Wat vieren we eigenlijk op Keti Koti, als de economische structuren die slavernij mogelijk maakten zich hebben voortgezet in nieuwe vormen, vraagt Wouter van Tongeren zich af.
Vandaag is het Keti Koti. De dag waarop we de afschaffing van de slavernij herdenken en vieren. De dag waarop Nederland erkent dat het een misdaad heeft begaan die generaties heeft getekend. Die erkenning is ontzettend belangrijk, maar ze is ook onvolledig, zolang we niet onder ogen zien wat er sindsdien is doorgegaan.
Want er is iets dat we niet hardop zeggen op deze dag: hedendaagse armoede is geen natuurlijk proces. Het is de uitkomst van een economie die is gebouwd om waarde te laten stromen van arm naar rijk, van het mondiale Zuiden naar het mondiale Noorden.
Over de auteur
Wouter van Tongeren volgt de studie International Development Management aan de Hogeschool Van Hall Larenstein.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Ik zat het afgelopen jaar aan tafel met Kamerleden en beleidsmakers die spraken over het ontwikkelingssamenwerkingsbudget. Over hoeveel we geven, en of we dat wel kunnen permitteren. Ik zat erbij en dacht: we stellen de verkeerde vraag. Want het gaat niet over de vishengel, het gaat over wie het meer leegvist.
Toen na de Tweede Wereldoorlog de formele koloniale machten uiteenvielen, had het Westen een verklaringsprobleem. Waarom waren sommige landen rijk en andere arm? Het échte antwoord was eeuwenlang kolonialisme, maar het antwoord dat dominant werd, was geruststellend en gevaarlijk tegelijk: armoede en honger zijn een natuurlijke toestand, een achterstand die met de juiste westerse hulp kan worden ingelopen. Geef ze geen vis, maar een vishengel.
Het is een mooi beeld, maar het stelt de verkeerde vragen. Wie steelt de vis? Wie is eigenaar van het meer? Wie vervuilt het water? En wie heeft bepaald wat er überhaupt gevangen mag worden?
Na de koloniale periode is er wel écht iets veranderd. Landen werden formeel onafhankelijk, ontwikkelingssamenwerking kwam op gang, internationale instellingen werden opgericht en schulden werden verlicht. Maar al deze veranderingen vonden plaats binnen een systeem dat we hebben geërfd, en waarvan we de structuren niet wilden bevragen. Ze hielden de fundamentele economische verhoudingen tussen Noord en Zuid intact, omdat een eerlijker alternatief politiek niet haalbaar bleek.
We hebben daarmee gekozen voor vishengels in plaats van eigenaarschap van het meer. Voor hulp in plaats van eerlijke handel, voor handelsakkoorden die ‘wederzijds’ heten, maar asymmetrisch uitpakken, en voor schuldverlichting in plaats van kwijtschelding van schulden die onder dwang zijn aangegaan.
Neem cacao. Van elke euro die een consument uitgeeft aan een reep chocolade, ontvangt de boer in West-Afrika 7 cent, omdat de spelregels van de wereldhandel — tariefstructuren, toegang tot verwerkingscapaciteit en marktmacht van een handvol multinationals — ervoor zorgen dat de waarde die ontstaat bij de verwerking structureel in het Noorden blijft. De 7 cent is niet de uitkomst van een vrije markt, maar de uitkomst van structuren die al decennia rusten op ongelijke ruil tussen het Noorden en het Zuiden.
Of Zambia, dat in 2021 meer besteedde aan aflossing van buitenlandse schulden dan aan gezondheidszorg, onderwijs en watervoorziening voor zijn hele bevolking. Schulden die zijn aangegaan onder druk van internationale instellingen, met hervormingen als voorwaarde die de economie openbraken ten gunste van buitenlandse investeerders. De vishengel werd gegeven, maar de vangst ging elders naartoe.
De nettostroom van waarde die zo richting het Noorden vloeit, is nog steeds tientallen keren groter dan wat wij terugsturen in de vorm van ontwikkelingssamenwerking. We sturen met één hand een vishengel. Met de andere hand legen we het meer. En toch blijft het debat steken bij hoeveel we geven. Maar de vraag moet zijn hoeveel we nemen, en welke keuzes we blijven maken om dat niet te hoeven veranderen.
Echte ontwikkeling begint daarom niet met een grotere zak geld of een betere vishengel. Ze begint met de vraag wie eigenaar is van het meer, en met de bereidheid de spelregels te herschrijven die nu bepalen wie wint en verliest.
Op Keti Koti vieren we dat ketenen werden doorgeknipt. Maar zolang de economische structuren die slavernij mogelijk maakten voortleven in nieuwe vormen, is die viering ook een spiegel. Een spiegel die ons vraagt: wat vieren we eigenlijk? De afschaffing van een misdaad of het einde van een systeem?
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant