Home

Een buurman merkte altijd op dat de zomervakantie pas echt was begonnen als ons bakkie in de straat stond

is columnist voor de Volkskrant

Ik kampeer niet meer, en ik weet niet of ik dat jammer of prettig vind. Kamperen is een van die bezigheden in het leven waarin de hemel en de hel elkaar bijna een hand kunnen geven, een plek waar intens plezier en intens ongemak altijd samenkomen.

Het ene moment sta je je tanden te poetsen in het gras terwijl je uitkijkt over een Zwitserse Milka-berg en voel je je schier onoverwinnelijk; even later lig je ’s nachts op precies dezelfde plek in het gras in de hitte op een leeggelopen matje omdat de temperatuur in de tent is opgelopen tot onmenselijke hoogten, terwijl je in het wc-huisje naast je iemand hoort plassen.

Het bestaat allemaal naast elkaar in de kampeerwereld. Dus ik weet niet of ik het mis. Ik kampeer niet meer, omdat ik ben gescheiden en vanwege de opwarming van de aarde. Die opwarming kwam eerst, waardoor het in de zomer te warm en te ongemakkelijk werd om in een tent te vertoeven. De scheiding kwam erna (geen causaal verband), dus nu heb ik ook geen man meer met een auto en een rijbewijs die mij, als ik eventueel toch zou willen kamperen, zou kunnen vervoeren.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Wat ik sowieso heel jammer vind, is dat het bakkie niet meer in mijn leven is. Het bakkie was een beige metalen aanhangwagentje uit de DDR-tijd (dat wist ik, want er zat een DDR-achtige sticker op). Wij kochten het ooit via Marktplaats. Een paar dagen voordat we op kampeervakantie vertrokken, haalden we het bakkie uit zijn berging en begonnen we het vol te gooien met badhanddoeken, tenten, spelletjes, badmintonrackets en jeu-de-boulessets. Een buurman merkte altijd op dat de zomervakantie pas echt was begonnen als het bakkie in de straat stond.

Het goeie aan het bakkie was dat er eindeloos veel dingen in konden. En als we eenmaal kampeerden, functioneerde het ook nog eens als aanrecht, als je het niet erg vond om te kokkerellen op een oppervlakte die net langs alle snelwegen en gore tankstations van Zuid-Europa was gegaan.

Ik stootte me ongeveer negentig keer per vakantie aan de haak die aan het bakkie zat, waarmee je hem aan de trekhaak van de auto koppelde. Het bakkie zorgde er ook voor dat we menige berg amper op kwamen en allerlei haarspeldbochten moeilijk konden nemen. Het vormde een onafscheidelijk duo met Meneer de Walvis, onze auto uit die tijd, en ze staan samen op de foto’s uit alle zomervakanties, vaak met een peuter boven op het bakkie, even bij een tussenstop.

Ik weet niet eens waar het bakkie nu is. Ik denk in zijn berging. Ja, dat bakkie, dat mis ik wel.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next