Home

De Ierse Doireann Ní Ghríofa levert met haar roman ‘Aldus de doden’ een prachtige variant van écriture féminine

Wie openstaat voor het gotische taalgebruik wordt al snel meegesleurd in een even intelligent als indrukwekkend verhaal over een psychiatrische vrouweninrichting.

Aldus de doden (2026), de tweede roman van de Ierse dichter en essayist Doireann Ní Ghríofa, had kunnen openen met dezelfde regel als haar overrompelende debuut Een geest in de keel (2020): ‘Dit is een vrouwelijke tekst’.

Maar wat is dat, een vrouwelijke tekst? Volgens filosoof Hélène Cixous is écriture féminine, een begrip dat ze muntte in haar feministische essay De lach van Medusa (1975), een manier van schrijven die zich verzet tegen het traditionele, lineaire denken en de mannelijke ‘fallogocentrische’ taal, alsof die staan voor objectiviteit en rationaliteit. Het is een schrijven vanuit het lichaam: associatief, open, ritmisch, niet-hiërarchisch, bij voorkeur gedaan met de hand.

Draait het in haar debuut om één vrouw (de 18de-eeuwse dichteres Eibhlín Dubh Ní Chonaill), in dit boek haalt Ní Ghríofa de stemmen van vrouwelijke patiënten, opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis in Cork in het begin van de 20ste eeuw, uit het donker van de vergetelheid: ‘huilende, krijsende, kakelende, zingende stemmen’.

Aldus de doden is donkerder, politieker ook. Het vrouwelijk stemrecht komt aan bod, de suffragettes, de koloniale overheersing van Ierland door Groot-Brittannië en de daaruit voortvloeiende burgeroorlog, armoede, hongersnood. Ní Ghríofa combineert archiefmateriaal, brieven, fictie (een spookverhaal), krantenartikelen en foto’s met autobiografische elementen. Het boek is fragmentarisch (de stemmen komen en gaan) en genrehybride, passend bij de wijze van onderzoek.

Haar taal is poëtisch, fysiek, ritmisch en gotisch, wat de desolate Victoriaanse sfeer eer aandoet. Aan dat gotische moest ik even wennen, maar ik gaf me snel gewonnen, want ze ontvouwt haar verhaal intelligent en meeslepend.

Patiëntenarchieven

De naamloze verteller is een jonge moeder. Steeds als ze in Cork langs het psychiatrisch ziekenhuis loopt, huivert ze; honderd jaar geleden zou ze er misschien zelf wel zijn opgenomen, gezien haar eigen depressies.

Nu staat de kapel te koop en maakt ze in een opwelling een afspraak voor een bezichtiging; het psychiatrisch ziekenhuis zelf is deels al verbouwd tot luxe appartementen. Tussen het puin vindt ze een stukje lood, losgekomen van het gekleurde glas, in de vorm van de letter L, voor haar een teken om zich te gaan verdiepen in de patiëntenarchieven.

‘Gaf geen naam op. Milde waanvoorstellingen: boodschappen, geestverschijningen, tekens. Verzamelt troep, ze zegt: ‘hielden een heilig licht vast’.’

Nog voor we inzage krijgen in de lichtblauwe bladzijden van het ‘patiëntenboek der vrouwelijke gevallen’ wordt hier al de eerste diagnose gesteld, opmerkelijk genoeg niet over een van de patiënten, maar over de naamloze vertelster zelf, ook wel aangeduid als ‘de Lezer’ (waarmee Ní Ghríofa een verbluffend literair spel inzet rond de inwisselbaarheid van lezer en schrijver, patiënte en arts, geest en levende).

De ‘L’ staat allereerst voor Lucia Strangman, een van de eerste vrouwelijke artsen in de psychiatrie in Ierland, die de patiënten ‘leest’ en ze op de blauwe bladzijden met empathie weergeeft: haar goedgekozen naam betekent immers ‘lichtje’. De ‘L’ is ook ‘de Lezer’, de vertelster zelf, die de archieven doorspit.

De schrijver Ní Ghríofa wordt ook ‘gelezen’, door haarzelf bij wijze van introspectie, maar ook wanneer ze als patiënte wordt opgevoerd. Heden, verleden, doden en levenden, feit en fictie vervloeien met elkaar, als om de wanen maar ook de vergeten levens indringend voor het voetlicht te brengen.

En natuurlijk zijn wij het zelf, de ‘L’.

‘De Lezer’ gruwde van het artsengekrabbel: ‘erg saai en dom’, ‘een zwak vrouwtje’, ‘vies en ondeugend’, ‘vol zelfmedelijden en hypochondrisch’, of de schrale, soms decennialange constatering ‘geen verandering’. Al beseft ze dat ze niet kan ingrijpen, ze fabuleert er wel over. Zo bedenkt ze voor Dora – een meisje van pas 16 jaar oud, goed op school en een lezer – een erfenis, opdat ze zich niet meer dood hoeft te werken voor haar familie. Ze tekent voor Dora een zolderkamer vol boeken ‘en in die bladzijden waren ze echt, net zo echt als zij, hier, op dit moment, dat zich voor eeuwig uitstrekt’.

‘Als zij hun leed herkende, dan kwam dat doordat zijzelf de aantrekkingskracht van het zijdeachtige zwarte rivierwater had gevoeld én de verschrikking om van een zelfgekozen einde te worden weerhouden.’

Door een einde te schrijven, door te schrijven überhaupt, door de namen van de vrouwelijke patiënten los te laten, geneest ze zichzelf. ‘De vrouw moet zichzelf schrijven’, om met Cixous te spreken. Het literaire spel komt tot een hoogtepunt als Ní Ghríofa zich weet te bevrijden uit haar eigen geschreven bouwwerk van het gesticht.

Schrijven als vorm van herstel

Schrijven als verzet tegen wallpapering, naar analogie van het beroemde verhaal ‘Het gele behang’ (1892) van Charlotte Perkins Gilman, waarin een depressieve vrouw een rustkuur wordt opgelegd en niets anders kan doen dan naar het behang staren, maar pas opknapt als ze weer gaat schrijven. Zo geeft ook Lucia een jonge, suïcidale patiënte papier: schrijven als vorm van herstel.

Opvallend trouwens hoe goed de patiënten tussen 1895 en 1924 werden behandeld in het gesticht, al veranderde dat later diametraal. Bijzonder ook is dat Lucia samen met haar man, arts in de mannenvleugel van het gesticht, een polikliniek opricht. Daar behandelen ze patiënten via hypnose, een techniek waar Lucia kennis mee had gemaakt tijdens haar werk met soldaten in de Eerste Wereldoorlog, waarmee voorkomen werd dat mensen jarenlang werden opgesloten.

Het boek leest niet als een aanklacht tegen mannen, al waren het altijd vaders, echtgenoten, broers en politieagenten die de vrouwen lieten opnemen, en al zijn vrouwen nog steeds niet verlost van het stigma ‘hysterisch’ (‘hystera’ betekent overigens baarmoeder); deze lichamelijke tekst is een indrukwekkend eerbetoon aan de doden op wie we maar al te veel lijken.

Ní Ghríofa’s taal nam bezit van me, zozeer dat ik op een nacht wakker werd doordat ik ‘krankzinnigengesticht’ riep. Als we honderd jaar eerder hadden geleefd, was ik Doireann Ní Ghríofa vast tegengekomen in een van de dagkamers daar. Hopelijk namen wij dan onze pen ter hand, zoals nu.

Doireann Ní Ghríofa: Aldus de doden. Uit het Engels vertaald door Caroline Meijer. Cossee; 352 pagina’s; € 27,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next