Indië-herdenking Hoewel het verdriet over de Tweede Wereldoorlog er nog steeds is, is de tijd van verzoening met Japan aangebroken zegt de voorzitter van Stichting Nationale Herdenking 15 augustus 1945, Paul Doop.
Paul Doop.
Na afloop van het staatsbanket op het Paleis op de Dam ter gelegenheid van het bezoek van de Japanse keizer en keizerin, anderhalve week geleden, vroeg koning Willem-Alexander Paul Doop, voorzitter van Stichting Nationale Herdenking 15 augustus 1945, en Sylfaire Delhaye, voorzitter van het Indisch Platform, om nog even ‘na te blijven’. Ze hadden vervolgens „spontaan voor ons” een gesprek met keizer Naruhito.
„De keizer vroeg naar onze herdenking. Hij zei zich te realiseren dat mensen nog altijd verdriet voelen over wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Ik voelde zijn oprechte medeleven”, vertelt Paul Doop.
Het was voor Doop, sinds vorig jaar november voorzitter van de stichting die elk jaar in Den Haag de herdenking organiseert voor de slachtoffers van de Japanse bezetting en de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië, een „bijzonder moment”. En mede-aanleiding om te pleiten voor verzoening met Japan: „Verzoening is nodig als we samen de verantwoordelijkheid voor de toekomst willen nemen.”
In Nederlands-Indië werden door de Japanse bezetter ongeveer 42.000 militairen en 100.000 burgers gevangengenomen. Families werden gescheiden, mensen werden gemarteld en uitgehongerd, vrouwen werden tot prostitutie gedwongen, mannen tot zware arbeid.
De Japanse keizer Naruhito legt samen met zijn echtgenote, keizerin Masako een krans bij het Nationaal Monument op de Dam.
Doop zegt niet de Indische gemeenschap te vertegenwoordigen, maar echt uit naam van de stichting te spreken. „Er zijn talloze perspectieven: van Indo-Europeanen, Molukkers, Papoea’s en veel meer. Toen we wisten van de komst van de keizer hebben we met organisaties gesproken. Sommigen ervoeren schrik of eisten excuses. Maar uit de gesprekken kwam ook de wens tot verzoening. Dat zegt ook de eerste generatie: het helpt niet om het bij verdriet te laten.
„Van onze kant weten we dat de Japanse regering in 1995 spijt heeft betuigd. Premier Tomiichi Murayama had het over ‘oprechte excuses’. Dat werd in 2000, voorafgaand aan een staatsbezoek aan Nederland door de toenmalige premier herhaald. Sommigen vragen hoe oprecht die excuses waren, maar bij mijn weten zijn ze nooit ingetrokken.
„Bij de ambassadeur in Nederland, toch de representant van de Japanse regering, merken we ook een duidelijke belangstelling voor de Indische geschiedenis en een behoefte om meer te weten over welk verdriet er is geweest en nog is. Hij bezocht Museum Sophiahof [over de culturele en historische erfenis van Nederlands-Indië] en het Indisch Herinneringscentrum. Bij mijn weten was er niet eerder zulke belangstelling.”
„Dat is een goede vraag.”
„Ik sluit niets uit, maar we doen ook niets overhaast.”
„Het is terecht dat dat zo is gedaan, en bijzonder dat het niet eerder zo was. Miljoenen Indonesiërs zijn omgekomen, stierven een hongerdood of werden door de Japanse bezetter tot slavenarbeid gedwongen. Om het alleen over het Indo-Europese perspectief te hebben, is te beperkt.
„Het is een feit dat de derde en vierde generaties anders kijken. We merken het aan de generatietafels die Jong 1508 organiseert. Daar komen vragen op als ‘wat doe je als het oorlog is, wie help je’. Dat gaat over universele keuzes. Niet zozeer over of de keizer wel of niet excuses moet aanbieden, maar over hoe dit ooit heeft kunnen gebeuren.”
Doop zegt ook geraakt te zijn geweest door de woorden van de keizer bij het staatsbanket. Naruhito had het over de talloze burgerslachtoffers en zei: „In de wetenschap dat er mensen zijn die de pijn van die tijd tot op de dag van vandaag voelen, moeten we onze pogingen om vrede te bewerkstelligen doorzetten.” Doop: „Dat is een manier van denken die bij de mensen waarmee wij als stichting spraken weerklank vindt.”