Doedelzakken of overvliegende straaljagers zijn vaste prik bij plechtige Britse gebeurtenissen, maar van de staatsbegrafenis van Winston Churchill in 1965 is veel mensen maar één ding bijgebleven. Terwijl de barkas met zijn doodkist over de Theems voer, brachten de havenkranen de oud-premier een saluut door hun armen synchroon te laten zakken.
Wie dit heeft verzonnen, is onbekend, maar het is een geniaal gebaar; tien buigende kranen die je uit het niets overvallen.
Voor deze column zat ik lang op het vinkentouw voor een Nederlands voorbeeld van zo’n ontroerend mechaniek. Ik vond alleen luitenant Ian Jacob Havelaar, die in 1944 sneuvelde bij het verstoren van Duitse sabotage in het Zeeuwse Colijnsplaat. Daar werd hij herbegraven. Terwijl de stoet voorbij trok aan de dorpsmolen, draaide de kap van de molen „naar oud gebruik” mee. Maar dat was al in 2017.
Zo’n stukje ben ik u schuldig gebleven.
Het was de kunst, of de sport, om elke maandag een plaats ‘in het land’ te vinden waar iets gebeurde dat geen groot nieuws was en toch interessant genoeg. Waar gingen die ruim zestig columns dan over? In mijn laatste aflevering een korte balans.
Nederland is nimby-land, ontdekte ik snel; van not in my backyard. Over het algemeen belang zijn we het over het algemeen wel eens: de groene transitie, opvang van vluchtelingen (al moet je er nu „echte” bij zeggen) of meer ruimte voor defensie. Maar zodra dat het particuliere belang raakt in de vorm van windmolens, decibellen of een azc, spreekt het opeens minder vanzelf. Het gaat ook over mentaal afstand houden: doen alsof Oekraïne niet onze achtertuin is.
Het was opwindend om op plaatsen te komen waar je niet zomaar komt. Alles namens u, lezer, uiteraard. Ik voer mee op een binnenvaartschip, en met een zeeloods op zijn laatste reis. Ik bracht een dag door bij de waterzuivering en met de incidentenbestrijders van de NS en hun soms gruwelijke taak.
En ik was vaak in een polder – nog steeds ‘het land’ bij uitstek. Met een rivierkreeftenvisser, een rijstteler, boeren met PFAS-problemen, met overstromingsgevaar, en boeren die helemaal niet op goedkope rode BBB-diesel zaten te wachten.
Het was mooi om experts bevlogen over hun vak te horen praten. Van een garagehouder en een organist tot radiozendamateurs en kwieke bejaarden die voor de gezelligheid garnalen pellen. Inclusief hun jargon dat de taal van ‘het land’ verrijkt.
Taal was altijd wel een added bonus. Zo vergeet ik nooit meer dat een groep uilen ‘een parlement’ heet. En als een vogelaar vervolgens zegt dat vogelaars zo massaal naar die uilen komen kijken dat „we zelf haast een plaag vormen”, weet je zeker dat je een stukje hebt.
Met mijn diwodovrij-collega’s van ‘In het land’ probeerde ik onderwerpen geografisch te spreiden. Toch waren Noord- en Zuid-Holland bij mij oververtegenwoordigd. In Groningen was ik nul keer. Lezers die de rubriek van enige Randstad-vooringenomenheid verdenken, hebben wel een punt.
Ik schreef graag over het landschap. Over ‘nieuwe natuur’, verrommeling en de hoax van ‘natuurcompensatie’. En over oude landschappen – voormalige zeebodems, prehistorisch dekzand, moerassen, verdwenen waterwerken – die je onder de nieuwste incarnatie ervan nog kunt zien bewegen, als je goed kijkt.
Dan wordt zo’n gelaagd landschap soms zelf een ontroerende gebeurtenis. En schreef ‘In het land’ zich bij wijze van spreken vanzelf.
Hans Steketee deed elke maandag ergens vanuit Nederland verslag