Home

Over pestkoppen hebben we het genoeg, maar laten we ook de laffe meelopers niet vergeten

Oud-diplomaat Timor El-Dardiry zit in het Witte Huis, ziet de president en herkent hem – als die ene jongen van het schoolplein, omringd door meelachende adjudanten. Wat drijft hen?

Ik zit in de lobby van de West Wing van het Witte Huis. Zojuist heb ik gekeken of de naamkaartjes in de vergaderzaal kloppen – was het de Roosevelt Room? Ja, dat moet haast wel.

Met licht trillende hand heb ik alvast de dankboodschap van onze minister-president in het gastenboek geschreven. Hij hoeft straks alleen nog maar zijn naam toe te voegen.

Ik zit in de lobby van de West Wing en denk aan de juffen en meesters die mij hebben leren schrijven. Op mijn basisschool leerden we tamelijk lange krullen te gebruiken voor letters als de h, de k en de y. Mijn broers en ik hebben daardoor tot op de dag van vandaag een handschrift dat weliswaar leesbaar is, maar er ook uitziet alsof de woorden onder een deegroller hebben gelegen.

Timor El-Dardiry werkte zestien jaar als diplomaat voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Van 2017 tot 2022 werkte hij op de Nederlandse ambassade in Washington. Vorig jaar won hij de Anil Ramdas Essayprijs.

Ik zit in de lobby van de West Wing en wacht tot onze minister-president zijn entree maakt. De Amerikaanse president zal hem buiten voor de deur van de zijingang verwelkomen. Ze zullen enkele beleefdheden uitwisselen voor de draaiende camera’s, om vervolgens naar binnen te lopen en zich met hun entourages naar de Roosevelt Room te begeven.

Daar ben ik verder niet bij. Mijn taak zit er eigenlijk al op, maar ik kan pas naar buiten als de entreeceremonie achter de rug is en de hele Nederlandse delegatie binnen zit.

Ik kijk om me heen. De ruimte wordt omringd door een aantal werkkamers. De belangrijkste zijn die van de vicepresident en de nationale veiligheidsadviseur. Af en toe gaat een deur open. De president laat zich straks onder anderen vergezellen door de minister van Financiën.

De minister komt binnen, enigszins nerveus. Met zijn zwarte haar en schichtige voorkomen doet hij mij denken aan een klein zoogdier, een molletje. Hij wil de president graag nog even spreken. De secretaresse vertelt hem dat hij twee minuten heeft. Meer heeft het molletje ook niet nodig, hij verdwijnt in het gangenstelsel en is in een mum van tijd weer verschenen.

De deur van het kantoor van de nationaal veiligheidsadviseur gaat open. Een witbesnorde man, dikke map in de hand, stapt de lobby binnen. Hij knikt kort naar de secretaresse en loopt in een rechte lijn naar de gang die toegang biedt tot het Oval Office.

Even later verschijnt hij weer, nu in gezelschap van de president.

‘U verwelkomt straks de premier van Nederland, meneer de president,’ zegt de man met de witte snor.

‘Juist. En wat voor land is Nederland, een republiek, of…?’

‘Nederland is een koninkrijk.’

De president kijkt blij verrast. ‘Een koninkrijk!’ Later, tijdens het gezamenlijke persmoment, zal hij dit feit voor de camera’s benadrukken. Hij zal het woord ‘koninkrijk’ een paar keer herhalen, en toevoegen hoe geweldig het is: Nederland, een écht koninkrijk. Het is alsof hij zojuist een geheim heeft ontdekt waarvan maar weinigen weet hebben.

Indruk maken

Later kijk ik de beelden van de ontmoeting terug. De president heeft een priemende blik. Hij maakt zich breed. Zijn lichaamstaal neemt veel ruimte in. Als het een geschreven taal was, zouden we veel uitroeptekens, klemtoontekens en vetgedrukte woorden tegenkomen.

Een kóninkrijk!

Deze president is iemand die indruk wil maken en daarbij meer op zijn fysieke voorkomen vertrouwt dan op zijn intellect. Iedere keer als ik hem zie, spannen sommige van mijn spieren zich onwillekeurig aan. Ik voel het achteraf vooral in mijn schouders en nek.

Ik zit in de klas en kijk naar de klok. Half drie. Ik ben een jaar of 8, misschien 9. Groep 5 en groep 6 delen hetzelfde klaslokaal.

Over een halfuurtje gaat de bel, sommige kinderen worden al wat onrustig. Ik twijfel of ik me straks ga haasten om de deur uit te zijn, of juist zal wachten. Misschien kan ik de meester aanbieden om de plantjes water te geven.

Eerder die dag, tijdens de pauze, hebben Rick en Tom mij klemgezet tegen die ene muur achter het fietsenhok, precies buiten het zicht van de juffen en meesters.

Rick en Tom – laten we ze zo noemen. Ze zijn een halve kop groter dan ik. Rick beweert dat ik zijn vader een mankepoot heb genoemd.

Ik hoor wat hij zegt, maar ik begrijp er niets van. Ik durf niet tegen te werpen dat Rick het bij het verkeerde eind heeft, dat ik zoiets nooit zou zeggen of zelfs maar denken. Durf hem niet eens aan te kijken. Vechten is geen optie, vluchten kan niet, praten lukt niet. Het enige wat ik kan doen is me stilhouden en mijn blik afwenden. Wanneer ze me eindelijk loslaten, zeggen ze dat ze me na school zullen opwachten.

Ik zit in de klas, het is vijf voor drie en ik opteer voor het plantjes-water-gevenplan. School is het minst favoriete terrein van beide jongens, ze moeten het niet van hun intelligentie hebben. Gym is het enige vak waarin zij uitblinken.

Ik reken erop dat Rick en Tom te weinig geduld hebben om lang te blijven wachten.

Een pestkop, dat zie je zo

In de hele Amerikaanse geschiedenis is er waarschijnlijk geen president te vinden die zich zo makkelijk laat lezen als deze man. Iedereen die ooit bij een pestkop in de klas heeft gezeten, doorziet zijn gedrag – en dat van de mensen om hem heen.

Kijk naar hoe hij zich grootmaakt, ervoor zorgt dat alles om hem draait, onvoorwaardelijke loyaliteit verlangt. Kijk naar zijn wrede grapjes ten koste van anderen en let eens op hoe de mensen in zijn nabijheid meelachen. Sommigen besmuikt, sommigen ongemakkelijk, sommigen voluit, maar meelachen doen ze bijna allemaal.

Enkele mannelijke ministers in zijn kabinet dragen sinds een tijdje dezelfde zwarte schoenen. Hetzelfde merk, hetzelfde model. Het schijnt dat de president ze persoonlijk aan hen heeft overhandigd. De schoenen passen niet iedereen. Oplettende journalisten hebben gemerkt dat de ene minister in veel te grote exemplaren rondloopt, terwijl de andere zulke moeizame passen zet dat hij waarschijnlijk een te kleine maat heeft.

Bijna vijf jaar lang was het als diplomaat mijn taak om verslag te doen van politieke ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Een kleine vier jaar daarvan besloegen de eerste termijn van deze president.

Mijn plaatsing begon toen hij nog geen halfjaar het Witte Huis bewoonde. De ambassade had, zoals zovele, zijn verkiezingsoverwinning niet aan zien komen, dus er lag huiswerk. In berichten aan Den Haag schreef ik met collega’s over de kloof tussen de politiek in Washington en het dagelijks leven in de rest van het land, over de verschillen tussen grote steden en landelijke gebieden, en ook over hoe binnenlandse ontwikkelingen hun weerslag hadden op de Amerikaanse buitenlandpolitiek.

En we schreven over de president. Over hoe hij steeds weer de frontale aanval koos, zelfs wanneer hij een zwakke hand toebedeeld had gekregen. Over hoe hij zijn eigen werkelijkheid leek te scheppen en daar tientallen miljoenen Amerikanen in wist mee te trekken.

In 2017 verwachtten velen nog dat van het presidentschap een matigende werking zou uitgaan. Elke strohalm waar ‘presidentieel gedrag’ uit zou blijken, werd aangegrepen. Dat bleek wensdenken: steeds opnieuw volgde een uitspraak of tweet die het tegendeel bewees. Beleidsmakers bleven lange tijd vertrouwen op het klassieke model van interagency coordination. In het kort: ministeries voeren eerst onderling overleg over een kwestie, wegen voors en tegens af, formuleren een steeds kleiner aantal beleidsopties, en leggen deze tot slot voor aan het Witte Huis. Daarna hakt de president de knoop door.

Gedurende dat afstemmingstraject is veel ruimte voor inbreng, ook van diplomaten. ‘Besteed niet te veel aandacht aan de tweets, het beleid wordt hier gemaakt’, zo bezwoeren gesprekspartners op het State Department als Den Haag weer eens aansloeg op een niet zo presidentieel bericht dat in de vroege ochtend de wereld in was geslingerd.

De nieuwe werkelijkheid

Na een jaar was de toon heel anders. Ik herinner me nog goed hoe ik met een aantal collega-diplomaten een gesprek had aangevraagd over de Amerikaanse betrekkingen met Saoedi-Arabië (de Saoedische kroonprins had een journalist laten vermoorden, eentje die in de VS woonde en columns schreef voor The Washington Post). We zaten te wachten en keken ondertussen naar CNN, waar de president live te zien was terwijl hij omstandig uitlegde hoeveel geld de VS verdiende aan de verkoop van geavanceerde wapensystemen aan Saoedi-Arabië.

Onze gesprekspartners van het State Department kwamen ons ophalen en keken mee. Het daaropvolgende gesprek was kort. ‘Ik heb hier een spreeklijn voor me liggen, maar jullie zagen zojuist het optreden van de president en dat is nu de nieuwe werkelijkheid.’

Hoe kon één man ondanks zijn onvoorspelbare grillen, zijn fragiele en tegelijkertijd opgeblazen ballonnetjesego, zijn gebrek aan respect voor omgangsvormen, zoveel invloed hebben op zijn directe omgeving? En waarom bleef hij zo lang zo populair onder zo’n groot deel van de bevolking?

Ik las in die jaren dikke boeken van vermaarde journalisten en doorwrochte analyses van denktanks. Maar weinig van die schrijfsels boden mij méér inzicht dan mijn eigen basisschooltijd.

Rick de baas, Tom de adjudant

Rick had een oudere broer met een vergelijkbaar karakter: agressief, gemeen, platvloers. Hun vader was een dominante man. Een paar jaar geleden is hij gestorven. De lokale afdeling van de politieke partij waarvoor hij actief was, beschreef hem in een vrij opmerkelijk in memoriam als ‘een zwart-wit denker… niet van het compromis’.

Ik vermoed dat dit thuis niet anders was dan in de raadszaal van het gemeentehuis.

Waar Rick was, daar was Tom. Rick was de baas, Tom mocht de adjudant zijn. Heel af en toe zag ik dat Tom eigenlijk best een normale jongen was. Eentje die verlegen kon zijn als hij moest optreden bij een schooluitvoering, bijvoorbeeld. Eentje die zich tamelijk gedeisd hield, de enkele keer dat hij alleen was.

Dat was totaal anders als ze met zijn tweeën waren. Dan kwam de wreedheid bovendrijven. Tijdens pauzes gingen Rick en Tom vaak op zoek naar een slachtoffer. Soms was ik dat, soms was dat een andere jongen die moeite had om voor zichzelf op te komen.

De vernederingen gingen gepaard met scheldpartijen, in mijn geval over mijn afkomst of het feit dat ik goed kon leren, maar vooral de fysieke component kan ik me nog goed herinneren: ze duwden, trapten, spuugden, lieten je struikelen, zetten je klem, staken je met potloden of pennen. Op zulke momenten deed Tom niet onder voor Rick. Misschien ging hij zelfs een stapje verder, om zijn loyaliteit te onderstrepen.

Het verhaal van dit presidentschap – en de presidentschappen van andere mannen met autoritaire trekjes – gaat erg vaak over de Ricks van deze wereld, en niet vaak genoeg over de Toms. Het gaat vaak over de hoofdrolspeler zelf en niet vaak genoeg over de molletjes en witbesnorde figuren om hen heen. Waarom kiezen zij ervoor hun leider te blijven dienen? Waarom accepteren ze zo veel, waarom zijn ze zelfs bereid om pijn te lijden en vernederingen te ondergaan?

In haar essay History Will Judge the Complicit gaat historicus Anne Applebaum in op de persoonlijke afwegingen die mensen in de hoogste kringen van de macht maken. Ze trekt een parallel met het communistische regime in de DDR en schetst vijf hoofdredenen waarom de Toms blijven meewerken, vaak tegen beter weten in.

Zo heb je de figuren die denken dat ze ondanks alles iets kunnen bereiken dat het algemeen belang dient. Of mensen die zichzelf vertellen dat ze de leider kunnen bijsturen, of in ieder geval kunnen weerhouden van desastreuze beslissingen.

In de praktijk, werpt Applebaum tegen, houden ze vaak hun mond – waardoor hun medeplichtigheid de overhand krijgt. Tijdens de tweede termijn van de president hoorden we dan ook niets meer van deze twee groepen.

Het derde type meelopers bestaat uit diegenen die hopen financieel een graantje mee te pikken. Denk aan de grootgrondbezitter die minister van Landbouw wordt, of de naaste medewerker die voorkennis gebruikt om een slag te slaan op de beurs. Voorspelbaar gedrag.

Interessanter wordt het bij de vierde reden om een meeloper te worden: dicht bij de macht kunnen vertoeven. Aan deze lieden is evenmin gebrek. Zo had je de senator uit South Carolina die zich zeer kritisch uitte toen de president nog een van de vele Republikeinse kandidaten was. Hij noemde hem een xenofoob en een kwezel.

Na de presidentsverkiezingen draaide de senator als een blad aan de boom om. Hij pochte dat hij regelmatig ging golfen met de president, dat hij gewichtige zaken met hem besprak. Applebaum vergelijkt het met de nerd die eindelijk aandacht krijgt van de populaire quarterback.

Ook voor de witbesnorde nationaal veiligheidsadviseur bleek de nabijheid van de macht onweerstaanbaar. Hij zou uiteindelijk slechts anderhalf jaar dienen, maar dat leverde voldoende stof op voor 592 pagina’s aan memoires. De titel is veelzeggend: The Room Where It Happened.

Hij was er toch maar mooi geweest, daar in die kamer waar de macht vertoefde.

De psychologie van de macht

Washington puilt uit van de knappe koppen. Er is geen plek ter wereld met zoveel denktanks en universiteiten per vierkante kilometer. Veel van die knappe koppen zijn erg goed in het rationaliseren van beleid, in het uitleggen van keuzes die mensen op het eerste gezicht niet begrijpen.

Minder aandacht is er voor de psychologie van de macht. Zo denk ik dat het geen toeval is dat uitgerekend de buitenlandpolitiek zo’n aantrekkingskracht uitoefent op de meelopers die zich graag dicht bij de macht ophouden. Buitenlandse betrekkingen zijn in veel opzichten een veilige hobby, eentje die de beoefenaar vrijstelt van de plicht om stelling te nemen in netelige binnenlandse kwesties die de eigen bevolking verdelen.

Het is bovendien een hobby die aanzien verschaft. Diplomatie is voor velen de wereld van recepties, van rode lopers, van staatsbezoeken, van backchannels. In de nasleep van de moord op de Saoedische journalist sprak ik met medewerkers van de senator uit South Carolina. Ze benadrukten meermaals dat hij persoonlijk een uitleg had geëist van de kroonprins, en dat hij bij de Amerikaanse president had aangedrongen op maatregelen. Uiteraard veranderde dit weinig tot niets aan de zaak, maar zijn publieke uitlatingen verschaften de senator aanzien: hij wás iemand.

Dit is geen hogere staatkunde, dit is het schoolplein opgetuigd met de volwassen uitingen van de macht: stafmedewerkers, uitpuilende Outlook-agenda’s, speelafspraakjes op de golfbaan.

Leugens spelen een interessante rol in dit geheel. Vanaf het begin was duidelijk dat deze president zijn eigen werkelijkheid boetseert, eentje die onafhankelijk is van feiten en er soms zelfs lijnrecht tegenin druist. Applebaum laat zien hoe de leugens niet alleen dienen om een rooskleurig beeld neer te zetten van de president. Nee, ze worden gebruikt als ultieme loyaliteitsproef. Wie er enthousiast in meegaat, mag blijven, wie eraan twijfelt, mag vertrekken.

‘Soms’, schrijft ze, ‘is het doel niet om mensen in een leugen te laten geloven. Soms is het doel om mensen angst in te boezemen voor de leugenaar.’

Applebaums vijfde en laatste reden om mee te lopen met de president is quasireligieus van aard: de overtuiging dat een haast bijbels moment is aangebroken, een strijd tussen goed en kwaad, waarbij de president weliswaar feilbaar is, maar ook een onmisbaar instrument tegen duistere krachten. In dit geval: het seculiere, liberale establishment met zijn verderfelijke mores.

Een bontkraag van dienaren

Vooral deze laatste drijfveer is niet alleen belangrijk voor mensen om de autoritaire leider heen, zijn gevolg, zijn bontkraag van loyale dienaren. Het motief blijkt ook van toepassing op veel mensen die tot tweemaal toe op deze president stemden. Die mensen wonen vooral in landelijk gebied.

Op het eerste gezicht lijkt het een raadsel: hoe kan het dat een eersteklas bullebak zoveel steun geniet in de gebieden buiten de grote steden, waar eenvoud en bescheidenheid troef zijn, zelfs worden gezien als deugden?

Voor een origineel en leesbaar antwoord moeten we bij Jason Pargin zijn. In zijn essay How Half of America Lost Its F**king Mind verklaart hij de paradox aan de hand van Hollywoodfilms als Star Wars, The Hunger Games en The Wizard of Oz. De held van zo’n film groeide vaak op in een dorp. Denk aan Luke Skywalker, Katniss Everdeen, Dorothy Gale.

De schurken, dat zijn stedelingen, meestal raar gekleed, gericht op uiterlijk en macht. In Pargins woorden: ‘Their ways are strange. And the whole goddamned world revolves around them.

De president hoort als geboren New Yorker en zoon van een vastgoedmagnaat niet bij de groep bescheiden plattelanders. Voor zijn kiezers is hij niet de volksheld die tegen wil en dank opstaat tegen de gevestigde orde. Die held, dat is de kiezer zélf. De president is diens wapen. Hij is de Millennium Falcon van miljoenen Han Solo’s, hij is de boog van talloze Katniss Everdeens. Hij is een wapen, en een wapen hoeft niet te voldoen aan karaktereisen. Het moet vooral schade kunnen aanrichten bij de vijand.

Ik herkende deze houding in gesprekken die ik voerde met alleszins vriendelijke Amerikanen in staten als Indiana, Washington, Pennsylvania en Virginia. Zodra het over de grote stad ging, veranderde de toon. Daar woonde een ander soort mensen, wereldvreemd en gevaarlijk tegelijk. ‘Ze noemen dit gebied the zoo’, zo vertelde een bestuurder van een universiteitsstad in North Carolina mij toen ze probeerde uit te leggen hoe de inwoners van omliggende dorpen naar haar gemeente keken.

Republikeinen, vaak gelovig, lieten me vaak al vroeg in het gesprek weten dat hun president natuurlijk ‘far from a perfect man’ was, die er in veel opzichten heel andere waarden op nahield dan zijzelf. Maar er stond veel op het spel, en hij durfde tenminste de boel aan te pakken, daar in dat gevaarlijke Washington en andere grote steden.

Bestuurlijke sensitiviteit

Dit verhaal is één waarheid, niet dé waarheid. We kijken allemaal naar de wereld door een lens van onze eigen ervaringen. Ook de lens waarmee ik de werkelijkheid aanschouw, kent zijn beperkingen. Bij trauma moet je bovendien extra oppassen voor vervorming.

Niettemin: mijn basisschooltijd heeft me erg gevoelig gemaakt voor sociale verhoudingen. Om het in HR-speak te verwoorden: de ontwikkeling van mijn politiek-bestuurlijke sensitiviteit is daar eigenlijk begonnen. Ik denk niet dat ik ooit diplomaat in Washington was geworden zonder de pesterijen van Rick en Tom. Ik zat in de klas en wilde dat ik ergens anders was. Mede dankzij Rick en Tom ben ik er gekomen.

Ik hoop dat de scherpe randen bij hen zijn versleten, zoals dat meestal gebeurt met de jaren. Misschien hebben ze beiden een gezin, misschien heeft het leven hen van pestkoppen veranderd in liefhebbende echtelieden en zorgzame vaders. Misschien ook niet. Hoe dan ook zal de schade op menselijke schaal beperkt zijn tot een paar levens.

Voor de president en zijn entourage moet ik minder mild zijn. Zij beslissen over oorlog en vrede, over leven en dood. Hetzelfde geldt voor hen die zich moeten verhouden tot dit regime: de beleidsmakers in politieke hoofdsteden, de premiers en de ministers van Buitenlandse Zaken. Lopen ze mee, zwijgen ze, of durven zij zich uit te spreken en samen op te staan tegen intimidatie en leugens?

De dag waarop ik voor het eerst terugsloeg, zal ik nooit vergeten. Ik was op weg van school naar huis. Rick en Tom waren niet in de buurt, maar een andere jongen die vaak in hun gezelschap verkeerde was me aan het treiteren. Hij pakte me vast en ik deed iets wat ik nog nooit eerder had gedaan: ik sloeg van me af. Hij was te verbouwereerd om iets terug te doen.

Precies op dat moment fietste de meester langs. Meneer Han greep niet in. In plaats daarvan balde hij zijn vuist, riep ‘Goed zo!’ en fietste verder.

Ik ken de juffen en meesters niet die onze gekozen leiders hebben leren schrijven, ik weet niet of hun handschrift korte of lange krullen heeft. Maar ik hoop vurig dat zij hun leerlingen dezelfde levenslessen hebben meegegeven.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next