De Nederlandse transgenderzorg kwam onder een vergrootglas te liggen nadat een aantal andere landen terughoudender was geworden met behandelingen. Maar de zorg in Nederland voor deze doelgroep is ‘zorgvuldig ingericht’, concludeert de Gezondheidsraad.
is chef van de wetenschapsredactie van de Volkskrant.
Tijdrekken en een stapsgewijze aanpak vormen de kern van de zogeheten Dutch Approach, ontwikkeld voor kinderen met een diepe onvrede met het geslacht dat ze toegekend kregen bij de geboorte. In eerste instantie ligt de nadruk op een algemene psychische evaluatie en het in kaart brengen van eventuele andere oorzaken van het onbehagen. In samenspraak met ouders, psychologen en psychiaters kunnen kinderen vervolgens puberteitsremmers krijgen om zo langer na te denken over wat ze willen. Op 15- à 16-jarige leeftijd behoort een behandeling met hormonen van het andere geslacht tot de mogelijkheden.
Lange tijd gold Nederland internationaal als gidsland met die aanpak, maar de afgelopen jaren zwol kritiek aan. Zo groeide het aantal jongeren dat in transitie wil onverklaarbaar snel en lieten soms ook spijtoptanten van zich horen. Ook maken wetenschappers zich zorgen over de effectiviteit en veiligheid van de behandeling. Sommige landen, waaronder Engeland, trapten recentelijk op de rem bij het aanbieden van behandelingen in de transgenderzorg.
De Gezondheidsraad, die de consensus van Nederlandse medici vertolkt, wijst erop dat in Engeland de multidisciplinaire aanpak in de beginfase ontbrak en er onvoldoende aandacht was voor ‘eventuele andere oorzaken van psychisch lijden’.
In Engeland worden puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen inmiddels alleen nog in onderzoeksverband verstrekt. Daarmee, concludeert de raad, lijkt de Engelse aanpak nu pas meer op de Dutch Approach.
De Gezondheidsraad concludeert dat de puberteitsremmers en hormoonbehandelingen ‘doen wat ze moeten doen’ op fysiek vlak. Ook ‘zijn er aanwijzingen voor gunstige mentale effecten’, al kunnen hormoonbehandelingen ongewenste effecten hebben op bijvoorbeeld botgezondheid.
De Gezondheidsraad zegt verder geen definitieve conclusies te kunnen trekken over het aantal personen dat spijt heeft van een behandeling; daarvoor is de uitval tijdens studies te groot en worden deelnemers te kort gevolgd. Ook de langetermijneffecten op cognitie en vruchtbaarheid zijn onvoldoende onderzocht.
Hoewel de raad ervoor pleit hier meer onderzoek naar te doen, wijzen de experts ook op grote methodologische beperkingen. De gouden standaard voor medisch onderzoek is dubbelblind onderzoek met een controlegroep, waarbij zowel behandelaars als ontvangers van de behandeling niet weten wie een placebo krijgt.
Bij transgenderzorg is dit nagenoeg onhaalbaar, bijvoorbeeld omdat jongeren niet in de controlegroep willen. ‘Verder is blindering onmogelijk gezien de evidente fysieke beoogde effecten van hormoonbehandeling.’ De raad wijst erop dat voor veel vraagstukken ‘het bewijs laag is en waarschijnlijk laag zal blijven’.
Dit is volgens de Gezondheidsraad echter geen reden de zorg anders in te richten. ‘Zij maakt daarbij de afweging dat niets doen ook schadelijk kan zijn voor de mentale gezondheid.’
De raad wijst verder op de rol van de maatschappij, waar trans personen nog vaak te maken krijgen met discriminatie en uitsluiting. ‘De mate waarin de samenleving genderdiversiteit accepteert, is mede van invloed op de keuze van jongeren om al dan niet met hormoonbehandelingen te beginnen en op de kans op spijt na behandeling.’
Mogelijk zit hier ook een verklaring voor de groeiende vraag naar transgenderzorg, blijkt uit eerder onderzoek van de Radboud Universiteit uit 2023. Onder kinderen en jongeren is het aantal aanmeldingen voor transgenderzorg in Nederland tussen 2020 en 2022 ruim verdubbeld, van 1.179 naar 2.772. Het debat over de plek van trans personen in de maatschappij ‘polariseert en verhardt’, schrijft de Gezondheidsraad.
Trans personen komen bij de specialististische zorg terecht ‘omdat dit vooralsnog de enige plek is waar kennis, aandacht en zorg voor trans personen structureel aanwezig is. Dit draagt bij aan pathologisering en medicalisering van gendervragen.’
Voorafgaand aan het advies klonk er kritiek op de samenstelling van de commissie. Lodewijk Smeehuizen, hoogleraar privaatrecht aan de VU, wees in het Nederlands Juristenblad op het risico van belangenverstrengeling. ‘De commissie telt twaalf leden, van wie er zes direct of indirect betrokken zijn of waren bij het voorschrijven of toedienen van puberteitsremmers en cross-sekse-hormonen.’
De Gezondheidsraad laat in een reactie weten sterk te hechten aan onafhankelijkheid en meldt dat kandidaat-commissieleden vooraf uitvoerig inzicht moeten geven in mogelijke belangen. ‘De Gezondheidsraad wil zoveel mogelijk een brede kijk op een vraagstelling garanderen en de tegenspraak aan tafel organiseren. Hierbij zal de raad altijd een juist evenwicht moeten vinden tussen voldoende wetenschappelijke kennis, kennis van de (zorg)praktijk en ervaring met het onderwerp, en mogelijke (schijnbare) belangen die experts bij de uitkomst van een advies kunnen hebben.’
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant