Remco Breuker en Casper Wits | Oost-Azië-experts Nu de naoorlogse wereldorde ontrafelt, moeten we inniger samenwerken met democratieën in Oost-Azië, schrijven Remco Breuker en Casper Wits in een net verschenen boek. Maar eerst moeten we ontwaken uit onze geopolitieke winterslaap. „Onze overheid is gericht op een wereld die niet meer bestaat.”
Remco Breuker (links) en Casper Wits vinden dat Nederland veel meer oog moet hebben voor verwante democratieën in Oost-Azië.
Terwijl de stad zich opmaakt voor een bezoek van het Japanse keizerlijk paar, ontvangen Remco Breuker (54) en Casper Wits (46) in een zaaltje in een Leids universiteitsgebouw. Japanoloog en sinoloog Wits doet aan de universiteit onderzoek naar diplomatie en buitenlandbeleid in Oost-Azië. Breuker, koreanist en tevens japanoloog, specialiseerde zich in Koreaanse middeleeuwse geschiedenis maar is inmiddels kenner en veelgevraagd duider van het hedendaagse Noord- en Zuid-Korea. Behalve hun boek maken Wits en Breuker samen een wekelijkse podcast over de geopolitieke betekenis van hun regio.
De kracht van middenmacht. Het belang van Zuid-Korea, Taiwan en Japan voor onze democratische toekomst van Remco Breuker en Casper Wits verscheen donderdag bij uitgeverij Ambo Anthos. Op dinsdag 30 juni presenteren ze hun boek op de campus van de Universiteit Leiden in Den Haag.
Breuker en Wits maken over hetzelfde onderwerp ook de wekelijkse podcast Breuklijn Oost-Azië.
Ze schreven hun boek uit „wanhoop, en een sterk gevoel van urgentie”, zegt Breuker. „We leven nog in een andere wereld, lijkt het: de plek die Amerika nog steeds inneemt in ons geopolitiek denken is overweldigend. En dat is onterecht.”
Nu autoritaire regimes aan de weg timmeren, grootmachten zich onbetrouwbaar tonen, en de band tussen de Atlantische democratieën onder druk staat, zouden Nederland en Europa de blik juist meer moeten richten op middenmachten als Japan, Zuid-Korea en Taiwan, die veel soortgelijke problemen hebben.
„Wat ons met die landen verbindt, is de democratie, een bepaalde mate van respect voor mensenrechten”, zegt Breuker. „Maar wat ons onderscheidt is dat wij leven in een wereld zoals we wíllen dat die is, en Taiwan, Zuid-Korea en Japan leven in een wereld zoals die is. Dat is een levensgroot verschil.”
De drie landen waarop het boek zich richt zijn volgens Wits „veel serieuzer met geopolitiek bezig, en veel verder in het debat”. „We kunnen het ons niet meer veroorloven om dat gewoon aan de kant te schuiven.
Neem Japan, dat zich al veel langer bewust is van de risico’s van de afhankelijkheid van Chinese kritieke grondstoffen. Toen de twee landen in 2010 in een hoogoplopend conflict belandden over een eilandengroep, werd Japan daarvan afgesneden. Het ging op zoek naar alternatieve leveranciers, en is nu veel minder afhankelijk van China dan de meeste Europese landen.
Terwijl de meeste Europese landen een afwachtende houding aannamen, bereidde Japan zich ook al ruim voor de Amerikaanse verkiezingen voor op de mogelijke terugkeer van Donald Trump. „Ze hadden er zelfs een woord voor: ‘moshi-tora‘ [indien Trump]”, zegt Wits. Japanse diplomaten zochten bijvoorbeeld intensief contact met mensen rond Trump om ze te overtuigen van het belang van de betrekkingen. „Als je ziet hoe succesvol de ontmoetingen zijn geweest tussen verschillende Japanse premiers en Trump de laatste jaren, dan zie je dat de relatie op een solide structuur rust.”
Breuker en Wits halen in hun boek de Japanse oud-premier Fumio Kishida aan, die waarschuwde dat ‘het Oekraïne van vandaag het Oost-Azië van morgen kan zijn’. Wits: „Dat geeft goed aan dat het geopolitieke debat in Japan verder gevorderd is dan hier. Zij zien het conflict in Oekraïne als een tussen autoritarisme en democratie, dat ook directe gevolgen zal hebben voor de toekomst van democratie in hun regio. Dan denken ze natuurlijk vooral aan een oorlog tegen Taiwan. In Europa en in Nederland is de urgentie daarvan nog niet doorgedrongen.” Dit komt volgens de auteurs voort uit het hardnekkige idee dat Oost-Azië een ver-van-ons-bedshow is. Breuker: ,,Ik weet niet hóéveel van de spullen in deze kamer uit Oost-Azië komen.” Wits: „Wij zouden net zo over Taiwan moeten praten als over Oekraïne.”
Breuker: „Je ziet ook dezelfde argumenten: ‘Kijk uit, zometeen wordt Rusland boos.‘ Dat hoor je over China ook: we moeten Taiwan niet steunen, dan maken we China boos.”
Het verbaast de twee dat zelfs de deelname van Noord-Korea aan de oorlog nauwelijks tot beroering leidde. Het land hield de haperende Russische oorlogsmachine overeind met munitie en raketten, en stuurde zelfs duizenden militairen naar Rusland om mee te vechten. Wits: „Dat Noord-Korea verwikkeld is in een oorlog op ons continent – tegen een bevriend land, eigenlijk ook tegen ons – en daar nauwelijks iemand van wakker ligt, is laat zien waarom dit boek geschreven moest worden.”
