J.J. Voskuil schreef behalve de romancyclus Het bureau ook geweldige dagboeken. Het laatste deel heet Het zwijgen, en dat is niet voor niets: minnares X uit deel 6 en het megasucces van Het bureau komen amper ter sprake. Welke biograaf meldt zich?
is recensent voor de Volkskrant.
Vermoedelijk zijn er onder de lezers van J.J. Voskuil (1926-2008) inmiddels twee kampen. Het ene loopt weg met diens autobiografische romancyclus Het bureau, het andere geeft de voorkeur aan de later verschenen, grotendeels parallel lopende dagboekreeks.
Nou ja, laat ik voor mezelf spreken.
Ik was nooit zo’n liefhebber van de romans; die waren me te zeikerig. De dagboeken daarentegen, hoewel niet minder gedetailleerd, vond ik (bijna) van meet af aan geweldig. Rond Voskuils honderdste geboortedag – 1 juli – verschijnt het zevende, laatste en omvangrijkste deel (dik duizend pagina’s tekst).
In het vorige deel, om maar wat te noemen, dook plotseling minnares X op. Zou dit laatste méér over die liefde onthullen?
Het opent in elk geval vintage Voskuil. Op de eerste pagina is het 1 juli 1987, zijn 61ste verjaardag. Een dag eerder heeft hij vervroegd afscheid genomen van het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, oftewel het P.J. Meertens Instituut, alias het Bureau, waar hij dertig jaar aan verbonden was.
Uit de verklarende noot onderaan blijkt dat hij anders dan zijn baas beoogde ter gelegenheid géén koninklijke onderscheiding voor zijn verdiensten heeft ontvangen – met dank aan zijn vrouw Lousje. Zij wist namelijk zeker dat hij dat niet wilde (‘U hoeft daar dus geen moeite voor te doen’).
Denken voor de ander, het echtpaar heeft het tot kunstvorm verheven.
Ook nu weer benadrukt Voskuil dat het bijhouden van een dagboek in zijn universum vóór alles zelfonderzoek betekent. Daarbij moet je, formuleert hij ergens heel forumiaans, als dagboekschrijver ‘staan voor wie je bent, jezelf zien als een vreemde’. Toch leest dit slotdeel, meer dan de andere, bovenal als het portret van een huwelijk.
Geheel naar verwachting voelt Voskuil zich ‘bevrijd’ nu hij niet langer de dagelijkse gang naar voornoemd instituut hoeft te maken. Maar de pensionado en zijn vrouw moeten, zacht gezegd, nogal wennen aan de nieuwe constellatie, daar in hun niet al te ruim bemeten woning aan de Amsterdamse Herengracht.
Hun ruziecurve, toch al respectabel, klimt van de weeromstuit steil omhoog. De onenigheden strekken zich uit van de prangende vraag wat voor weer het vandaag wordt (in het buienradarloze tijdperk voorwaar een grotere gok dan het nu zou zijn), via de kwestie waarheen de fietstocht dan moet gaan, tot aan de homoseksuele buurmannen, de Palestijnse zaak, de zorg voor de katten, de planten, het huishouden.
‘‘Maar kun je dan zelfs geen kopje thee inschenken?’, zegt ze verontwaardigd. ‘Moet ik dan alles zelf doen?’
‘Je kunt alles altijd beter zelf doen.’
(…)
‘Dat je dat nu nog niet eens kunt’, zegt ze als ik met de vaatdoek terugkom. ‘Zelfs geen kopje thee inschenken. Dat moet je toch wel leren.’’
De strijd kan zomaar ontbranden, de aanleiding is vaak flinterdun. Gedurig moppert Lousje dat Voskuil iets heeft gedaan of juist gelaten, iets heeft gezegd of juist verzwegen. Vaste conclusie: ‘Alles is verpest! De hele dag is verpest!’
Van de bijbelse wijsheid dat je de zon niet moet laten ondergaan over je toorn trekt het paar zich niets aan. Dikwijls ontwaken ze even woedend als ze insliepen, zodat hun ruzies dagenlang blijven voortwoekeren. Ook het inzicht dat je er in een huwelijk verstandig aan doet kritiek op elkaars gezin van herkomst voor je te houden is niet aan hen besteed. ‘Dat is het weer beter weten dan anderen. Precies je moeder!’
