Draagmoederschap Het kabinet biedt 2 juli excuses aan afstandsmoeders en hun kinderen aan. In diezelfde periode behandelt de Tweede Kamer een omstreden wetsvoorstel voor draagmoederschap. Christel Don vreest dat de geschiedenis zich gaat herhalen. In hoeverre is het belang van wensouders leidend?
Het is een tekst van zeventig jaar oud: „De vrees is wel geuit, dat invoering van de mogelijkheid van adoptie het vrijwillig afstaan van kinderen zal bevorderen. Daarbij wordt in het bijzonder gedacht aan ongehuwde moeders, die gevaar lopen onder de indruk van de naderende geboorte of onmiddellijk daarna gehoor te geven aan raadgevingen om het kind dadelijk af te staan aan een der vele echtparen, die naar een pleegkind verlangen.”
Christel Don is journalist en schrijver, onder meer van Afstandsmoeders.
Deze waarschuwing komt uit de toelichting bij het wetsvoorstel voor de Adoptiewet, die in 1956 werd ingevoerd. Het werd genoteerd, verderop gerelativeerd maar in de praktijk terzijde geschoven. De gevolgen kennen we: tussen 1956 en 1984 stonden naar schatting veertienduizend moeders, veel ongehuwd en vaak vlak na de bevalling, onder druk hun kind af. Welk enorm leed dit tot gevolg had staat uitvoerig opgetekend in het rapport van commissie-De Winter dat vorige zomer verscheen. Daaruit komt ook naar voren dat de belangen van de adoptieouders destijds vaak zwaarder wogen dan die van het kind, laat staan die van de moeder.
Op 2 juli biedt de overheid excuses aan deze afstandsmoeders en hun kinderen aan, voor haar rol in deze geschiedenis. Maar in diezelfde periode behandelt de Tweede Kamer een wetsvoorstel dat draagmoederschap juridisch moet regelen, waarbij je je opnieuw kunt afvragen in hoeverre het belang van wensouders leidend is gemaakt. De toelichting bij de Wet kind, draagmoederschap en afstamming erkent namelijk dat een vrouw onder druk kan worden gezet om draagmoeder te worden door armoede of door haar omgeving. Ook voor het kind worden risico’s genoemd: van een bedreigde identiteitsontwikkeling tot in het uiterste geval handel in kinderen. In de toelichting staat zelfs dat geen enkele regeling misstanden helemaal kan voorkomen. Opnieuw worden de risico’s dus erkend, maar leidt dat niet tot terughoudendheid. Sterker nog, het wetsvoorstel beoogt de procedures voor wensouders juist korter en makkelijker te maken, via onder meer counselinggesprekken en een rechterlijke toets – en dat allemaal voorafgaand aan de zwangerschap.
Natuurlijk verschilt draagmoederschap van de afstandspraktijken uit de vorige eeuw. Maar er zijn wel degelijk parallellen te trekken, en we zijn het de slachtoffers van deze historische misstanden schuldig dat we ervan leren. Familierechters van de rechtbank Den Haag deden dat in maart, toen zij in De Volkskrant waarschuwden dat draagmoederschap het nieuwe adoptieschandaal dreigt te worden. Wensouders wijken na de beperking van buitenlandse adoptie steeds vaker uit naar een draagmoeder – met soortgelijke misstanden (vervalste documenten, financiële druk op draagmoeders, kinderen die niet weten van wie ze afstammen) tot gevolg. Maar naast de zorgen om hoe deze wet internationaal draagmoederschap wil gaan regelen, zitten er meer problematische kanten aan het wetsvoorstel. Zoals de manier waarop we het Nederlands draagmoederschap gaan vormgeven – iets waar nog amper aandacht voor is.
De nieuwe wet ziet toe op twee vormen van draagmoederschap. Bij ‘hoogtechnologisch draagmoederschap’ worden niet de eicellen van de draagmoeder, maar die van een wensouder of eiceldonor gebruikt. Bij ‘laagtechnologisch draagmoederschap’ levert de draagmoeder wel zelf de eicel en wordt via inseminatie zwanger. In het tweede geval is de draagmoeder ook de genetische moeder van het kind dat na de geboorte wordt afgestaan. Wat mij met name zorgen baart is hoe dat er in de praktijk uit moet gaan zien. In beide gevallen geldt straks hetzelfde principe: het juridisch afstand doen wordt geregeld vóór een mogelijke zwangerschap. Dus nog voordat de draagmoeder door het proces van zwanger zijn en bevallen heen is gegaan, doet zij juridisch afstand van haar rechten als moeder. Dat betekent dat de wensouders bij de geboorte van het kind automatisch juridisch ouder zijn.
Op dit moment moet een draagmoeder na de geboorte nog een adoptieprocedure doorlopen voordat de wensouders de juridische ouders worden. Dat duurt al snel een jaar, waarin zij in de tussentijd de juridische moeder is met alle rechten die daarbij horen. Na invoer van de wet zullen de wensouders bij de geboorte van een kind automatisch juridisch ouder zijn, en heeft de draagmoeder nog drie maanden om, via een rechtszaak, terug te komen op haar eerdere instemming. Maar alleen onder strikt omschreven omstandigheden: bedreiging, dwaling, bedrog of ‘gewijzigde omstandigheden’ – een begrip zo vaag geformuleerd dat onduidelijk is of zoiets als spijt daar ook onder valt.
Met deze keuze verlaat Nederland een beginsel dat het familierecht eeuwenlang heeft gedragen, namelijk ‘mater semper certa est‘: de vrouw uit wie het kind wordt geboren, is de moeder. Wil zij afstand doen via adoptie, dan kan zij zich tot aan de rechterlijke uitspraak bedenken. Dat past bij het idee dat de periode na de bevalling emotioneel is en vanuit psychologisch opzicht een heel andere werkelijkheid dan de periode daarvoor. Dat besef was er in de jaren vijftig al, maar werd genegeerd, en nu schuiven we het opnieuw terzijde. De toelichting erkent dat dit een beperking is van haar rechten, maar noemt het toch gerechtvaardigd: rechtszekerheid over de uitkomst van het traject krijgt voorrang boven de mogelijkheid van de draagmoeder om terug te komen op haar intentie als de zwangerschap anders verloopt dan verwacht.
Ook wordt uit de toelichting niet duidelijk hoe gecontroleerd gaat worden dat draagmoeders hier volledig vrijwillig voor kiezen. Uit het onderzoek van De Winter weten we dat er bij afstandsmoeders zelden sprake was van dwang (bedreiging of geweld) maar wel van ‘drang’: sociale druk, schaamte, hulpverleners die geen alternatieven bespraken, de wens van ouders en omgeving. Een onderscheid dat in de praktijk weinig uitmaakte voor de keuzevrijheid die een vrouw daadwerkelijk had. Vergelijkbare vormen van drang (financiële afhankelijkheid, sociale verwachtingen, de band die ontstaat met wensouders met wie je maandenlang optrekt) liggen bij draagmoederschap ook voor de hand. Alleen blijkt dit soort druk zelden uit een overeenkomst, en de rechter moet zich voor zijn oordeel vooral baseren op de tekst van de draagmoederschapsovereenkomst en het verslag van de voorlichting en counseling. Wie deze counseling straks gaat verzorgen, en hoe onafhankelijkheid daarbij wordt gewaarborgd, moet nog worden uitgewerkt in nadere regelgeving.
In Frankrijk is draagmoederschap verboden op grond van het principe ‘l’indisponibilité du corps humain‘: de onbeschikbaarheid van het menselijk lichaam. Het lichaam, inclusief de voortplantingscapaciteit, kan niet als object van een overeenkomst dienen, ook niet vrijwillig – het staat buiten de markt, en dus buiten het contractenrecht. De Franse ethische commissie beschouwt juridisch, economisch, medisch en psychisch geweld als inherent aan draagmoederschap: onvermijdelijk, en niet op te lossen met betere wetgeving. Dat standpunt staat niet op zichzelf. In oktober 2025 publiceerde Reem Alsalem, de VN-rapporteur voor geweld tegen vrouwen, een rapport waarin zij draagmoederschap omschrijft als „een systeem van uitbuiting en geweld”- ze pleit voor wereldwijde afschaffing. Ze schrijft: „De druk op vrouwen om draagmoeder te worden, het gebruik van hun lichamen ten behoeve van anderen, en de schade die een kind aangedaan wordt dat direct na de geboorte wordt gescheiden van de enige moeder die het ooit heeft gekend, verdwijnen niet simpelweg omdat draagmoederschap gereguleerd is.”
Ook in Nederland is dit wetsvoorstel er mede gekomen vanuit het idee dat een verbod op draagmoederschap moeilijk te handhaven is, en het argument dat wensouders anders naar het buitenland gaan. Maar dat betekent niet dat we het dan maar moeten gaan reguleren, faciliteren en normaliseren. Zo’n verbod heeft ook een normerende functie: het zegt iets over wat we als samenleving aanvaardbaar vinden, ook als we het zelf onvoldoende kunnen handhaven. Zoals de invoer van de Adoptiewet normaliseerde dat het aanvaardbaar werd om een zwangere vrouw zonder echtgenoot onder druk te zetten haar baby af te staan ter adoptie. En om als wensouder een kind te adopteren, ook al wist je niet zeker onder welke omstandigheden de genetische ouders het hadden afgestaan.
De overheid gaat spijt betuigen voor haar bijdrage aan beleid dat de belangen van vrouwen en kinderen ondergeschikt maakte aan die van wensouders. Beleid waarin hun rechten niet gewaarborgd waren, en anderen besloten wat er met hen en hun kind zou gebeuren, voordat zij zelf goed en wel wisten wat er op het spel stond – omdat hun die ruimte vaak niet werd gegeven. Niet voor niets noemden sommige vrouwen zichzelf achteraf „draagmoeders avant la lettre”. Ze hadden een kind gedragen voor een gezin dat het beter kon opvoeden dan zij – zo werd het hun tenminste verteld. Iets vergelijkbaars dreigt nu, als draagmoeders al vóór de geboorte afstand doen van hun juridisch ouderschap.
Het is heel aannemelijk dat kinderen die straks via draagmoederschap worden geboren op een dag aankloppen bij de vrouw die hen heeft gedragen en gebaard, met de vraag waarom zij hen heeft afgestaan. Of dat draagmoeders hun besluit zullen gaan betreuren en zich afvragen hoe vrijwillig het eigenlijk allemaal was. En dan moeten we opnieuw vaststellen dat we deze misstanden al hadden voorzien. Ze stonden gewoon in de memorie van toelichting – net als destijds.