Deze week zette de Gezondheidsraad een stap die twee decennia geleden ondenkbaar leek. Het advies is niet meer dat één of twee glazen alcohol per dag prima is. In één generatie is de norm omgeslagen: hoe minder, hoe beter. Alcohol is niet per se gevaarlijker geworden, alleen is de wetenschap nu stappen verder.
Vroeger keken onderzoekers vooral naar hart- en vaatziekten. Tegenwoordig is aangetoond dat alcohol het risico op verschillende vormen van kanker verhoogt. De Gezondheidsraad vindt dat we het minder vanzelfsprekend moeten maken: niet elk diner, elke verjaardag en elke zege vieren met een glaasje. We moeten het juist „denormaliseren”.
Maar dit is eigenlijk niet nieuw. Al in 1988 plaatste IARC, het kankeronderzoeksinstituut van de Wereldgezondheidsorganisatie, alcohol in de hoogste categorie kankerverwekkende stoffen, naast tabak en asbest.
De sociale norm ten aanzien van drinken veranderde daarna niet. Integendeel. Over roken bestaat geen discussie meer. Bij een sigaret denken mensen aan longkanker, gele tanden, een pakje met afschrikwekkende foto’s. Bij een glaasje wijn denken we nog steeds aan een terras, een mooi diner, vrienden, gezelligheid, vakantie. Ik ook. Ik houd van wijn. Goede wijn. Een bourgogne, een margaux. Ik word er gelukkig van. Wijngebieden bezoek ik graag. Welk klimaat, welke bodem, welke druif ik precies dronk? Dat soort details vergeet ik deels. Maar de wijn zelf registreer ik in mijn app.
Tot voor kort liet ik mijn dochter (inmiddels dertien) regelmatig aan mijn glas wijn ruiken. Vorig jaar nog, toen we in de Bourgogne waren. Ze deed een stap opzij. Een duidelijk „nee”. „Als ik vijfentwintig ben”, zei ze. Ze wilde haar hersenen zo lang mogelijk maximaal benutten. Ik vond het wat wijsneuzerig en lachte erom.
Na een voorlichtingsles over drank en drugs op school wil ze nu iets met me afspreken. Als ik haar help om tot haar vijfentwintigste geen alcohol te drinken, gaan we samen naar Bordeaux. Dan bezoeken we jouw droomstreek, zei ze, en dan ga ik er niet alleen surfen.
Het is een mooie deal. Ze heeft gelijk. Alles wat je kunt uitstellen, is winst. De hersenen ontwikkelen zich op haar leeftijd nog jarenlang, en alcohol verstoort dat proces.
Tegelijkertijd realiseer ik me dat haar redenering het tegenovergestelde is van die van mijn generatie. In mijn jeugd moest je uitleggen waarom je níét dronk. En ik dacht lang: hoe vanzelfsprekender het is dat ouders drinken, hoe minder spannend en minder aantrekkelijk drank wordt voor onze kinderen. Zelf dronk ik mijn eerste glas met mijn ouders, op vakantie. Na deze inwijding werd een glas wijn op gezette tijden iets vanzelfsprekends. Daardoor heb ik me ook nooit aan comazuipen overgegeven. Dat was mijn overtuiging tenminste.
Maar die redenering gaat niet helemaal op. Mijn dochter wil er niet aan beginnen, terwijl sommige klasgenoten al wodka naar feestjes meesmokkelen. Twee werelden naast elkaar in één klas. De een probeert het uit te stellen, de ander begint er steeds vroeger aan.
Roken verdween ook niet op één dag. Ik maakte mijn ouders nog mee in een oude Renault zonder airco, terwijl zij voorin paften en mijn zusje en ik die rook achterin inademen. Later kwamen de waarschuwingen. Daarna de rookvrije huizen, kantoren en hotelkamers, en uiteindelijk de rookvrije cafés.
Met alcohol gaat het misschien net zo. Ik denk niet dat wijn ooit verboden wordt. Ik zal waarschijnlijk blijven genieten van een mooi glas ‘druivensap’. Maar misschien is het over twintig jaar allemaal anders. Misschien vragen we ons dan af hoe bewezen kankerverwekkende stoffen zo vanzelfsprekend bij gezelligheid konden horen.
Ik hoop dat ik die reis naar Bordeaux over twaalf jaar moet betalen. Niet omdat ze dan eindelijk wijn zal drinken. Wel omdat zij zich aan een belofte aan zichzelf heeft weten te houden. Een belofte die niemand van mijn generatie ooit zou hebben gedaan.
Ik laat haar niet meer ruiken aan een glas.