Zelfs noteert Voskuil in dit deel een heus geval van huiselijk geweld: stompen van haar, klappen in het gezicht van hem. Waarna zij de deur zo hard dichtslaat dat de kalk van de muur valt.
Voskuils voornaamste drijfveer is naar eigen zeggen dat hij aldus met de situatie in het reine kan komen. ‘Straks schrijf ik het op’, denkt hij tijdens weer zo’n ruzie. ‘Dan ben ik het kwijt.’
Lousje ergert zich er evenwel wild aan. ‘Je houdt niet van mij! Je houdt van je dagboek! Je dagboek komt op de eerste plaats! En dan komt er een poos niks! En dan kom ik pas!’
Altijd goed om te bedenken: dit alles is en blijft zíjn weergave van hun huwelijk. Niemand buiten hijzelf en Lousje weet hoe waarheidsgetrouw die is – al rijst uit latere interviews met de (nu bijna 100-jarige) weduwe geen heel ander beeld op van haar persoonlijkheid. Misschien heeft vriendin Frida Vogels wel gelijk. Die noteert na een avondje dagboek voorlezen (want dat deed Voskuil wat graag) in haar eigen dagboek: ‘Lousje werd erin afgebeeld als een onmogelijk persoon; maar hij las dat allemaal aan haar en mij voor en de uiteindelijke betekenis ervan, de vervluchtigende essentie, was die van een hechte band, een gedeeld leven.’
Of, in de woorden van Voskuil zelf: ‘Ik vind haar lief, ze is een raadsel voor me.’
Natuurlijk, ondanks de kibbelarijen is er genoeg wat Voskuil en Lousje wél bindt. In hun blik op de boze buitenwereld zijn ze doorgaans opvallend eensgezind. Allebei voelen ze zich mijlenver verheven boven iedereen die hun linkse levensovertuiging niet deelt. Allebei hebben ze een hartgrondige afkeer van autobezitters, die per slot ‘medeschuldig’ zijn aan de ondergang van de planeet.
En allebei zijn ze hartstochtelijk begaan met het leed der dieren. Geen doodgereden haas, schurftige kat dan wel met olie besmeurde zeekoet of de tranen springen ze bij wijze van spreken in de ogen.
Dat het leven de leer voor de voeten loopt, lijkt ze intussen niet bovenmatig te deren. Zo stappen ze rustig in de auto van bevriend schrijver Henk Romijn Meijer en zijn vrouw Elizabeth voor een pleziertochtje door Noord-Holland. Ook eten ze rustig lamsbout, varkensfilet en kippenlevertjes, terwijl vegetarisme destijds in progressieve kring (kan ik melden) al heel gebruikelijk was.
Het minst innemend is het stel wat mij betreft als het familie, kennissen of vrienden recenseert. Voskuil bewondert het werk van Hanny Michaelis, de ex-vrouw van Gerard Reve, naar zijn zeggen ‘de grootse levende dichteres van Nederland’. Als zij een avondje op de Herengracht is geweest, schrijft hij dat ze een ‘heel joods’, ‘wat opgezet, oud, grof gezicht’ heeft en dat hij haar ‘iedere keer minder aardig’ vindt. Lousje op haar beurt noemt haar, vanwege een opmerking over homo’s, ‘een afschuwelijk mens’. Een dag later luidt haar bezwaar dat Michaelis een ‘veel te vrouwelijke vrouw’ is.
Weer een dag later heet het: ‘Mensen als Hanny hebben de gaskamers gebouwd.’ Voskuils reactie: ‘Ik vind dat te sterk.’
Zelfs de met het echtpaar zeer sympathiserende bezorgers van de dagboeken lijken even te moeten slikken. In de noot onderaan de pagina wijzen ze erop dat Michaelis’ beide ouders in de gaskamers van Sobibor zijn vermoord.
Overigens hebben die bezorgers zich wederom voorbeeldig van hun taak gekweten. Heel nuttig is dat ze de passages annoteren die ook in Het bureau voorkomen. Idem dat ze waar mogelijk de verschillen aanwijzen tussen de geschreven dagboektekst en de door Voskuil zelf uitgetikte versie. Maar soms hebben ze naar mijn smaak wat last van notenmakersvreugd. Werkelijk elk café, theehuis of restaurant dat Voskuil alleen of in gezelschap bezoekt lichten ze toe, zodat het notenapparaat bijkans leest als een horecagids uit de jaren tachtig.
(En wat de lezer in hemelsnaam moet met een ellenlange noot over de relletjes na afloop van de wedstrijd PSV-FC Utrecht op zondag 23 augustus 1987, terwijl die gebeurtenis in het dagboek verder hoegenaamd geen rol speelt – ik heb geen idee.)
En hoe gaat het dezer jaren met X, de vrouw met wie Voskuil liefst een kwarteeuw, vanaf 1983 tot aan zijn dood in 2008, amoureuze betrekkingen onderhield? Terwijl Lousje in de veronderstelling verkeerde dat ze allang met elkaar gebroken hadden?
Welnu, als ergens de titel van dit deel op van toepassing is, dan hier. X komt nauwelijks ter sprake. Lousje meldt een keer dat ze zich nog steeds ‘triest’ voelt over wat er is gebeurd. En Voskuil beschrijft hoe hij X toevallig ziet fietsen als hij met Lousje pannenkoeken heeft gegeten. ‘Ik kijk haar na en mijn hart krimpt van medelijden. Misschien is dat de reden dat ik nu treurig ben.’ Verder doet hij er goeddeels het zwijgen toe.
Naar zijn motieven kan de lezer niet anders dan raden. Maar bij iemand voor wie dagboekanieren zo’n beetje zijn raison d’être is lijkt het ondenkbaar dat hij niet veel vaker over X heeft geschreven. Wellicht heeft Voskuil de notities over haar, zoals de bezorgers suggereren, buiten het bereik van zijn vrouw willen houden, ook postuum. Dan heeft hij ze ófwel vernietigd (volgens de bezorgers is dat met zeker veertien schriften gebeurd) ófwel verborgen. Wie weet wat er ooit nog eens opduikt.
Uiteraard is het altijd aan auteurs zelf wat ze al dan niet kwijt willen. Toch wringt het dat Voskuil zo’n liefdesrelatie (vrijwel) buiten zijn dagboeken houdt. Het verstoort niet alleen de illusie van waarachtigheid – precies de illusie die het genre zijn aantrekkelijkheid verleent. Het wringt bovenal omdat hij andere egodocumentenschrijvers zo’n houding nogal eens nadraagt. Over Virginia Woolf schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Net als toen treft me de onoprechtheid van haar brieven, de onoprechtheid van iemand die zichzelf moet forceren in haar contacten, omdat ze alleen geïnteresseerd is in zichzelf. Haar dagboeken zijn te cryptisch, misschien uit angst om al te persoonlijk te worden, en uit armoede.’
Tegelijkertijd weet de lezer sinds het vorige deel wél dat X nog steeds een rol speelt in Voskuils leven. Met als gevolg dat Lousjes repeterende klaagzangen over het gebrek aan intimiteit in hun huwelijk in een ander licht komen te staan. Een schriller, schrijnender licht.
‘‘Er is zo weinig liefde. Zo weinig genegenheid. Je praat helemaal niet meer. Je zit daar maar en je schrijft in je dagboek. Alsof ik niet besta. Ik zou er net zo goed niet kunnen zijn.’
‘Maar ik heb toch nooit gepraat?’
‘En ik heb zo’n behoefte aan praten. Zo’n ruzie: het is één schreeuw om liefde.’’
Niet alleen X ontbreekt grotendeels, ook het megasucces van Het bureau (verschenen tussen 1996 en 2000) komt amper aan de orde. Welbeschouwd stopt dit slotdeel al in 1989; de plotselinge roem die de romancyclus met zich meebracht, het debat dat erover losbarstte, de talloze interviews voor krant en tv – hoe hij het beleefde blijft in het ongewisse.
Onwillekeurig dringt zich door deze omissies de gedachte op dat een biografie van
J.J. Voskuil misschien geen gek idee zou zijn. Een biografie? Van een schrijver die, ruwe schatting, minstens 12.000 pagina’s autobiografisch proza publiceerde? Ja, juist van hem.
J.J. Voskuil: Het zwijgen – Dagboek 1987-2006. Bezorgd door Thomas van Grafhorst, Detlev van Heest en Mirjam Lucassen. Van Oorschot, 1.160 pagina’s,
€ 39,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant