De lichting van 2026 van de Nederlandse Filmacademie kreeg de opdracht om het ook eens verkeerd te doen. Dat heeft in veel gevallen tot een geslaagd resultaat geleid, van spannende thrillers tot ontroerende documentaires. De Volkskrant licht er drie uit.
schrijft voor de Volkskrant over film.
De lichting van 2026 van de Nederlandse Filmacademie kreeg de opdracht om het ook eens verkeerd te doen. Dat heeft in veel gevallen tot een geslaagd resultaat geleid, van spannende thrillers tot ontroerende documentaires. De Volkskrant licht er drie uit.
schrijft voor de Volkskrant over film.
Film, publiek en de manieren waarop verhalen worden verteld veranderen voortdurend, zegt de Noors-Nederlandse Filmacademiedirecteur Tzara Tristana aan het begin van de dag waarop de Filmacademielichting van 2026 hun afstudeerfilms voor het eerst aan de wereld laat zien. Het is aan haar academie én aan de film- en tv-industrie waarin haar studenten belanden om ‘niet te reproduceren wat er is’, maar om ‘nieuwe stemmen van nieuwe makers met nieuwe ideeën en perspectieven ruim baan te geven’.
Dat gaat niet vanzelf. Tristana, aangesteld in de zomer van 2024, vertelde vorig jaar in Het Parool dat ze daarvoor op de Filmacademie een cultuurverandering beoogt: daar werden filmstudenten in haar ogen wel wat veel op hun werk tíjdens de opleiding beoordeeld. Ze zag makers in spe die in de schoolbanken leren om netjes binnen de lijntjes te kleuren, terwijl het ontwikkelingsproces van de studenten leidend zou moeten zijn, zoals dat ging tijdens haar vorige baan als hoofd fictieregie aan Den Danske Filmskole in Kopenhagen.
Onder haar leiding hoeft het ook in Amsterdam niet meteen goed. Integendeel, vergissingen zijn er welkom en zouden zelfs moeten worden gekoesterd. Concreet: ‘We zijn er niet om briljante films af te leveren, maar om briljante filmmakers op te leiden.’
Zo’n cultuurverandering kost uiteraard tijd. Kijken naar de vijf korte documentaires, vijf korte fictiefilms en één animatiefilm van de 79 studenten in tien verschillende afstudeerrichtingen (productie, documentaire- en fictieregie, scenario, camera, visual effects, immersieve media, montage, productiedesign en geluiddesign) mag zodoende meer dan voorheen worden opgevat als een zoektocht naar potentieel. Ook u kunt op ontdekkingstocht: tot en met 5 juli zijn de afstudeerfilms te zien op het Keep an Eye Festival in Eye in Amsterdam.
Veelbelovend is in elk geval de wijze waarop enkele documentairemakers het vertrouwen van hun hoofdpersonages wisten te winnen. Zie hoe ze op hun gemak zijn terwijl ze hun vaak persoonlijke verhaal vertellen, die wat zonderlinge bergbeklimmer in Dina van der Meers The Dream, of de drie ouderen onderweg naar palliatieve zorg op hun laatste reis naar het hospice, in Joost Frijters’ diep ontroerende Voor we gaan.
Ook de zelfspot van Randy Duursma in De grote zoektocht naar de tandenfee smaakt naar meer. De regisseur vraagt zich af of hij zijn verbrokkelde geloof in de tandenfee misschien kan herstellen nu hij worstelt met zijn laatste stappen naar volwassenwording en, zeker als filmer, een onzekere toekomst tegemoetgaat. Leuk en slim hoe Duursma zichzelf voor de camera als een veredeld typetje afficheert, met dat ogenschijnlijk aan zijn hoofd gelijmde vissershoedje.
De fictiefilmers tonen ambitie door zelfbewuste lagen aan hun vertelling toe te voegen. In Last Day of Season toont Andreea Ilinca hoe een Roemeense arbeidsmigrant in de Nederlandse kassenbouw niet alleen worstelt met haar baas en haar vader, die nog in Roemenië woont, maar ook met de documentaireploeg, die haar voor de camera in een expliciete slachtofferrol wil duwen.
Ook genre wordt omarmd. Zie de zotte, qua decors buitengewoon ambitieus opgezette historische musical Le petit mort van Gini Wittelings, waarin de eeuwige keuze tussen het geloof en de zonde wordt bezongen. Of kijk het afro-absurdistische Blood Will Tell, over een zwarte bokser die in een griezelige villa de poorten naar de neokoloniale gladiatorenhel opent. Wie weet wordt regisseur Chadim M’Bodji straks onze eigen Jordan Peele (Get Out, 2017).
Het is wellicht iets te veel kijken met de oude Filmacademiebril, die resultaat in plaats van potentieel ziet, maar de virtuoze high concept-documentaire Hartslag van een ander steekt er in de klas van 2026 met kop en schouders bovenuit. Het uitgangspunt van de meesterproef van regisseur Olivia Mos en haar crew is er eentje waarvan je vooraf hooguit kunt hopen dat ze het voor elkaar krijgen: ze volgen het pad van een donorhart tussen een recent overleden donor en het lijf van een kersverse ontvanger.
Een zenuwslopende exercitie voor de makers, zegt cameravrouw Isabella Klauwers. ‘Het maakproces was een film an sich. Dan werden we ’s avonds na het eten gebeld: jullie kunnen nú met z’n tweeën meevliegen met een vliegtuigje waarin een hart wordt vervoerd. De kijker ziet de scène, maar ik zie ons er in gedachten nog steeds achteraan rennen.’
En of ze het voor elkaar kregen. Hartslag van een ander voelt als een Christopher Nolan-achtige thriller. Alles is voortdurend in beweging, op de snelweg in een ambulance met haperende sirene, in de lucht dus, maar ook buiten voor het ziekenhuis, op de puls van een soundtrack vol hartslagmotieven, tiktik-tiktik, nerveus wachtend op vertraagd vervoer terwijl we de arts horen zeggen dat deze twintig minuten oponthoud maar liefst twee jaar levenstijd kunnen schelen.
Te midden van het spektakel ontpopt de documentaire zich tot ode aan op de millimeter nauwkeurige werkende chirurgen – en daarmee ook aan de onmiskenbare kwetsbaarheid én schoonheid van een leven dat van de een aan de ander wordt doorgegeven.
Hartslag van een ander is een loeispannende, thrillerachtige documentaire waarin de reis van een hart tussen donor en ontvanger wordt gevolgd.
Olivia: ‘We hadden zoiets van: we studeren maar één keer af, dat mag toch best ambitieus? Ik sprak een chirurg die harttransplantaties doet en raakte gefascineerd. Het donatieproces in Nederland is anoniem, maar er is een moment tussen de operaties waarbij het hart uit het overleden lichaam wordt gehaald en in het nieuwe lichaam wordt geplaatst. In dat gebied konden we filmen.’
Isabella: ‘We wisten nooit waar we zouden draaien. We moesten achter dat hart aan. Het hart is ons hoofdpersonage, iedereen eromheen zou je kunnen zien als figurant.’
Olivia: ‘Ik vind documentaires het allermooiste wat er bestaat, maar ik vind ook dat ze te weinig worden gemaakt met de intentie opwindend en meeslepend te zijn. Dat was een van de redenen om met Isabella te werken. Zij kan documentaires filmen alsof het fictie is.’
Isabella: ‘Ik probeer je het gevoel te geven dat je erbij bent: je mag de hectiek voelen in de beelden. Soms laten we je zelfs even lachen. Op een gegeven moment viel het op dat best veel chirurgen van die gekleurde funny socks dragen. Dan denk je: dit pakken we mee. Dit zijn de details die de documentaire menselijk maken.’
Olivia: ‘We filmden uiteindelijk meerdere dagen meerdere harten, vanwege de herleidbaarheid kunnen we niet zeggen hoeveel precies. De beelden monteerden we tot één indruk – een ervaring. Voor een langere periode konden we dag en nacht worden gebeld. Dan bespraken we onderweg in de auto wat we die dag hoopten te filmen. Er wordt over het maken van documentaires altijd gezegd hoe belangrijk het is om het vertrouwen te winnen van de mensen die je filmt…’
Isabella: ‘...maar wij kwamen soms een operatiekamer binnen en dan hadden we niet eens tijd ons voor te stellen. Ik wilde het moment niet verliezen en filmde hoe het hart binnen werd gebracht, Olivia stond dan te mimen naar de chirurg: ik spreek je zo, we móéten even dit shot draaien.’
Olivia: ‘Dat voelde soms best brutaal. Isabella, geluidsman Binck de Goeij en ik waren op die momenten een gouden driehoek. Onze komst was wel aangekondigd, het UMC Utrecht werkte als eerste mee en wij konden sowieso met een van hun artsen meereizen, dat wekte bij andere ziekenhuizen vertrouwen. Onze uitvoerend producent Régilio van Teijlingen belde dan altijd om te bespreken of er toestemming was. Hij heeft onze documentaire achter de schermen écht mogelijk gemaakt. Hij douchte zelfs met zijn telefoon om geen filmkans te missen.’
Blood Will Tell is een geëngageerde thriller waarin de zwarte bokser Elijah in een spookachtig landhuis ontdekt hoe het Nederlandse slavernijverleden voortleeft in de tegenwoordige tijd.
Juna: ‘Een afstudeerfilm over het Nederlandse koloniale verleden was voor mij geen gegeven. Ik twijfelde. Ik ben Surinaams, dit onderwerp heeft te maken met mijn identiteit, maar ik kan ook kiezen voor een verhaal waarmee ik mijzelf wat minder persoonlijk definieer.’
Chadim: ‘Ik ben Senegalees, ik vond het tof naar overeenkomsten in onze ervaringen te zoeken. Maar je denkt ook: plaatsen we onszelf niet in een hokje? Moeten wij als zwarte makers per se een verhaal over een zwarte ervaring vertellen? Uiteindelijk is het simpel: dit is wat wij belangrijk vinden, wat bij ons leeft.’
