulsieve dat er vaak mee gepaard gaat, duidt op dieperliggende kwesties die Vulkers soms met een filosofische virtuositeit blootlegt. Hij is op zijn sterkst als hij direct in dialoog treedt met beeldbepalende denkers zoals Susan Sontag, met wier Ziekte als metafoor (1978) hij het soms ‘fundamenteel [...] oneens’ is. Anders dan Sontag ziet Vulkers er wel de voordelen van om zin te geven aan ziektes, weliswaar ‘zonder verklarend of moralistisch’ te worden.
In een vergelijking tussen zijn mysofobie en zijn homoseksualiteit laat hij overtuigend zien hoe zo’n soort betekenisgeving er kan uitzien. Jarenlang was homofobie in zijn ogen ‘in essentie niet [zijn] probleem’, het was iets dat de wereld moest oplossen – en het was dus zaak om die wereld op afstand te houden.
Het is een diep inzicht dat symbool staat voor veel hedendaagse maatschappelijke discussies: het is niet zozeer dat er van alles mis is met de wereld buiten jou, het is vooral de angst om zelf vies, ziek, abject, of onrein te zijn.
Vulkers’ stijl is ergens te situeren tussen het uitweidende, intellectualistische van Jan Postma en de persoonlijke maar scherpe verteltrant van Marja Pruis. Hij begint zijn analyses vaak met zinsneden als ‘de laatste tijd denk ik veel na over’ of ‘het komt op me over dat’, soms zelf informeler met een ‘kom op, Luuk, zeg ik tegen mezelf’.
Dat heeft iets sympathieks; hij suggereert niet de waarheid in pacht te hebben, maar situeert zijn overpeinzingen in de particulariteit van zijn eigen ziektegeschiedenis. Tegelijkertijd verlang je als lezer soms naar zoiets als (voorlopige) conclusies die het laveren en het meanderen even onderbreken. Even de balans op maken, zeg maar.
Want het is precies die grondigheid die Alles lekt onderscheidt van andere essayistiek. Vulkers heeft veel gelezen, weet op schijnbaar achteloze wijze denkers met elkaar te verbinden en academische, filosofische en historische discussies te synthetiseren. Het is vooral aangenaam als hij daarin stelling durft in te nemen, zoals wanneer hij dieper ingaat op hedendaagse therapiecultuur en met enkele pennenstreken ‘het zingevingsverhaal' van psychiater-filosofen Dirk de Wachter, Jim van Os, Damiaan Denys en Flip Jan van Oenen schetst.
Tegen die achtergrond bespreekt hij vervolgens de hot take van publieksfilosoof Lena Bril, die beweert dat therapie ‘een soort geloof is’. En daar wordt Vulkers ‘onverwachts woest’ van, want de vorm van exposuretherapie waarover hij schrijft vindt juist ‘plaats binnen strakke empirische kaders, ver buiten het domein van geloof’.
Dat is lef hebben van Vulkers, om daar zo tegenin te gaan. Vooral omdat hij er zelf geen hete take tegenover zet, maar in plaats daarvan die typische onderzoekende blik van hem. Steeds op zoek naar een extra betekenislaag, naar wat er nog meer achter die ‘taal van schoon en vies’ zit.
Luuk Vulkers: Alles lekt – Smetvrees en de sporen die we wegpoetsen. De Arbeiderspers; 304 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant