Burgemeester Femke Halsema tijdens de openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie over het coronabeleid.
In de loop van de coronapandemie kwam de nadruk van het beleid steeds meer te liggen op verregaande repressie en handhaving. Het kabinet werd steeds „dwingender”. De Tweede Kamer dempte dat niet, maar gaf er juist „een extra zwieper aan”, zei de burgemeester van Amsterdam, Femke Halsema, tijdens haar verhoor maandagochtend. „Het plaatste de overheid tegenover de bevolking. De overheid wantrouwde de eigen bevolking.”
In het begin van de coronapandemie werd tijdens persconferenties benadrukt dat „we het samen moesten doen”, zei Halsema. „Er was veel solidariteit. Er was een diepe interne motivatie bij de bevolking om er iets van te maken. Totdat mensen moedeloos en hopeloos werden.” Daarna werd het beleid „meer en meer van bovenaf opgelegd, waarbij mensen werd verteld hoe ze zich moesten gedragen. Met sancties erbij. Ik vond dat heel erg.”
De maatregelen werden ook „steeds idioter”, zei Halsema. Ze noemde als voorbeeld dat je een club binnenmocht met een coronapas, maar dat die club wel 12 uur ’s nachts dicht moest. Halsema: „Het was mij volkomen onduidelijk waarom het na 12 uur ineens onveilig zou zijn. Ander voorbeeld: kappers mochten op een gegeven moment wel open zijn, theaters niet. Toen kwam er een kapper op het podium van een theater staan om mensen daar een knipbeurt te geven.”
Dieptepunt was de invoering van de avondklok begin 2021. „Dat was het ontnemen van vrijheid, terwijl er al zoveel vrijheidsbeperkende maatregelen waren genomen, zoals een lockdown en scholensluiting. Maar mensen dwingen thuis te blijven was principieel onaanvaardbaar, het was disproportioneel. Het zorgde voor een verdere vereenzaming van mensen.” Er was „een grens bereikt”, zei Halsema.
Ook praktisch werkte de avondklok niet, zei Halsema. Ze vertelde dat er tijdens de avondklok enorm veel pyjama-party’s waren, waarbij kinderen voor het ingaan van de avondklok op de fiets naar vriendjes gingen, samen met hun ouders, en dan bleven logeren, om dan na afloop van de avondklok weer naar huis te gaan. Halsema: „Die maatregel was helemaal niet effectief.”
Ook in het Veiligheidsberaad leefden aanvankelijk zeer grote bezwaren tegen de avondklok, er werd meerdere keren over gesproken. De 25 burgemeesters in dat Veiligheidsberaad wilden er eigenlijk niet mee akkoord gaan, pas na nieuwe besmettingscijfers van OMT-voorzitter Jaap van Dissel werd de avondklok door het kabinet en parlement toch ingesteld en legde het Veiligheidsberaad zich erbij neer. Het leidde tot heel veel protest en de avondklokrellen in meerdere steden. Halsema noemde het ingrijpen van de politie in Amsterdam tijdens demonstraties tegen coronamaatregelen „onvermijdelijk en omstreden”. Volgens haar was dat een uiteenlopende groep mensen, van mensen die politiepaarden aanvielen tot „lieve vrouwtjes met bloemen”.
Uiteindelijk werd de avondklok vijf keer verlengd en duurde die drie maanden, van 23 januari 2021 tot en met 27 april 2021. Toch voerde ook Halsema ook die maatregel gewoon uit: „Het moest. Het was het gevolg van democratische besluitvorming. Het was een verschrikkelijke tijd, dan kan je als bestuurders ook niet rollebollend over straat gaan.” Ze overweeg ook niet om zelf af te treden, zei ze.
Het kabinet nam acht maanden voornamelijk coronamaatregelen via noodverordeningen, waarbij burgemeesters verantwoordelijk werden voor de uitvoering. Halsema had daar grote moeite mee, zei ze. „Het kabinet besloot daarover, wij moesten dat afstempelen. Het was houtje-touwtje. Terwijl er diep werd ingegrepen in de levens van burgers.”
Halsema sprak tijdens het verhoor ook over de mentale problemen van jongeren tijdens de pandemie. Dat was het thema van vorige week, maar de commissie vroeg Halsema er toch naar, omdat zij tijdens de pandemie vaak aandacht vroeg voor hun positie – ze schreef er een rapport over en werd ook een keer in het Catshuis uitgenodigd om erover te praten. Die problemen bij jongeren ontstonden „al heel snel” zei ze. Ze noemde het „een van de meest verschrikkelijke gevolgen van de pandemie. Die waren gruwelijk.”
In Amsterdam zijn veel mensen kleinbehuisd, er zijn veel lagere inkomens. Dat leverde bij de maandenlange scholensluitingen grote problemen op. Halsema: „Een groot deel van de jongeren had geen computer thuis, had ook helemaal geen plek daar om te studeren. Die zaten op de rand van hun bed met broertjes en zusjes om hen heen.” Volgens Halsema was er bij het kabinet wel aandacht voor de negatieve sociale gevolgen voor jongeren, maar leidde dat niet tot wezenlijk ander beleid. „De positie van het OMT was heel sterk. Medische en technocratische besluitvorming overheersten, die hadden een centrale positie. De negatieve sociale effecten hadden we maar te slikken. Discussies daarover stagneerden.”