Breuker wijst erop dat Noord-Korea recent in de grondwet vastlegde dat soldaten die overzees sterven in oorlogen als martelaren worden beschouwd, „een felbegeerde term, want daar horen allerlei sociale en economische voordelen bij”. Hij ziet daarin een „intentieverklaring” om zich vaker te mengen in buitenlandse oorlogen. „De Noord-Koreaanse deelname aan de oorlog had meteen moeten leiden tot meer investeringen in Europese defensie, een Europees leger, en veel serieuzere inzet van de NAVO.”
Ook daarbij zijn Japan, Taiwan en Zuid-Korea goede partnerlanden. Zuid-Korea, de vierde wapenexporteur ter wereld, verkocht vanaf 2022 bijvoorbeeld honderden tanks en houwitzers aan het herbewapenende Polen, waarvan een groot deel al geleverd is. Het materieel wordt deels in Polen zelf gemaakt en onderhouden. En Taiwan zet, met de lessen uit Oekraïne, een grote eigen droneproductielijn op, die vrij is van Chinese componenten.
Dat het besef van urgentie er zoveel groter is, verklaart Wits deels uit de geografische ligging. „Ze worden omringd door Noord-Korea, China en Rusland. Zij hebben nooit de luxe gehad die wij in West-Europa hadden, om te doen alsof grote geopolitieke dreigingen niet meer bestaan.”
Maar belangrijker: „Zeker in Zuid-Korea en Taiwan zijn de democratieën echt bevochten, door een grassroots democratische beweging.” Beide landen schudden pas in de jaren tachtig hun autoritaire regimes van zich af, onder druk van massale protesten. De verse herinnering aan de onderdrukking zorgde bijvoorbeeld dat een recente couppoging van de Zuid-Koreaanse president Yoon Suk-yeol werd gesmoord in grote demonstraties. Het mondde uit in zijn snelle afzetting en berechting – hij zit nu een levenslange gevangenisstraf uit.
Het illustreert wel dat de Oost-Aziatische democratieën, net als de westerse, niet alleen van buitenaf worden bedreigd. Zuid-Korea en Taiwan kampen met hevige politieke polarisatie en veel desinformatie. Maar daardoor hebben ze ook veel ervaring opgebouwd bij de bestrijding daarvan. Zo streeft de Taiwanese overheid ernaar om veelgedeeld nepnieuws op internet binnen een uur te ontzenuwen, vaak met humoristische ‘memes’. En net als Taiwan koos Zuid-Korea tijdens de coronacrisis voor grote transparantie over het verloop van de pandemie, waardoor het complottheorieën beter het hoofd wist te bieden en de steun voor effectief coronabeleid groot bleef.
Die les werd in Nederland nauwelijks geleerd. In een rapport in opdracht van het ministerie van VWS werden de ‘gehoorzame’ Zuid-Koreanen „feminien”, „collectivistisch” en „minder uitbundig” genoemd, om te onderbouwen waarom de Zuid-Koreaanse corona-aanpak hier niet zou werken. „Minder uitbundig? Dan moet je echt een keer karaoke gaan zingen met een groep Zuid-Koreanen”, snuift Breuker. De twee stellen in hun boek dat „ons onvermogen om Aziatische prestaties serieus te nemen” tijdens de pandemie duizenden levens heeft gekost. „Een goed voorbeeld van de infantiele manier waarop we naar niet-westerse landen kijken”, zegt Wits.
Remco Breuker (links) en Casper Wits.
Het illustreert volgens Wits dat de overheid gericht is „op een wereld die niet meer bestaat”. Zo is op het ministerie van Buitenlandse Zaken één ambtenaar verantwoordelijk voor de politieke relatie met Japan, Zuid-Korea en Mongolië. „Dan kan je niet volhouden dat we de geopolitieke veranderingen van dit moment serieus nemen”, zegt hij. „Het Chinabeleid is een beetje de uitzondering, maar dat vindt plaats in een vacuüm als je tegelijk juist de landen die China het beste kennen als bijzaak beschouwt.”
Om een aantrekkelijker partner te worden, zou Nederland daarom allereerst moeten investeren in structurele contacten met Japan, Taiwan en Zuid-Korea, met taal- en regiokennis. „Waar we ons erg over verbazen is hoe je in godsnaam een diepgravende strategische analyse van landen kunt maken zonder de taal te kennen”, zegt Breuker. „Het gemak waarmee wordt gezegd ‘we doen alles in het Engels’ is een schrikbarend paternalistische, kolonialistische insteek.”
Beschikbare kennis wordt nu bovendien vaak niet benut. „Die ene ambtenaar die we net noemden heeft een tijdelijke functie, en wordt daarna niet ingezet in de regio waarvan die kennis heeft”, zegt Wits. Breuker bezocht na zijn afstuderen een voorlichtingsbijeenkomst van het ‘diplomatenklasje’ van Buitenlandse Zaken. „Daar werd gezegd: als je Japans hebt gestudeerd, is de kans groot dat je naar Zweden gaat. We willen zeker weten dat je niet te nauw betrokken raakt bij de samenleving.”
Wits pleit bovendien voor nauwere samenwerking rond de veiligheid van Taiwan. „Dat is iets waar zowel Zuid-Korea als Japan heel erg mee bezig zijn, en het is ook in ons belang dat we nadenken over hoe we China kunnen afschrikken als het gaat om expansie in de regio.”
„Het wordt nu al akelig, met wat er allemaal in Iran en de Straat van Hormuz is gebeurd”, zegt Breuker. „Maar als er oorlog in Taiwan komt, dan wordt alles wat we hebben onbetaalbaar.”