Home

Drie verdreven Syrische archeologen vonden hun plek in Leiden

Archeologie Drie gevluchte Syrische archeologen werken nu bij het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden. Daar catalogiseren ze Mesopotamische vondsten uit hun vaderland.

Zeinab Ballouk (links), Nour Shoukear en Karam Abboud in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

‘Veel mensen denken bij Mesopotamië alleen aan Irak, zonder dat ze een idee hebben van de geschiedenis van Syrië”, zegt archeologe Nour Shoukear. In het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden houdt ze zich met twee andere gevluchte Syrische archeologen bezig met het Mesopotamische verleden van Syrië. Gedrieën beschrijven ze de vondsten van Nederlandse opgravingen in Syrië uit de jaren zeventig in de collectie van het museum.

„Ze werkten al als vrijwilligers bij ons”, vertelt David Kertai, conservator Oude Midden-Oosten en begeleider van het drietal. „Uit de jaarlijkse steun van de VriendenLoterij reserveerde het museum een deel voor de tijdelijke aanstelling van één archeoloog, om de vondsten die al die jaren onuitgepakt in het depot hebben gestaan in de collectie in te voeren. Die baan hebben we over hen drieën verdeeld.”

Op hun werkplek op de derde verdieping van het museumdepot aan de Raamsteeg vertellen Shoukear, Zeinab Ballouk en Karam Abboud over hun achtergrond, hun werk en toekomstdromen. Later op deze regenachtige dag zullen ze ook nog een ontmoeting hebben met enkele Nederlandse archeologen die betrokken waren bij de opgravingen waarvan zij de vondsten door hun handen hebben laten gaan.

Alle drie hebben ze in Damascus gestudeerd. „Archeologie kun je in Syrië maar op vier plekken studeren”, vertelt de 31-jarige Abboud. Hij komt uit Salhab, zo’n 200 kilometer ten noorden van de hoofdstad. In zijn jeugd ging hij bijna elk jaar op schoolreis naar Palmyra. „Voor mij en mijn vrienden waren de buitenlandse toeristen de echte attractie. Met hun grote camera’s en de vrouwen achter het stuur.” Zijn vrienden waren dat niet gewend, hij wel. „Mijn moeder, een sterke vrouw, reed al wel zelf auto – als eerste vrouw in onze stad.”

Shoukear, met 37 de oudste van de drie, ging archeologie studeren omdat ze gegrepen was door de periode van de Romeinse tijd tot de Middeleeuwen, met name de architectuur van de Laat-Romeinse en Byzantijnse kerken in haar geboortestad As-Suwayda, in het zuiden van het land. Ballouk (32), geboren en getogen in Damascus, is bij wijze van spreken opgegroeid met archeologie. „Mijn grootvader was historicus en archeoloog. Als kind nam hij me mee naar allerlei opgravingen.”

Ze studeerden alle drie nog, toen de burgeroorlog in 2011 losbarstte. „Studeren ging nog wel”, vertelt Abboud, die zich in het Oude Nabije Oosten specialiseerde. „Maar archeologische vindplaatsen bezoeken was niet meer mogelijk.”

Na een oproep voor militaire dienst liet hij zijn land en familie achter en vertrok hij naar Libanon. „Daar heb ik mijn masterdiploma gehaald.” Maar na de explosie in de haven van Beiroet in 2020 voelde hij zich ook daar niet meer veilig.

Objecten van het Rijksmuseum van Oudheden die door de Syrische archeologen zijn bestudeerd.

Over hoe hij naar Nederland is gekomen zegt hij alleen dat de tocht erger was dan de oorlog in Syrië.

Ballouk en Shoukear vertrokken in 2019 naar Hongarije, om aan de Pázmány Péter Katholieke Universiteit in Boedapest een master te doen. De Hongaarse universiteit had vanouds banden met Syrië en deed er ook opgravingen. Meerdere Syrische studenten gingen in Boedapest studeren, vertelt Ballouk. De situatie in Syrië had ook met haar vertrek te maken, voegt ze er aan toe zonder in details te willen treden. Dat geldt ook voor Shoukear, die al eerder haar bachelor had gehaald.

In Boedapest haalden beiden hun masterdiploma. Ballouk, cum laude afgestudeerd, begon zelfs een promotieonderzoek. „Naar de begravingen in het kruisvaarderskasteel El-Marqab.” Maar toen ze als moslima met een hoofddoek steeds meer met agressie te maken kreeg besloot ze weer te vertrekken. Ook Shoukear liet Hongarije achter zich. Intussen hadden ze zoveel over de Europese geschiedenis geleerd dat beiden bewust voor Nederland kozen. „Voor veiligheid”, zegt Shoukear.

De drie Syriërs willen dolgraag verder in de archeologie. Dat zal hen ook zeker lukken, benadrukken ze. Bijvoorbeeld door te promoveren. Maar eenmaal in Nederland merkten ze ook dat ze als statushouders helemaal onderaan moesten beginnen. „Met mijn uiterlijk en omdat ik uit het Midden-Oosten kom word ik in eerste instantie als archeoloog niet serieus genomen”, vertelt Abboud over zijn ervaringen. Shoukear heeft meermaals bij Nederlandse opgravingsbedrijven gesolliciteerd. „Ze zeggen dat ik te weinig ervaring heb. En als ik dan zeg dat ik in Syrië volop aan opgravingen heb meegedaan, zeggen ze dat ik te weinig ervaring in Nederland heb.” Ze zijn blij dat het RMO hun nu wel een kans heeft gegeven, al is het maar tijdelijk.

De vondsten die ze beschrijven en invoeren zijn afkomstig van twee opgravingen, Jebel Aruda en Selenkahiye. Ze waren een gevolg van de bouw van de Tabqadam in de Eufraat. De dam, 40 kilometer ten westen van Raqqa, is tussen 1968 en 1973 gebouwd voor de energievoorziening van het noorden van Syrië. Hierdoor zijn verschillende archeologische vindplaatsen onder water komen te staan. Vóór het vollopen van wat nu het enorme Eufraatmeer is hebben Syrische en internationale archeologen veel van die vindplaatsen opgegraven.

Nour Shoukear, Karam Abboud en Zeinab Ballouk.

Bij Jebel Aruda hebben archeologen van de Universiteit Leiden een tempelcomplex en woonhuizen van de uit Irak bekende Uruk-cultuur blootgelegd. De nederzetting dateerde uit de periode 3400-3000 voor Christus. Bij Selenkahiye vonden archeologen van de Universiteit van Amsterdam een nederzetting uit de periode 2400-1900 v.Chr.

Als dank gaf Syrië de Nederlandse archeologen vondsten mee. Een deel van de vondsten van Selenkahiye, onder andere 295 aardewerken offerfiguurtjes, is in Leiden terecht gekomen. „De Leidse archeoloog was een expert in deze figuurtjes”, legt Kertai uit. „Maar we gaan ze overdragen aan het Allard Pierson, waar de andere vondsten van de opgraving zijn.”

Ballouk laat enkele menselijke en dierlijke figuurtjes zien. Bijna allemaal in fragmenten. „Ze zijn met opzet gebroken”, legt ze uit.

Shoukear toont trots de rij dozen met vondsten die ze al hebben verwerkt. Daarbij kwamen ze wonderlijke verpakkingen tegen. „Sommige vondsten zaten in filmkokertjes.” Abboud houdt blij een ander voorbeeld omhoog, een Marlboro-doosje. „Thuis heb ik er zelf ook één als relikwie.” Vijf houten kistjes met Chinese karakters vertellen dat Syrië indertijd door verschillende communistische landen werd gesteund. „Dit soort dingen bewaren we, want die zijn ook een vorm van archeologie”, zegt Kertai. „Alleen het Syrische wc-papier waarin objecten waren gewikkeld hebben we weggegooid.”