Juna: ‘We kozen ervoor om naar het absurdisme te zoeken, naar de humor, zodat het zware onderwerp behapbaar blijft.’
Chadim: ‘We hadden twee grote inspiratiebronnen. Donald Glover, die met zijn serie Atlanta (2016-2022) op absurdistische wijze vertelt over zwart zijn in een witte wereld. En Jordan Peele, van onder meer Get Out, die vanuit een vergelijkbaar uitgangspunt horrorfilms maakt. Thriller en horror bezorgen je vanzelf een gevoel van ongemak. Ik denk dat ons thema – het onbehagen van zwarte mensen in een voornamelijk witte maatschappij – daar goed in kan landen.’
Juna: ‘Mijn opa, Jessy Brewster, was een professionele bokser uit Suriname. Hij is 25 jaar voor de onafhankelijkheid naar Amsterdam vertrokken. Ook hij was een grote inspiratie tijdens het schrijven. Het werk van Glover en Peele wordt afro-absurdisme genoemd. Daarmee moeten we aan de slag, zeiden we.’
Chadim: ‘Juna schreef bijvoorbeeld een scène waarin ons hoofdpersonage Elijah wordt gevraagd zijn ‘innerlijke gorilla’ los te laten. Ik dacht: kunnen we dit maken? Dit is echt fucked up. Maar juist dáárom is het goed.’
Juna: ‘Ik hoop dat we de kijker even naar een andere wereld brengen. Het is heerlijk om alles in die wereld een beetje extra te maken. Maar ik voelde wel een grote verantwoordelijkheid. De koloniale tijd is een weinig verteld verhaal in de Nederlandse film. Je wil je publiek wijzen op de schaduwkanten van de Nederlandse geschiedenis, maar je wil óók entertainen.’
Chadim: ‘Ik vind het confronterend dat er nog steeds zo weinig films over het koloniale verleden worden gemaakt. We kijken niet graag in de spiegel. Het heeft ook te maken met de Nederlandse filmindustrie: er zijn niet zo veel makers die het belang van dit onderwerp echt voelen. Er zijn wel wat bewegingen die hier verandering in willen brengen, maar het mag van ons nog veel méér veranderen.’
Voor we gaan is een ontroerende documentaire waarin drie mensen worden gevolgd die in de laatste fase van hun leven per ambulance vanuit hun huis worden vervoerd naar een hospice. Onderweg maken ze één stop op een veelbetekenende plek.
Joost: ‘We leven in een maatschappij die niet zo goed kan omgaan met de dood. Rouw is geen vak op school. Ik kan me voorstellen dat het spannend of eng is als de dood dichtbij is. Mensen die naar een hospice verhuizen, weten pas één à twee dagen van tevoren dát ze gaan. We filmen ze op een heel intiem moment en de tijd om vertrouwen te winnen was kort. In die kennismakingsgesprekken probeer ik ook mezelf te laten zien, mijn twijfel, mijn angst. Ik merk dat dat een vertrouwensband schept.’
Keno: ‘Ook tijdens de opnamen weet je mensen vaak subtiel een kant op te bewegen, waardoor een scène dramaturgisch sterker wordt.’
Joost: ‘Jij hebt dan weer een mooi oog voor detail: je ziet direct waar een van de personages met haar nabestaande kort oogcontact maakt en je voelt feilloos aan dat zo’n beeld krachtiger wordt als je het drie extra frames vasthoudt. Als buitenstaander denk je: ga je serieus kijken of een scène drie frames langer kan duren? Maar het verschil is fundamenteel. Je kunt de beleving van de kijker er enorm mee versterken.’
Keno: ‘Ik zocht als editor naar balans. Het kan niet alleen maar zwaar zijn, ook al is het onderwerp dat wel. Een van de drie mensen die we volgen, Kitty, is heel grappig zonder bewust grappig te zijn. Ze bedenkt voor het hospice opeens dat ze haar laatste sigaretje nog wil roken – daarmee contrasteer je het drama. Ook lette ik op het evenwicht tussen de medische en emotionele kant van de verhalen.’
Joost: ‘We kiezen duidelijk voor een emotionele kern, maar we willen geen tearjerker maken. Dat is een doodlopend pad, dan moet elke scène het voorgaande overtreffen om effectief te zijn. We wisselen af met humor. Of juist iets kleins. De plekken waar de personages een laatste stop maken lijken in eerste instantie niet speciaal – een platenzaak, een vrachtwagenloods, een plekje op de camping – maar je voelt via de personages het belang. Het kneuterige van die plekken vind ik fijn. Ik kan me voorstellen dat je bij jouw laatste stop op een betekenisvolle plek aan iets héél idyllisch denkt. In werkelijkheid kan het die dag regenen en is het misschien best wel koud. Ook in die werkelijkheid schuilt iets moois.’
De afstudeerfilms zijn t/m 5/7 te zien op het Keep an Eye Festival in Eye in Amsterdam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant