Tennis Op snelle banen gaat de aandacht vrijwel altijd naar de servicekanonnen. Maar de return is net zo belangrijk, zeggen kenners. „Je moet je achterzwaai kort en compact houden.”
Novak Djokovic wordt gezien als de beste retourneerder aller tijden
Wie tegenover Richard Krajicek stond op een snelle baan, wist dat-ie de nodige aces en volleys om zijn oren zou krijgen. Door zijn imponerende service en strakke netspel was het voor velen schier onmogelijk om een servicegame van hem te winnen. Maar dat zijn returns cruciaal zouden worden voor de Wimbledon-titel in 1996, dát had niemand verwacht.
Retourneren was bepaald geen specialiteit van de voormalige nummer vier van de wereld. Zeker met zijn enkelhandige backhand had Krajicek er de grootste moeite mee de bal terug te slaan op een manier die het zijn serverende tegenstander moeilijk maakte.
In 1996 was het echter een ander verhaal.
Niet dat hij nou opeens de ene na de andere goede return sloeg met zijn backhand; het verschil was subtiel. „In plaats van praktisch nul maakte ik er dat jaar een aantal”, zegt Krajicek erover, dertig jaar later. „Ik werd zelf nog steeds bijna niet gebroken in een wedstrijd, en opeens sloeg ik in een game één of twee goede returns met mijn backhand. Ja, dan komt er toch meer druk op de servicegames van de ander.”
In zijn kwartfinale tegen Pete Sampras, toen nummer één van de wereld en drie jaar op rij onverslaanbaar op Wimbedon, waren zijn returns doorslaggevend. Aan het eind van de eerste set brak Krajicek Sampras door in één game vier punten te winnen met een return. In de tiebreak van set twee waren twee sterke backhandreturns bepalend. „Zijn returns verrasten me echt”, zei Sampras na de wedstrijd tegen de pers.
Als het over grastennis gaat, gaat het, zeker in het mannentennis, vaak over de service. Die is absoluut belangrijk op deze ondergrond: gras is glad, na de stuit schiet de bal door en verliest weinig van zijn snelheid. Servicekanonnen als Ivo Karlovic, John Isner en Giovanni Mpetshi Perricard spelen daarom graag op gras.
Toch is een harde service niet zaligmakend. Zo sloeg Mpetshi Perricard afgelopen jaar op Wimbledon een opslag van 246 kilometer per uur, de snelste ooit gemeten op het prestigieuze grandslamtoernooi. Maar tegenstander Taylor Fritz was er op tijd bij, en juist omdat de bal al zoveel snelheid had, hoefde hij weinig meer te doen dan zijn racketblad ertegenaan te zetten om hem keihard naar de andere kant van het net te sturen. Mpetshi Perricard had geen tijd om in positie te komen en was ondanks zijn kanonschot in het nadeel.
Wie zich op gras echt wil onderscheiden, moet het de tegenstander ook in diens servicegames lastig kunnen maken. „De return is samen met de service de belangrijkste slag van het spel”, zegt oud-tennisser Paul Haarhuis. De Nederlander stond in zijn tijd bekend als een uitstekende retourneerder. „Als je geen goede return kunt slaan, kun je simpelweg de rally niet beginnen.” Krajicek voegt daaraan toe: „Het is toch prettig als je voor jezelf meer kansen kunt creëren in plaats van erop te gokken op dat je elke tiebreak wint.” Dit geldt overigens wel vooral voor het mannentennis. In het vrouwentennis is de service doorgaans een minder groot wapen, waardoor ook de return een minder grote rol speelt.
Maar wat maakt nou een goede return? Het ligt voor de hand om te denken dat je er het best het punt meteen mee afmaakt. Maar dat is doorgaans niet de beste strategie, zegt Haarhuis. Je moet daar veel risico voor nemen, de kans op een mislukking is groot. De opslag van de tegenstander is bovendien vaak te sterk om überhaupt die kans te krijgen, zeker op een eerste service. Een return-‘winner’, zoals dat heet, is daarom een uitzondering, ook voor goede retourneerders.
Paul Haarhuis trainde veel op zijn return.
Een goede return neutraliseert de opslag van de tegenstander, zodat die niet meer met een voordeel aan de rally begint. Allereerst is het zaak om de bal goed diep te slaan, liefst zo dicht mogelijk bij de baseline, de achterste lijn van het veld. „Dan kan de ander niet meer agressief naar voren spelen”, zegt Haarhuis. „Hij wordt naar achter gedwongen.”
De speler die steevast genoemd wordt als beste retourneerder aller tijden, is Novak Djokovic. De return is een van de voornaamste wapens waarmee de Serviër zijn 24 grandslamtitels heeft veroverd. „Hij bevindt zich echt in een andere league”, vindt Robin Haase, die een lange carrière in het enkelspel heeft gehad en nog altijd dubbelt. „Hij legde de bal vaak tegen de achterkant van de baseline aan.” Djokovic’ plaatsing was zo accuraat, zegt Haase, „hij kon hem als het ware op een bierviltje leggen.” Daar komt dan nog zijn lenigheid bij, zijn snelheid, het feit dat hij altijd ziet waar de bal heen gaat. „Bij hem had ik eigenlijk geen idee waar ik de bal het best heen kon serveren”, zegt Haase. ”
Krajicek noemt ook Roger Federer. „Die was zo snel, zo lichtvoetig. En er was niemand die de bal zo ver voor zijn lichaam raakte als hij.” Daardoor gaf Federer zijn tegenstanders veel minder tijd om te reageren. „Hij zag ook praktisch altijd waar de bal heen zou gaan, hij kon het zo goed lezen.” Federer is ook de enige naar wie ooit een return is vernoemd: de SABR, de Sneak Attack By Roger. Op de tweede service van zijn tegenstander sprintte hij al voor de bal goed en wel onderweg was een paar stappen het veld in. Hij raakte hem vlak na de stuit en nam daarmee zoveel tijd weg bij zijn tegenstander dat die weinig bijzonders meer met de bal kon doen, waarna het punt vaak naar Federer ging.
Snel herkennen waar de bal heen gaat, is essentieel in het toptennis. De meeste mannelijke proftennissers slaan services boven de 200 kilometer per uur. „Vanaf het moment dat de ander de bal raakt, heb je dan zo’n 0,6 seconden om te reageren”, schat Haarhuis. „Dat lukt alleen als je al ziet waar hij heen gaat.”
Daar moet je je ogen op trainen, zegt hij, en dat doe je simpelweg door te oefenen. Haarhuis ziet niet iedereen dat doen. „Vaak zie ik bij de jeugd dat de return tijdens de training niet zo serieus genomen wordt. Dan oefent de een z’n service, en staat de ander veel te ontspannen de ballen een beetje terug te hakken. Maar tijdens wedstrijden, als het er echt om gaat, weten ze vervolgens niet goed wat ze moeten doen.”
Net als Federer had Andre Agassi de gewoonte naar voren te stappen en de tegenstander weinig tijd te geven,
Maar vind maar eens een trainingspartner of coach die de bal net zo hard naar je toe kan serveren als je tegenstanders. Haarhuis: „Als je sparringpartner net zo goed zou kunnen serveren als Isner of Karlovic, zou hij zelf wel in de top-honderd staan.” Dus moet je met trucjes komen om je op zulke spelers voor te bereiden. Haarhuis: „Ik liet mijn trainingsmaatje anderhalve meter verder naar voren serveren, zodat ik net zo snel moest reageren als tegen een servicekanon.”
Ook technisch moet je je aanpassen aan de korte reactietijd die je hebt. „Veel spelers, zeker Spanjaarden, hadden in mijn tijd een heel lange achterzwaai”, vertelt Krajicek, doelend op de beweging die je met je racket maakt voor je de bal raakt. „Mede daardoor waren ze vaak niet succesvol op gras, ze kwamen in tijdnood. Je moet je achterzwaai kort en compact houden.”
Hoe goed je je ogen ook traint, sommige spelers kunnen te goed maskeren waar ze de bal heen gaan slaan, en als je pas begint te bewegen als de bal het racket van de tegenstander raakt, ben je vaak te laat. Dan is het handig als je bepaalde patronen kunt ontwaren in het spel van de ander. „Neem Adrian Mannarino”, zegt Haase. „Op een gegeven moment wist ik: als het 15-30 of 30-15 staat, serveert hij hoe dan ook naar buiten.” Dus wat deed Haase? Al tijdens de opgooi zette hij een grote stap de juiste richting in om zichzelf een betere kans te geven om de return goed te raken.
Wie goed retourneert, kan als het ware in het hoofd van de tegenstander kruipen, zegt Haarhuis. Want die weet: als ik niet verdomd goed serveer, heb ik een probleem. En vaak wordt de service door die gedachte juist slechter, weet Haarhuis. „Je gaat forceren, je moet meer risico nemen, de kans op dubbele fouten neemt daardoor ook toe. Een goede retourneerder dwingt dat af.”
Ook Jannik Sinner geldt als een sterke retourneerder. De nummer één van de wereld wordt ook dit jaar gezien als de grote favoriet voor de titel op Wimbledon. Sinner slaat bijna elke return in, en zet zijn tegenstander al vanaf de eerste klap steevast onder druk. Volgens tennislegende Jimmy Connors was het in de Wimbledon-finale tegen Carlos Alcaraz vorig jaar de return die de doorslag gaf. „Hij retourneerde de bal doelgericht en met overtuiging”, zei de Amerikaan in de podcast Advantage Connors. „Hij probeerde niet alleen de bal in het spel te krijgen. […] Hij wilde agressief zijn.” Dat is wat je moet doen, zei hij, „om de allerbesten te verslaan”.