Krijgsmacht In de Defensienota 2026, gepresenteerd op vliegbasis Gilze-Rijen, ligt de nadruk op drones en andere ‘onbemenste systemen’. Verder investeert Defensie grootschalig in digitalisering, IT en AI. En de krijgsmacht moet in oorlogstijd kunnen beschikken over 200.000 mensen.
Defensieminister Dilan Yesilgöz (VVD) en staatssecretaris Derk Boswijk (CDA) op vliegbasis Gilze-Rijen tijdens de presentatie van de Defensienota.
Drones, drones en nog eens drones. Het ministerie van Defensie gaat massaal investeren in ‘onbemenste systemen’, zo blijkt uit de Defensienota 2026, die deze maandag door minister Dilan Yesilgöz (VVD) en staatssecretaris Derk Boswijk (CDA) op vliegbasis Gilze-Rijen werd gepresenteerd.
Defensie legt zichzelf een uiterst ambitieuze planning op. Over vijf jaar moet „meer dan de helft” van alle „operationele effecten” (militair jargon voor doelen uitschakelen) worden bereikt met drones. „Waar het kan, worden taken uitgevoerd met behulp van onbemenste systemen”, schrijven de twee bewindslieden.
Het betekent een complete transformatie van de krijgsmacht. In de vorige Defensienota, uit 2024, was het grootste nieuws de terugkeer van de gevechtstank. Twee jaar later heeft de oorlog in Oekraïne geleerd dat de nieuwe Leopard 2A8’s – waarvan de eerste nog geleverd moeten worden – geen schijn van kans maken op het slagveld zonder droneverdediging. Eerder dit jaar richtte de landmacht daarom – als eerste in West-Europa – eigen dronetroepen op.
De Defensienota 2026 (titel: Samen voorwaarts) is de uitwerking van de afspraken die vorig jaar werden gemaakt op de NAVO-top in Den Haag, waar de bondgenoten besloten hun defensie-uitgaven op te trekken tot 3,5 procent van het bbp. Als gevolg krijgt Defensie (huidige budget 27 miljard) elk jaar meer miljarden.
Maar de plannen die op vliegbasis Gilze-Rijen werden gepresenteerd, behelzen méér dan slechts een uitbreiding van de capaciteiten. „Deze Defensienota”, zo schrijven Yesilgöz en Boswijk, markeert „een omslag in denken en doen.”
De drone-oorlog in Oekraïne leert dat technologische ontwikkelingen in een ijltempo gaan en dat wapens snel verouderd kunnen raken. Om niet achterop te raken, wil het departement de verhoudingen met de defensie-industrie herzien. „De traditionele relatie van klant met leverancier maakt plaats voor partnerschappen met kennisinstellingen en industrie”, zei Boswijk. Een gezamenlijk ‘ontwikkel-lab’ voor counterdronesystemen is een eerste stap in die richting. Een Defensie Innovatie Opschalingsautoriteit moet technologische vernieuwing stimuleren en zorgen voor meer productie in Nederland.
De omslag die Defensie maakt, is het gevolg van de nauwe samenwerking met de Oekraïense strijdkrachten. Zo heeft Nederland sinds 2025 meer dan 1 miljard euro geïnvesteerd in de Oekraïense Drone Line, een verdedigingslinie die de Russische opmars moest stoppen. Dankzij die samenwerking hebben Nederlandse militairen deze militaire kentering op de voet kunnen volgen.
Wie wil inspelen op de oorlog van de toekomst, moet echter meer doen dan investeren in drones. Digitalisering en AI zullen ook een sleutelrol spelen. De enorme toename van onbemenste vliegende platformen heeft het slagveld ’transparant’ gemaakt: alles en iedereen wordt meteen gezien. Degene die het eerste de trekker overhaalt, wint daarmee het gevecht. En om het proces van sensor to shooter zo snel mogelijk te laten verlopen, vereiste grote investeringen in IT, communicatiesystemen en AI. „Digitalisering, data en snelheid worden bepalend”, zei Yesilgöz op Gilze-Rijen.
Dat wil niet zeggen dat de Defensienota geen oog heeft voor traditionele oorlogsvoering. De luchtmacht krijgt (opnieuw) extra F-35’s, de landmacht gevechtsbataljons en de Koninklijke Marechaussee wordt uitgebreid met zo’n duizend fte‘s. Anders dan in het verleden bevat de nota geen informatie over de aantallen jachtvliegtuigen en pantserwagen die worden aangeschaft: de Russen hoeven niet wijzer te worden gemaakt dan nodig.
Wel is duidelijk dat niet langer het allerbeste materieel wordt gekocht. Defensie (88.000 mannen en vrouwen) moet in een hoog tempo worden uitgebreid, zodat ze in oorlogstijd kan beschikken over 200.000 beroepsmilitairen, burgermedewerkers en reservisten. Dat vereist snel grote hoeveelheden materieel. „Het kabinet kiest niet altijd voor de meest geavanceerde systeem met een lange levertijd”, zei Yesilgöz. „Wat snel beschikbaar is en effect heeft op het gevechtsveld, gaat voor.”
Volgens Defensie verloopt het binnenhalen van al die extra mensen voorspoedig, maar staatssecretaris Boswijk wil niet uitsluiten dat de dienstplicht (in 1997 opgeschort) op enig moment moet worden heringevoerd. „Hoewel het streven is zo lang mogelijk in een vrijwillig model te blijven, werkt Defensie uit hoe we de selectieve opkomstplicht kunnen vormgeven”, stelt de Defensienota. In de tussentijd wil Defensie zo veel mogelijk vrijwilligers werven door de leeftijdsgrenzen op te rekken en experimenten als het ‘dienjaar’ en de ‘weerbaarheidstraining’ uit te breiden.
„Met de Defensienota hebben we een helder plan om ons land veilig te houden”, zei minister Yesilgöz op de vliegbasis. „En dat is juist nú nodig. Want de wereld is lange tijd niet zo onveilig geweest.”