Oud-reclameman Lucas Mol (60) is ‘geen lid van de Groene Taliban’, maar wil wel met De Groene Afslag iedereen meekrijgen in de transitie naar een duurzame economie: ‘We hebben vaak niet door dat we alles aan onze planeet te danken hebben.’
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Niemand vindt het fijn iets opgedrongen te krijgen. Maar je kunt wel voor verandering intrinsiek gemotiveerd raken. Daar zetten wij op in. Ik hoop dat wij een plek hebben gecreëerd waar dat mogelijk is, dankzij een mix van creativiteit, kunst, lol, circulariteit en zin om dingen anders aan te pakken. Waardoor je kunt ervaren dat verandering niet eng of onhandig is, maar leuk en lekker kan zijn.’
Praten met Lucas Mol is worden meegevoerd op een stroom van enthousiasme – de 60-jarige oud-reclameman, ooit bedenker van de nieuwjaarsduik voor Unox, wekt dat op met zijn beeldende taalgebruik, maar vooral met zijn onstuimige passie voor zijn levenswerk: De Groene Afslag. De eerste versie ging in een voormalig asielzoekerscentrum van start in 2019, de tweede (‘een verdubbeling in oppervlakte, personeel en omzet’) zit sinds het najaar van 2025 in een kolossaal, voormalig militair opleidingscentrum op het Crailoterrein in Bussum.
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
De ambitie is ‘het veranderhuis van Nederland’ te worden – een plek waar burgers en bedrijven die geloven in de transitie naar een duurzame manier van leven en economisch handelen, samenkomen op een ‘transitievloer’ of in vergaderzalen. Of er een opleiding aan De Groene Afslag-school volgen, eten in het gelijknamige restaurant (‘plantaardig & eigenzinnig’) en waar ze kunnen slapen in het dito hotel (‘kunstzinnig & circulair’). In de ogen van Mol is het van belang juist in het Gooi het enthousiasme voor een duurzame economie aan te wakkeren:.‘Een flink deel van de mensen die het in de BV Nederland voor het zeggen hebben, woont hier, onder rieten daken. Dat zijn mensen die niet bij Pakhuis De Zwijger of andere vooruitgeschoven posten komen, maar hopelijk wel bij ons. Mijn doel is dat de beslissers van Nederland de groene afslag nemen.’
Zijn eigen carrière kenmerkt zich door diverse, verrassende afslagen – zijn studie economie in Groningen verruilt hij voor kunstgeschiedenis, waarna hij zijn eerste baan krijgt bij het vernieuwde Groninger Museum, ‘als krullenjongen voor de beeldende kunst’. Tot hij op een maandagochtend langs de collectie wandelt, doorloopt naar de kamer van directeur Frans Haks en hem zijn ontslag aanbiedt. Het bevalt de twintiger Mol niet ‘alleen maar met de creativiteit van anderen bezig te zijn’, legt hij Haks uit. En nee, een plan-B heeft hij niet.
Na een handeltje in Italiaanse designproducten komt hij in 2001 in de reclame terecht. Met zijn bureau Being There bedenkt hij campagnes voor met name Unilever. Tot hij zich vanaf 2008, na het zien van een Tegenlicht-documentaire over circulariteit, begint af te vragen of hij wel op de wereld is gekomen ‘om Unilever te helpen niet 45 miljoen, maar 50 miljoen rookworsten te verkopen’. Zijn geweten speelt op: ‘Ik was de hele dag bezig met consumeerderen, terwijl ik ervan overtuigd raakte dat we moesten consuminderen.’
Naast zijn reclamewerk stort hij zich op het project ‘De Molshoop’, een woning die hij samen met zijn vriendin Sanne Oomen, die architect is, ontwerpt. Het wordt een geheel duurzame, grotendeels onder de grond gelegen, reusachtige villa, met als gimmick een ruim vijf meter lange ‘slee van een auto’ die als ‘keukenkastje’ aan een muur wordt bevestigd. Het leidt tot wereldwijde media-aandacht, inclusief de BBC: ‘Iedereen praatte erover, opeens wilde de hele wereld langskomen’. In 2013 stapt hij uit de reclame, wederom zonder plan-B.
Wat brengt u tot het nemen van zulke radicale stappen?
