Home

The Declaration of Independence is geen leugen om bestwil

Verenigde Staten In Amerika botste het ideaal van vrijheid en gelijkheid voor allen van meet af aan op de realiteit van onderdrukking en autocratie. Ook nu is het spannend, zegt Sjoerd de Jong, maar tot nu toe won de ongebreidelde machtsdrift niet.

Was het allemaal een leugen, van begin af aan? Geheel in de geest van de Verlichting noteerde de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring het in 1776 zo trots: het was een „evidente waarheid” dat „alle mensen gelijk zijn geschapen”. Dat zou het fundament worden van de jonge Republiek, ontsnapt aan de kroon en kerk van de Britse monarchie.

En nu, anno 2026 beleven we een kooigevecht met vrij-worstelaars in de tuin van het Witte Huis, voor de verjaardag van een president die droomt dat hij een Zonnekoning is. Een crypto-miljardair die van corruptie en klatergoud zijn handelsmerk heeft gemaakt – een middelvinger naar alle ‘hogere’ idealen die de Founding Fathers ooit koesterden.

Ook dát is heel Amerikaans. Je kunt de megalomanie die Washington nu beheerst – de protserige balzaal, de vunzige AI-filmpjes over politieke opponenten – afdoen als een oprisping van the Great American Berserk (Philip Roth), de losgeslagen gekte die het land periodiek in zijn greep krijgt. Heksenprocessen, extatische religiositeit, communistenjacht, en nu een president die over de wereld banjert alsof het zijn privé-golfclub is – het zijn er voorbeelden van. Alles groot, vulgair en luidruchtig, zoals Europese Amerika-sceptici vonden, van Johan Huizinga tot Menno ter Braak (Amerika is „ons slechter Ik”).

Sjoerd de Jong is redacteur van NRC.

Maar de collectieve gekte is ook onderdeel van een veel langere strijd in het land om macht en de definitie van vrijheid. In dat licht bezien is de burleske bully in het Witte Huis geen aberratie maar de extreme belichaming van een paradox inherent aan het Amerikaanse experiment, dat behalve in de verkondiging van ‘universele rechten’ ook altijd gedrenkt is geweest in verovering, machtsdrift en geweld.

Die paradox begon al in 1776. Al die mensen die van nature gelijk zijn, die hebben het „onvervreemdbare” recht op leven, vrijheid en „het streven naar geluk”, aldus de roemruchte Verklaring waarmee de Britse kolonies zich afscheidden. Dat waren „evidente waarheden”. Het was een waarachtig revolutionaire beginselverklaring toen Europa nog in de greep was van feodaliteit. De Franse Revolutie en de slavenopstand op Haïti lieten nog jaren op zich wachten. In Rusland zuchtten nog ruim vijftig miljoen mensen onder het juk van horigheid. En dan stond hier een natie op die brutaal verklaarde dat zulke hiërarchie in strijd was met natuurlijke rechten van ieder mens.

Duistere kant van optimisme

Nou, men dus. Vrouwen hadden die rechten ook – maar stemmen mochten ze niet. En zwarte mensen? Thomas Jefferson, eerste auteur van de Verklaring, hield op zijn landgoed in Virginia honderden slaven (hij liet er bij leven twee vrij). Ook andere Founding Fathers waren slavenhouders (niet allemaal, John Adams uit Massachusetts was een felle tegenstander van slavernij en er waren er meer) en met hun bezit moest rekening worden gehouden. De Amerikaanse Grondwet (1787) zei dan ook niets over slavernij. Wel telden slaven voor drie vijfde mee in de volkstelling die het aantal afgevaardigden bepaalde in het nieuwe Huis van Afgevaardigden – om de zuidelijke slavenstaten mee te krijgen. De stille hoop van de grondleggers was dat slavernij met de loop der jaren zou verdwijnen. Dat gebeurde niet. Er bleek een Burgeroorlog voor nodig, met 600.000 tot 700.000 dode Amerikanen.

En dan de oorspronkelijke bevolking van het continent, de „indianen”. Die kwam wel voor in de Grondwet – maar alleen om het Congres de bevoegdheid te geven betrekkingen te onderhouden met volken die door het Hooggerechtshof werden bestempeld als „binnenlandse afhankelijke naties”. Nog een paradox: eigen „naties”, dus géén onderdeel van de Verenigde Staten, maar wel „afhankelijk” van de Republiek die hun land kocht of annexeerde in etnische zuivering en genocide.

Zo werd Amerika geboren uit frictie tussen een droom en dadendrang. In How the South Won the Civil War (2020), haar dwarse blik op de geschiedenis van het land, beschrijft historicus Heather Cox Richardson hoe het ideaal van vrijheid en gelijkheid van meet af schuurde met de realiteit van autocratie en onderdrukking.

Aandacht voor die keerzijde van het ‘jeugdige, optimistische’ Amerika is in de decennia na de desillusies van Vietnam en Watergate gemeengoed geworden in geschiedschrijving in woke activisme, aan universiteiten en in Hollywood. Zozeer zelfs dat het soms lijkt of de Amerikaanse geschiedenis alléén zwarte bladzijden kent en het hele experiment verpletterd ligt onder erfzondes. De backlash daartegen giert nu door de straten van Washington. Afkeer van flagellantisme over historisch onrecht is een ronkende motor geworden achter de MAGA-beweging, maar is ook te vinden onder minder militante Amerikanen die zich vastklampen aan de egalitaire belofte van het land – dat iedereen er vooruit kan komen, als je de zwarte bladzijde maar omslaat.

Het huidige Amerika knarst en kreunt niet alleen door de botsing van mooie historische woorden en harde feiten. De spanning tussen macht en vrijheid doortrekt de staatsinrichting. Amerika is een republiek, met een verfijnd vangnet van constitutionele check and balances dat niet alleen moet beschermen tegen een nieuwe koning, maar ook tegen een populistische tirannie van de meerderheid, al dan niet gemobiliseerd door diezelfde aspirant-koning. De Amerikaanse Revolutie, aldus de historicus Bernard Bailyn, was in de eerste plaats een politieke revolutie van kolonisten die zich wilden bevrijden van het bemoeizieke moederland, en bracht niet zoals de Franse en Russische ook een sociale en economische omwenteling. Met de territoriale expansie van de negentiende eeuw en de opkomst van een sterke centrale overheid in de twintigste (niet de oplossing maar „het probleem”, aldus Ronald Reagan) was dat het recept voor sociale strijd en spanningen.

Niet gelijk geschapen

Voor antiracisten is dat reden genoeg om de geboorteakte uit 1776, met die mooie woorden over gelijkheid, een „leugen” te noemen. Het échte begin van Amerika, schrijven de auteurs van het 1619 Project van The New York Times, was niet die Verklaring, maar was de aanvoer (op een Nederlands schip) van de eerste slaven naar de kolonie Virginia in 1619. Wrang is dat wel: juist slavenhouders hoonden al over die regels in de Onafhankelijkheidsverklaring. Natúúrlijk waren niet alle mensen gelijk geschapen, dat kon iedereen toch zien. Het is een refrein dat nu opnieuw uit volle borst klinkt in extreemrechtse kringen, waar ook het aloude biologisch racisme is herontdekt.

Het is makkelijk cynisch te worden van zoveel ontnuchtering. Toch is er nog altijd dat andere Amerika, dat tegen de klippen op blijft beitelen en schaven aan de democratische belofte van het land. Dat van Abraham Lincoln, die afrekende met de slavenhouders en op het aambeeld van de Burgeroorlog een nieuwe natie smeedde. Of dat van Teddy Roosevelt, een overtuigde kapitalist die niettemin de monopolies brak van de grootindustriële tycoons. Of dat van zijn achterneef Franklin Delano Roosevelt, die (witte) Amerikanen met vergaande overheidsinterventies een New Deal bracht die de beloftes uit de Onafhankelijkheidsverklaring nieuw leven moest inblazen. En dat van Martin Luther King en jaren later van Barack Obama, die wereldwijd de verbeelding over het land als een uniek project wisten te prikkelen.

Maar Amerika, de Gunfighter Nation, is geen Amerika zonder geweld. Lincoln en King (en twee Kennedy’s) werden vermoord door vigilantes die het recht in eigen hand namen. Geloof in geweld als hét middel om door te breken naar de toekomst is óók een lange Amerikaanse traditie. Onder Lincolns opvolger Andrew Johnson, een sympathisant van de slavenstaten, strandde de sociale en politieke hervorming van het Zuiden, ondanks latere pogingen van de federale overheid. Met racistische ‘Jim Crow’-wetten (bewonderd door Adolf Hitler, bezig met zin eigen beweging) en terreur werd de zwarte bevolking in het Zuiden opnieuw onder het juk gebracht. Het duurde tot de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw voor segregatie door het Hooggerechtshof ongrondwettig werd verklaard en president Lyndon Johnson het stemrecht van zwarte Amerikanen steviger verankerde.

Nu beleven we een nieuwe crisis, met een president die als geen ander vóór hem keizerlijke ambities heeft en haat en verdeeldheid zaait. Een politieke roofridder die brute machtsdrift ziet als ‘patriottisme’, briest dat migranten uit shithole countries het bloed van de natie „vergiftigen”, en critici vervolgt als vijanden die moeten worden vernietigd.

Tal van oude reflexen keren terug, met venijn. Door gerrymandering, het opportunistisch manipuleren van kiesdistricten, wordt de stem van zwarte Amerikanen opnieuw beknot. De zelfbeschikking van de gemarginalsieerde native Americans staat weer onder druk, nu van de honger naar drill, baby, drill. Per decreet wordt alles bij de overheid, in scholen en aan universiteiten uitgebannen wat riekt naar woke – een begrip dat tot knappen toe is opgeblazen tot een synoniem voor elke kritiek op de macht. De persoonlijkheidscultus rond de president is tot groteske proporties opgestuwd. Inmiddels gaat de oligarchische machtsgreep in Washington niet alleen ten koste van minderheden, maar ook van de massa’s met rode pet die tot twee keer toe hun geliefde, met draaiende handjes dansende slangenolie-verkoper – ook een Amerikaans archetype – het Witte Huis in juichten.

Nativisme en romantiek

En 1776? Steen des aanstoots voor het conservatieve cabal achter de makelaar-president is ook de notie dat Amerika gebouwd zou zijn op een idee, vervat in die Onafhankelijkheidsverklaring. Hoezo? Amerika, sneert de tweemaal bekeerde JD Vance (eerst tot het trumpisme, toen tot het katholicisme), is helemaal geen idee, maar ‘gewoon’ een concreet land – van en voor de kolonisten en hun nazaten. Nativisme en de romantiek van het ‘eigen volk’ hebben bij hem het rationalisme van de verlichting allang van de troon gestoten. Lincoln, met zijn „more perfect Union”, wordt in zijn radicaal-rechtse kring beschimpt als dictator (net als FDR), huichelaar of zelfs oorlogsmisdadiger – en uiteraard ging de Burgeroorlog niet over slavernij maar om ‘zelfbeschikking van de staten’. Alsof dat was waarom de abolitionist Charles Sumner in 1856 in de vergaderzaal van de Senaat halfdood werd geslagen door een zuidelijke collega.

Is er hoop voor Amerika, het land waar dominees én politici dat woord bijna dagelijks in de mond nemen? Minder dan de helft van de Amerikanen gelooft inmiddels dat the American Dream, de belofte van persoonlijke lotsverbetering, voor iedereen die zijn best doet bereikbaar is. Maar, typisch, ruim twee derde gelooft nog wel dat die droom voor hen zélf opgaat. De verwachting dat het morgen beter kan worden dan vandaag, zit per slot van rekening in het dna van het land. Obama herhaalde het onlangs nog eens bij de opening van zijn presidentiële community center in Chicago: voor koningen is hier geen plaats. Ofwel, zoals Lincoln in 1863 op het slagveld van Gettysburg zei: het Amerikaanse experiment is dat van een regering „van het volk, door het volk en voor het volk”.

Het lijkt nu een ongewisse belofte – tegen de klippen op. Toch, als die 250 jaar iets laten zien, is het dat die strijd tussen daad en droom, tussen geweld en gemeenschap, autocratie en democratie, nooit definitief is uitgevallen in het voordeel van het eerste, al was het vaak op het nippertje. Wie weet vergaat het de huidige aanval op het idee van Amerika net als de zwembadblauwe bodem die de kind-president heeft laten leggen in de vijver bij het Lincoln Memorial, de plek waar King ooit zijn droom verkondigde. Tot genoegen van veel Amerikanen, die zien dat hun wannabe keizer écht geen kleren draagt, brokkelde die blauwe laag binnen dagen zienderogen af en verkruimelde tot stukken – de originele bodem is alweer zichtbaar.

Source: NRC

Previous

Next