Na de lunch is er nog even tijd om in het RMO hun bijdrage aan een kleine tentoonstelling over Palmyra te tonen. Op drie panelen legt ieder van hen uit wat de historische handelsstad voor hem of haar betekent. Abboud denkt dan aan het theater, waar IS in 2015 de hoofdarcheoloog Khaled el-Asaad heeft onthoofd omdat hij niet wilde vertellen waar de belangrijkste kunstschatten van Palmyra waren verborgen. Hij ziet het theater vooral als een symbool dat kunst en identiteit stand kunnen houden hoe vaak ook de stenen verbrijzeld worden. Zeinab Ballouk associeert Palmyra met koningin Zenobia, die ten strijde trok tegen het Romeinse Rijk. „Mijn voornaam lijkt op die van haar.” Van Zenobia heeft ze geleerd dat een Syrische vrouw in een door mannen gedomineerde maatschappij conventies moet doorbreken en haar eigen visie op de samenleving moet uitdragen. Shoukear heeft Palmyra nooit bezocht. Toch kent ze door foto’s de stad goed. In haar jeugd beschouwde ze Palmyra als een plaats van mythe en magie. Sinds de oorlog is het echter ook een stad van angst en vernietiging. „Beide aspecten samen maken de herinnering complex, menselijk en onvergetelijk.”

Tijdens de ontmoeting met de Nederlandse archeologen komen verrassende zaken aan de orde die te maken hebben met de vondsten die de Syriërs hebben beschreven. Zo vertelt een van de opgravers van Selenkahiye dat ze een aardewerken paardje hadden gevonden. Een zeer bijzondere vondst omdat hij uit de tijd van de domesticatie van het paard stamde. De vondst kon echter nooit bekend gemaakt worden, omdat het paardje op de opgraving door een student gestolen is.

This aerial view shows the 2nd-century Roman amphitheatre and the Great Colonnade (Decumanus Maximus) at the ancient ruins of Palmyra in central Syria on February 7, 2025. Palmyra is one of six Syrian sites listed on the UNESCO elite list of world heritage and all of them sustained some level of damage through out the 13-year civil war. During their occupation of the site from 2015, Islamic State (IS) group jihadists reduced several temples, columns, and other treasures to heaps of stone in the ancient city which archaeologists fear will never be fully restored to its former glory. (Photo by Omar HAJ KADOUR / AFP)

De bijeenkomst wordt afgesloten met vragen voor de Nederlandse archeologen die de drie Syriërs elk apart hebben voorbereid. Shoukear wil weten of de archeologen aan de opgravingen vriendschappen met Syriërs hebben overgehouden. Zeker, reageert een jongere archeologe die in 2008 in Syrië heeft gegraven. „Ik correspondeer nog steeds met de dochter van de overheidsinspecteur bij de opgraving.” Die dochter woont nu wel in Istanboel. Een van de oudere archeologen vertelt dat hij lang contact heeft gehouden met een bewaker van zijn opgraving. „Maar dat hield op toen IS de macht greep. Toen leek het me niet veilig. Ik heb ook niks meer van hem gehoord.”

Hebben ze zelf iets ondernomen tegen de handel in illegaal opgegraven oudheden uit Syrië, wil Abboud weten. Hij vertelt het niet zelf, maar een van hen wordt door de douane erbij geroepen als ze denken iets illegaals aangetroffen te hebben. Een andere archeoloog valt het op dat bij de oudheden die uit Syrië worden gesmokkeld veel vervalsingen zitten. „Dat hoor ik ook van mijn contacten”, reageert Abboud. „Het verhaal gaat ook dat de oudheden die IS op sociale media kapotmaakte vervalsingen waren en dat de echte werken naar landen als Saoedi-Arabië zijn verkocht.”

Tot slot vraagt Ballouk met welke verwachtingen en vooroordelen ze indertijd naar Syrië zijn gekomen. Die waren romantisch, vertelt een vroegere opgravingstekenaar. Een ander wist al dat hem geen elektriciteit en stromend water te wachten stonden. Liever hebben ze het allen over hoe bijzonder ze het leven met de Syriërs hebben gevonden: de trouwerijen waar mannen en vrouwen door elkaar dansten, het leven in dezelfde soort lemen huizen als die ze opgroeven en de zelfredzaamheid van de mensen op het platteland.

Na afloop zijn de Syriërs enthousiast. Ballouk: „Ik wil verder met hen praten, over hoe het vroeger was.”

De kleine tentoonstelling Herinneringen aan Palmyra maakt deel uit van de twaalf-in-één-tentoonstelling Galleria, die t/m 1 november in het Rijksmuseum van Oudheden is te zien.

Portretten uit graftombes en beeldjes uit een opgraving langs de Eufraat.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next