‘Ik ben geen psycholoog, maar weet wel dat ik gezegend ben met de overtuiging dat ik altijd en overal mijn draai weet te vinden. Ook als ik nu in Paraguay, Senegal of Oezbekistan terecht zou komen, altijd kan ik vertrouwen op mijn creativiteit en een flexibele geest. Daardoor heb ik geregeld, niet gehinderd door enige kennis, een geheel andere weg kunnen inslaan. Ik voelde de noodzaak alle schepen achter me te verbranden, dat gaf me meer vuur in mijn ogen om iets nieuws voor elkaar te krijgen.’
Wanneer was de eerste keer?
‘Op de avond voor ik naar de middelbare school ging, vroeg mijn vader: ‘Ben je klaar voor de grote stap?’ Op dat moment realiseerde ik me dat ik dat helemaal niet was en het over een geheel andere boeg moest gooien. Op de basisschool was ik een nogal stil buitenbeentje geweest op een kakkerig schooltje in Breda. Mijn medeleerlingen liepen met tuttige collegeshawls, ik schaamde me voor de zelfgemaakte kleren van mijn moeder. Die avond bedacht ik dat ik een knop radicaal moest omzetten om het op de middelbare school wel goed te hebben. Vanaf dat moment werd ik iemand die vooropliep, die posters met reclameslogans ophing om in de leerlingenraad te worden gekozen. Die verandering lukte me.’
Was u destijds maatschappelijk betrokken?
‘Nee, maar ik kreeg wel voorgeleefd dat je er voor anderen moest zijn. Mijn vader, die huisarts was, zette zich enorm in voor een ziekenhuis in Tanzania dat hij mede had opgericht. Zolang ik me kan herinneren, was hij bezig voor mensen daar het leven wat beter te maken. Twee van mijn oudere broers – ik ben de vijfde in een gezin met zes kinderen – hebben ook in Afrika als arts gewerkt. Mijn jeugd was vooral een onbezorgde tijd van buiten spelen en hutten bouwen. Later werd ik een opstandige puber. Ik heb anderhalf jaar in een caravan in de achtertuin gewoond, omdat mijn ouders genoeg hadden van mijn eigenzinnigheid. Vooral mijn vader was in mijn ogen streng en ouderwets. Hij vond dat ik met mijn talenten moest woekeren en was niet bepaald onder de indruk toen ik acht jaar over mijn atheneum deed. We hadden een moeilijke relatie, maar hij heeft wel een zaadje bij me geplant. Ik ben ook volhardend, een terriër. Als ik ergens in geloof, blijf ik ervoor gaan.’
Waar gelooft u in?
‘Ik ben ervan overtuigd dat we een overstap moeten maken naar een duurzame economie om het op deze aardkloot prettig te houden. Daarvoor moeten we beseffen wat na vijftien jaar van inspanningen voor duurzaamheid nog maar net echt bij mezelf is doorgedrongen: we zijn onderdeel van de natuur. We hebben vaak niet door dat we alles aan onze planeet hebben te danken. We kunnen maar drie weken zonder het voedsel dat Moeder Aarde maakt. We kunnen maar drie dagen zonder het water dat via regen en rivieren tot ons komt. We kunnen maar drie minuten zonder de zuurstof die de planeet voor ons maakt. Dat is allemaal existentieel.
‘Bedenk dan ook nog dat alles wat je aan materialen ziet, of het nou beton, staal, hout of plastic is, ook door Moeder Aarde wordt gemaakt; plus de kleren die we aanhebben, het huis waarin we wonen – we hebben niet door hoezeer we afhankelijk zijn. Integendeel, sinds de Verlichting zijn we onszelf boven de natuur gaan plaatsen, we hebben onszelf losgezongen. In de afgelopen eeuwen en vooral in de laatste decennia hebben we een wissel op de planeet getrokken; we zijn vooral gaan nemen, terwijl we gif en andere rotzooi hebben teruggegeven.’
U wilt de planeet redden?
‘Welnee, die hoeft helemaal niet te worden gered. De aarde heeft al vijf grote ijstijden overleefd, het maakt haar niet uit of wij wegspoelen of verbranden in een verzengende hittegolf, ze redt zichzelf. Nee, we moeten onszelf zien te redden. We moeten weer met de natuur leren samenwerken, we moeten van ons hoofd naar ons hart. Nu zitten we nog te veel in systeem één, de oude economie, waarin de calculerende homo economicus alles ongelooflijk goed in een Excel-sheet weet te passen, maar de gevolgen van zijn handelen niet overziet. Met De Groene Afslag wil ik een brug bouwen naar systeem twee, de nieuwe economie, waarin we wel van het kapitalistische systeem en de fantastische dingen die dat heeft voortgebracht, gebruik blijven maken, maar het ook wezenlijk anders aanpakken, omdat we op een aantal vlakken uit de bocht vliegen of al zijn gevlogen.’
Hoe wilt u mensen van die noodzaak overtuigen?
‘Ik ben geen lid van de Groene Taliban en heb een hekel aan een opgeheven vingertje, mensen moeten zelf gemotiveerd zijn. Maar er zijn gelukkig genoeg mensen met wijsheid. Dat blijkt wel uit alle steun die we ontvangen en uit het enthousiasme van ons personeel, dat elders meer geld zou kunnen verdienen. We proberen mensen te overtuigen via De Groene Afslag-school, waar we de verhalen vertellen over de onderstroom van de economie: over alle werkplaatsen en laboratoria waar al wordt geëxperimenteerd. Het wemelt in Nederland van de ondernemers, boeren, ontwerpers, financiële instellingen en scholen die niet afwachten, maar die al met de nieuwe economie zijn begonnen.’
Klimaatplannen worden momenteel wereldwijd teruggedraaid, duurzaamheid is niet meer in de mode. Hoe beziet u die weerstand?
‘Een bovenlaag dankt zijn enorme rijkdom aan het oude systeem dat zij zo lang mogelijk willen behouden. Maar er komt een dag waarop de Trumps van deze wereld moeten toegeven dat een economie beter op zonnecellen dan op olie draait. Naar dat moment zijn we onderweg. Al meer dan de helft van onze elektriciteit kwam vorig jaar uit alternatieve energiebronnen zoals zon en wind, en van de nieuw verkochte auto’s is ook al bijna de helft elektrisch; die feiten waren tot voor kort ondenkbaar. De weerstand tegen klimaatbeleid zie ik als een noodzakelijke hobbel die we moeten nemen. Dat gaat lukken. Over vijf tot tien jaar komt er een tippingpoint, waarna de onderstroom van de nieuwe economie het van de oude economie gaat winnen.’
Heeft u zelf ook met weerstand te maken gekregen?
‘Vrijwel niets is vanzelf gegaan, alles is hier bevochten. Het eerste antwoord dat we krijgen, is bijna altijd nee. Maar ik ben een volhouder, het is me twee keer gelukt De Groene Afslag gefinancierd te krijgen. Daarvoor ben ik niet duurzaam met mezelf omgegaan en mijn gezin is tekortgekomen. Ik ben alleen maar aan het rennen geweest. Maar het is gelukt een schaalsprong te maken, we hebben nu honderd man personeel aan onze fiets hangen. Nu is het zaak De Groene Afslag in rustig vaarwater te brengen. We hebben de omzet verdubbeld, maar hebben ook een miljoenenlening met een flinke verplichting qua rente en aflossing. Dus praat ik nu met financiers en nieuwe fondsen om bij te springen. Gelukkig zeggen die: ‘Wow, er gebeurt hier iets bijzonders.’
‘Zo sta ik nog met één been in de oude economie, terwijl ik met het andere al in de nieuwe economie zit. De Groene Afslag is ondergebracht in twee stichtingen, dus de buitenwereld weet dat ik er niet voor de knikkers in zit. Sterker: om de eerste Groene Afslag gefinancierd te krijgen, heb ik ons ondergrondse huis moeten verkopen. Gelukkig heb ik ook veel steun gekregen van mensen uit de buurt die hun schaapjes binnen de oude economie op het droge hadden gekregen. Het mooie is dat zij inzien hoe belangrijk De Groene Afslag is. Ze steunen ons zonder rendement na te jagen, waardoor we nu dit miljoenenproject kunnen doen. Het bestaan van dit weldenkende deel van de bevolking geeft me hoop voor de toekomst. Ik ben ervan overtuigd dat we samen iets moois in beweging aan het zetten zijn.’
Boektip: Ik zie wat ik geloof van Roxane van Iperen
‘In dit essay en in Eigen planeet eerst legt Roxane van Iperen feilloos de tijdgeest vast én laat ze zien waar het misgaat – hoe we ‘in the cloud’ verdwijnen ten faveure van enkele techmiljardairs. We moeten stoppen met op de bank ‘swipen’, maar weer samenkomen in de echte wereld.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant