is schrijver van ‘autobiografische non-fictie’.
Het was een normale vrijdagavond en we zaten aan de lange tafel. Rechts zaten twee mannen rustig met elkaar te praten en aan de linkerkant zaten wij, geformeerd in een soort uitpuilende klont omdat zo veel mensen eigenlijk niet aan een halve tafel passen.
Zelf kwam ik gewoon van huis, waar ik patat uit de airfryer had gegeten. Maar twee van de aanwezigen aan onze kant van de tafel hadden eerder op de avond al iets interessanters gedaan. Ze waren allebei naar een opening van een tentoonstelling geweest, maar niet naar dezelfde. Eerst was de ene nog tevreden met haar vooravond, tot de andere vertelde over de opening die zij had bezocht. Die bleek superieur. In deze galerie stikte het namelijk van de glanzende beroemdheden (beroemd in de kunstwereld, niet de algemene wereld).
Ik vroeg wat het voor tentoonstelling was. Ze vertelde dat het foto’s waren van twee vrouwelijke kunstenaars. En het thema was ‘Vrouw Holle’. Of eigenlijk Frau Holle, op z’n Duits. Ik herinner me niet veel van de rest van haar enthousiaste beschrijving, behalve dat het woord vagina erin voorkwam.
‘God, wat haatte ik dat sprookje vroeger’, zei ik. Daarmee ontsnappend aan een inhoudelijk gesprek over kunst, want daar weet ik helemaal niets van. Zo gaat dat op kroegavonden. Je springt van het ene naar het andere onderwerp en ondertussen drink je bier en versnipper je viltjes.
Als kind had ik een paar boeken met verhalen van de gebroeders Grimm die ik vaak herlas. iPads bestonden nog niet en ik moest toch iets. Maar de boodschap van die sprookjes was eigenlijk altijd vrij vervelend. Moralistisch en klassiek. Bij Vrouw Holle voelde ik dat al snel. Voor wie het nooit las of vergeten is: iemand valt in een waterput en tuimelt naar een parallel universum (dat is inderdaad nogal hallucinogeen, maar zo rollen sprookjes). Hier krijgt ze impliciet opdrachten van een soort heks, waarmee haar karakter wordt getest. Daarna springt haar nare stiefzus ook in de put. Het ijverige meisje krijgt goud en de luie wordt overgoten met pek.
Dat sprookje nam ik zeer persoonlijk. Ik voelde de hete pek zogezegd al neerdalen op mijn schriele kinderrug. Kinderen hoeven niet ijverig te zijn, dus het ontbreken van die eigenschap had zich nog niet geopenbaard. Maar ik voorzag toen al dat ik een luie leegloper zou worden. En inderdaad werd ik een niet-ambitieuze freelancer, die slechts sporadisch stofzuigt en nimmer rompertjes heeft gewassen.
Er wordt gezegd dat lezen goed is voor kinderen, maar de grimmige sprookjes die ik vroeger las zijn onder mijn huid gaan zitten. Vermoedelijk zijn ze mede verantwoordelijk voor mijn tobberige karakter en eeuwige schuldgevoel. Aan mijn ouders kan het namelijk niet liggen, die waren vrij ontspannen. En aangezien ik niet gelovig ben opgevoed, kan ik ook de kerk niet de schuld geven.
In mijn hoofd bestaat een hele bijbel van regels waaraan ik me moet houden om ondanks alles toch een goed mens te zijn. Helaas lukt dat niet altijd. Die spreekwoordelijke blaren, daar zit ik altijd op. ‘Misschien moet je kiezelstenen in je schoenen stoppen’, pleegt een van mijn vriendinnen te zeggen als ik weer eens ergens onevenredig veel spijt van heb.
In het café had ik inmiddels mijn mistroostigheid weggedronken en voelde ik me de levensgenieter die ik eigenlijk altijd wil zijn. Die tentoonstelling ga ik nog bezoeken.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant