De Gezondheidsraad ziet geen reden om hormoonbehandelingen voor tieners die stellen 'transgender' te zijn in Nederland te stoppen, maar dringt wel aan op meer onderzoek naar spijt en het beëindigen van behandelingen. In een nieuw advies concludeert de raad dat de huidige transgenderzorg voor kinderen zorgvuldig is ingericht en dat de behandelingen lichamelijk en op korte termijn ook mentaal doen wat ze moeten doen. Tegelijkertijd is over de langetermijneffecten, vooral op het mentale vlak, nog veel onbekend.
Volgens de Gezondheidsraad krijgen minderjarigen met genderdysforie pas toegang tot medische behandeling na "uitgebreide diagnostiek, psychologische begeleiding en indicatiestelling". Vanaf ongeveer 12 jaar kunnen jongeren starten met puberteitsremmers, die de lichamelijke ontwikkeling stilleggen. Op 15- of 16-jarige leeftijd komen zogeheten cross-sekse-hormonen in beeld. Die hormonen bevorderen een groei zoals iemand van het andere geslacht zou hebben. Operaties aan het lichaam zijn grotendeels voorbehouden aan meerderjarigen, met uitzondering van borstverwijdering vanaf 16 jaar na minimaal een half jaar testosteron.
De raad baseert zich op onder meer 128 wetenschappelijke bronnen en keek specifiek naar zes onderzoeken waarin jongeren die als minderjarige met hormoonbehandeling begonnen, later stopten. In die studies lag het aandeel stoppers tussen de 0 en 3,5 procent en werd geen enkele jongere met gemelde spijt geregistreerd. Toch waarschuwen de experts dat hieruit geen harde conclusies zijn te trekken, omdat de onderzoeken relatief kort liepen, er veel uitval was en niet iedereen zijn twijfels of spijt met zorgverleners deelt.
Belangrijk is volgens de Gezondheidsraad dat stoppen met een behandeling niet automatisch betekent dat er sprake is van spijt. Ze kunnen ook tot de conclusie komen dat hun geboortegeslacht tóch past, wat juist een doel van deze tussenfase is. Over de langetermijngevolgen van tijdelijk gebruik van puberteitsremmers is nog weinig bekend. Daarnaast kunnen bijwerkingen, moeite met het trouw innemen van medicatie, discriminatie of druk vanuit de omgeving een rol spelen. De raad benadrukt dat niets doen volgens hun óók schadelijk kan zijn voor de gezondheid van jongeren met ernstige genderdysforie. Veel voormalig transgenders in de Verenigde Staten met spijt van hun operatie en behandelingen, alsmede hun ouders, melden dat artsen ze onder druk zetten en stelden dat het óf genderbehandeling óf zelfmoord zou zijn.
Internationaal loopt het aandeel jongeren dat afhaakt bij hormoonbehandeling uiteen van 0 tot 8 procent, afhankelijk van land en onderzoeksopzet. Toch zijn buitenlandse cijfers volgens de Gezondheidsraad niet één-op-één te vergelijken met de Nederlandse situatie, omdat zorgsystemen en maatschappelijke context verschillen. Om die reden zijn ook kritische Britse rapporten, zoals de Cass Review en de Tavistock-uitspraak, volgens de raad niet rechtstreeks toepasbaar op de Nederlandse transgenderindustrie.
De vraag naar zorg neemt ondertussen toe: tussen 2020 en 2024 steeg het aantal jongeren dat zich meldde bij ggz-instellingen en universitaire medische centra van 1.179 naar 2.772. Ongeveer 3 procent van de 13- tot 25-jarigen identificeert zich niet, of niet helemaal, met het geboortegeslacht, maar een groot deel van hen wil geen medische behandeling. De Gezondheidsraad pleit daarom, naast meer langetermijnonderzoek, voor bijscholing van huisartsen en reguliere ggz-behandelaars zodat zij twijfels over gender beter kunnen opvangen. Dat moet de druk op gespecialiseerde gendercentra verlagen en voorkomen dat jongeren zelf met online bestelde hormonen gaan experimenteren.
Source: Fok frontpage