Sex Pistols Glen Matlock componeerde bijna alle nummers van ‘Never Mind the Bollocks’ van Sex Pistols, maar dat zeer invloedrijke punkalbum verscheen pas een half jaar na zijn ontslag. In ‘I Was A Teenage Sex Pistol’ kijkt hij terug op een fenomeen.
Concert van de Britse punkband Sex Pistols in Woods Centre (Plymouth) op 22 december 1976. Vlnr Glen Matlock (bas), Johnny Rotten (zang) en Steve Jones (gitaar).
I Was A Teenage Sex Pistol. Regie: Nick Mead, Andre Relis. Met: Glen Matlock, Steve Jones, Wayne Kramer, Billy Idol, Debbie Harry, Clem Burke, Gary Kemp.
Punk wordt vijftig. In 1976 repeteerde de band Sex Pistols in zijn jeugdhonk op Denmark Street en maakte in Londense stripclubs, kelders en kleine zaaltjes de eerste bekeerlingen. EMI tekende de band voor een platencontract, maar voor de rest van de wereld was punk nog vaag gerommel achter de horizon bij het beruchte groepsinterview van twee minuten in de Today Show van 1 december, waar de neerbuigende gastheer Bill Grundy de Pistols uitdaagde „shit” en „what a fucking rotter!” te roepen.
Ongehoord op tv en op termijn het eind van zowel Grundy’s carrière als die van de Sex Pistols. Want al was punk in één klap een fenomeen en haalde de single ‘God Save the Queen’ nummer één, de band kon in 1977 vrijwel nergens in Engeland optreden en voorman Johnny Rotten werd op straat met een scheermes bewerkt. De agressie van de fameus ruzieachtige band richtte zich naar binnen, en begin 1978 viel alles in duigen tijdens een hysterische Amerikaanse tournee. Sex Pistols liet wel één van de invloedrijkste rock-albums aller tijden na: Never Mind the Bollocks.
In documentaire I Was A Teenage Sex Pistol, deze week in de bioscoop, vertellen bezoekers dat de band bij zijn debuut in november 1975 direct impact had: een kwartier lawaai tot iemand de stekker eruit trok op kunstacademie Saint Martins. De sound was simpel, massief en energiek, de attitude nihilistisch, anti-voorman Johnny Rotten stond met groen haar schril snerend over de microfoon gebogen, als de klokkenluider van de Notre-Dame. Er vormde zich subiet een schare fans – het ‘Bromley Contingent’ met de latere sterren Siouxsie Sioux en Billy Idol. Bezoekers knipten hun haar kort en begonnen een eigen band: The Clash, The Damned, Buzzcocks, Joy Division.
De Sex Pistols tijdens EMI-opnames in de Lansdowne Studio’s, Londen, 6 oktober 1976. Vlnr. Glen Matlock, Steve Jones en Johnny Rotten.
Ex-bassist Glen Matlock, die in I Was A Teenage Sex Pistol zijn verhaal doet, benadrukt dat ze een serieuze rockband waren, niet het situationele multimedia-project dat manager Malcom McLaren ervan wilde maken, laat staan een ‘boy band’, zoals de film The Great Rock ’n’ Roll Swindle (1980) beweerde. Het Today Show-interview was ook geen provocatie van McLaren: hij ontvluchtte na afloop asgrauw en bang de studio van Thames Television terwijl de politie daar zwaaiend met knuppels binnenviel, aldus Matlock. Pas een dag later zag McLaren de charme van de ophef en ging hij voor meer.
Zelden veranderde een band in korte tijd zoveel, qua impact doet Sex Pistols nauwelijks onder voor Elvis of The Beatles. I Was A Teenage Sex Pistols ziet dat succes als het toevallig samenkomen van uiteenlopend én vijandig talent: de bluf, stijl en kleding van boetiekhouders McLaren en Vivienne Westwood, de snerende attitude en teksten van Johnny Rotten, de riffs en melodieën van Glen Matlock, de stuwende energie van het motorblok Steve Jones (gitaar) en Paul Cook (drums). Het geheim van de hechte sound van Sex Pistols? We leerden samen onze instrumenten bespelen, aldus Matlock.
Johnny Rotten, zanger van de Sex Pistols, in het kantoor van manager Malcolm McLaren, Londen, november 1976.
Sex Pistols vond exact de juiste toon vor een land dat de zieke man van Europa was, met hoge jeugdwerkloosheid, gierende inflatie, impotente bestuurders en continue stakingen. No future. De chaotische ondergang van de band beleefde Glen Matlock van veilige afstand: hij maakte als bassist in februari 1977 plaats voor Sid Vicious, alias John Simon Ritchie, die nauwelijks een noot kon spelen. Het repertoire van de band was toen al zo’n beetje rond: Matlock is mede-auteur van tien van de twaalf nummers van Never Mind the Bollocks.
Zijn vertrek was een intrige van Rotten en McLaren, die Sid Vicious als een geschiktere ‘poster boy’ voor punk zag. Rotten had een hekel aan Matlock en wilde een bondgenoot binnen de band. Hij beval zijn volgeling Sid Vicious in 1976 een popjournalist met een fietsketting af te rossen en stookte hem later in een urinoir ook op tegen Matlock, aldus I Was A Teenage Sex Pistol. Matlock raakte daar evenwel bevriend met Vicious, die na de implosie van Sex Pistols „met de staart tussen de benen” bij Matlock introk en zelfs met hem optrad in gelegenheidsbandje: Vicious White Kids. Rotten noemde zijn oude makker later „slechts een lege kleerhanger om een lege plek op het podium te vullen.” Matlock klinkt droeviger over zijn lot: Sid Vicious stierf in New York aan een overdosis heroïne na de mogelijke moord op zijn vriendin.
Het ontbrak hem aan woede, denkt Matlock achteraf. Een fijne jeugd, leuke ouders: dat zijn handicaps voor een Sex Pistol. Matlock bekijkt de wereld eerder met geamuseerde verbazing, wat de rest van de band als arrogantie ervoer. In The Filth and the Fury (2000) – Julien Temples terugblik op de Pistols – spugen ze ‘cunt’ en ‘fuck off’ zo snel zijn naam valt. Glen Matlock was soft en braafjes, een kunstacademie-type dat zich te vaak waste, zo klinkt het. Een fan van The Beatles zelfs; een dodelijk verwijt dat Matlock nog altijd kwaad maakt.
Over het voortijdig einde van Sex Pistols treurt Matlock niet. Na één of twee platen gaan bands toch maar ballads maken. „Zie je dat voor je, Johnny Rotten die ‘Angie’ zingt?” En het laatste jaar van de Pistols was een vreugdeloze hellegang. Matlock werd wat hij wilde worden: een professioneel muzikant bij onder anderen Iggy Pop en Blondie. Maar voor I Was A Teenage Sex Pistol is het jammer dat hij de ondergang van de Pistols miste, de film gaat zo een beetje als een nachtkaars uit. The Filth and the Fury blijft voorlopig dé Sex Pistols-documentaire.
Source: NRC