Home

Dáár zijn de sleutels! Lezers en experts over spullen kwijtraken (en terugvinden)

Glashard langs je eigen sleutels kijken of zoeken naar een bril die al op je hoofd staat. De redactie vroeg naar uw ervaringen. Waarom zijn we soms zo blind voor objecten en is het terecht dat dit vaak als ‘mannenogen’ wordt aangeduid?

schrijft voor de Volkskrant over praktische kwesties uit het dagelijks leven en (duurzaam) reizen.

Voor ik ’s ochtends de deur uit ga, heb ik het grootste deel van mijn dagelijkse 7.000 stappen al wel gelopen. Waar zijn mijn sleutels, mijn bril, mijn telefoon? Alles afzoeken en dan tot de conclusie komen dat ze toch op de plek liggen waar ik echt al eerder gekeken had. Wat ik nog steeds niet begrijp: het kost zoveel tijd, energie, frustratie en toch lukt het niet om er iets aan te doen.’

Lezer Marion de Jonge verwoordt hier het gevoel van vele lezers, zo blijkt uit de stroom reacties die binnenkwam na onze lezersoproep eind mei. Het niet kunnen vinden van spullen vormt in talloze huishoudens een dagelijkse bron van irritatie.

Lezer Hans Kaldenbach omschrijft dat zo:

‘Ik kon als kind ‘nooit’ iets vinden, nu nog steeds niet. Het basisgevoel is wanhoop, ook lichte paniek, ook zekerheid dat ik het niet vinden kan. En ik weet dat ik teruggestuurd word: ga nog maar eens kijken, het moet er zijn. Schaamte, afgang, een totaal mislukt-zijn gevoel.’

Dat we geregeld iets zoeken maar niet direct vinden, voelt misschien alsof er iets misgaat in ons brein. Maar dat is misplaatst, stelt Céline Gillebert, hoogleraar neuropsychologie aan de KU Leuven. 'De oorzaak hiervan is heel normaal. De misvatting is namelijk dat wij altijd direct waarnemen wat onze ogen zien.' Hier komt het fenomeen inattentional blindness (aandachtsblindheid) om de hoek kijken. Dit is ooit treffend geïllustreerd met het gorilla-experiment waarbij proefpersonen basketbalpasses moesten tellen en daarbij een man in gorillapak over het hoofd zagen. Die visuele informatie werd simpelweg niet verwerkt door een groot deel van de proefpersonen. ‘We kunnen niet alles registreren wat in ons blikveld terechtkomt, dan zouden we compleet overweldigd raken. We hebben selectieve aandacht nodig om te functioneren’, zegt Gillebert.

Breed en smal zoeklicht

Toch zijn er grote individuele verschillen in hoe we informatie filteren. Stefan van der Stigchel, hoogleraar cognitieve psychologie aan de Universiteit Utrecht, vergelijkt het met een zoeklicht. ‘Een breed zoeklicht geeft overzicht, een smal zoeklicht stelt ons in staat om op details te letten. Dit passen we aan per situatie: als je een supermarkt binnenloopt, gebruik je eerst een groot zoeklicht om de koeling te vinden, waarna je inzoomt om een specifiek pak yoghurt te detecteren. Of je van nature meer op details let of een brede kijk op de wereld hebt, verschilt per individu.’

Ook andere cognitieve verschillen spelen een rol bij waarneming, zoals hoe gestructureerd en geordend je bent, of in hoeverre je in je binnenwereld leeft dan wel op de buitenwereld gericht bent. Daar komt ook het stereotype van de verstrooide professor vandaan. Van der Stigchel: ‘Mensen die hiermee worden geassocieerd, zitten simpelweg heel erg in hun eigen hoofd. Dan registreer je de buitenwereld minder actief.’

Volgens Manon Mulckhuyse, universitair docent cognitieve psychologie aan de Universiteit Leiden, sturen drie cognitieve processen onze visuele focus. ‘Top-downaandacht’ is de bewuste beslissing om je zoeklicht ergens op te richten, zoals het zoeken naar een pen op je bureau. Bij ‘bottom-upaandacht’ trekken opvallende prikkels, zoals een felgele stift, onvrijwillig je focus. De derde factor is ‘selection history’: je persoonlijke geschiedenis en ervaringen. Objecten gekoppeld aan emotie, beloning of routine trekken hierdoor automatisch sneller de aandacht.

Dit kan ook leiden tot een mismatch. Zo zegt Rob van Dijk:

‘Mijn vuurrode timmermanspotlood is onlangs vervangen door een grijs exemplaar. Ik kan me er blind naar zoeken, ook als ik het vijf minuten geleden heb weggelegd.’

Mulckhuyse: ‘Tijdens het zoeken activeer je onbewust een mentaal zoekplaatje op basis van eerdere ervaringen. Heel nuttig, maar zodra het uiterlijk van een object verandert, klopt dat plaatje niet meer. Je brein registreert het product niet, waardoor je er glashard langs kijkt en het zoeken veel meer aandacht kost.’

Actieve aandacht

Die aandacht erbij houden is van cruciaal belang, zegt Van der Stigchel: ‘Zodra je gedachten ook maar heel even afdwalen, verdwijnt je interne zoekplaatje uit je werkgeheugen. Je opent de lade en je ogen glijden over de schaar heen, maar je actieve aandacht is weg, dus je registreert hem niet.’

Dat dit tot absurde situaties kan leiden, bewijst lezer WJ Roelofsen:

‘Hilarisch voor mijn gezinsleden was het moment dat ik als kind mijn rechterschoen zocht. Ik zocht, riep om hulp en werd steeds bozer omdat iedereen mij uitlachte. Totdat ik er uiteindelijk achter kwam dat ik de schoen onder mijn oksel geklemd had.’

Mulckhuyse: ‘De boosheid maakte de zoektocht juist lastiger. Bij intense stress of frustratie krijgt visuele ruis uit de omgeving automatisch voorrang in het brein. Opvallende voorwerpen trekken alle aandacht, waardoor zoiets simpels als een schoen onder de eigen oksel niet wordt opgemerkt.’ Bovendien vermindert stress het vermogen om afleidingen te negeren. ‘Het brein wordt minder flexibel en helder schakelen lukt niet meer. Hierdoor blijft iemand zoeken naar iets wat diegene eigenlijk al vasthoudt.’

Lezer Elly van den Boom (71) ervaart dat leeftijd een rol speelt:

'Vroeger zag ik in één oogopslag alles wat er in een kast zat. Nu merk ik dat verstrooidheid toeslaat en dat ik spullen gedachteloos op de verkeerde plek leg, zoals de huissleutels in de koelkast bij de boodschappen.'

Volgens Van der Stigchel krimpt je visuele zoeklicht naarmate je ouder wordt: ‘Details lukken nog wel, maar het grotere overzicht raak je wat meer kwijt.’ Met de ouderdom verminderen ook de zogeheten executieve functies zoals aandacht. Aandacht is van belang bij zoeken, maar ook bij opbergen. Gillebert: ‘Het is dan geen kwestie van vergeetachtigheid, het is simpelweg nooit actief onthouden.’ Ook bij kinderen is het zoeklicht nog klein en zijn de executieve functies nog volop in ontwikkeling: niet gek dat ze altijd hun speelgoed kwijt zijn.

‘Man eyes’

Hoe zit het dan met genderverschillen? Iets niet vinden wat voor je neus staat wordt wel gekscherend ‘man eyes’ genoemd. Dit suggereert een biologische oorzaak, maar volgens Gillebert is er geen bewijs dat mannen slechter zijn in zoeken. ‘Degene die verantwoordelijk is voor de organisatie van de kasten, bouwt simpelweg een beter zoeksjabloon op in het brein.’

Familiesocioloog Katia Begall van de Radboud Universiteit ziet hierin vooral de ongelijke verdeling van de ‘mental load’: ‘Het organiseren en overzicht houden van het huishouden ligt meestal bij de vrouw.’ Dit creëert een dynamiek waarin partners bij voorbaat de motivatie verliezen om zelf aandachtsvol te zoeken, een patroon dat lezer Robin (43) illustreert:

‘Mijn reflex als ik mijn zonnebril niet direct zie liggen op tafel is dat mijn vrouw hem vast weer ergens heeft opgeborgen. Vervolgens trek ik luidruchtig enkele laatjes open om met slecht verhulde frustratie alvast te roepen: schát, heb jij mijn zonnebril toevallig ergens gezien? Mijn aandacht is volledig gericht op het beschuldigen van mijn echtgenote in plaats van op het zoeken.’

Begall: ‘Een man die grapt dat zijn vrouw spullen ‘verstopt’ en zelf niet eens een poging tot zoeken doet is een voorbeeld van weaponized incompetence, ofwel aangeleerde hulploosheid. Door er een grapje van te maken wordt hier de scheve verhouding in de mental load gerelativeerd. Maar het maskeert het feit dat die man op de automatische piloot vaart op de expertise van zijn vrouw, in plaats van zelf verantwoordelijkheid te nemen.’

Hoe onzelfstandig partners soms zijn, blijkt uit het verhaal van Sjef Leermakers (83):

‘Drie weken voor haar overlijden bewees ze mij haar laatste dienst vanaf haar ziekbed. Ik was mijn sleutelbos kwijt en was al zeker een half uur het hele huis aan het doorzoeken. De wanhoop sloeg toe en ik vroeg mijn vrouw om mij toch nog een keer te helpen. Zuchtend fluisterde ze: oké, help me maar uit bed, waar ben je het laatst geweest toen je merkte dat je ze kwijt was? Zwaar leunend op mijn arm schuifelden we richting de garagedeur. Daar zag ze de sleutels meteen, in het slot van de garagedeur.’

Begall: ‘Dit illustreert hoe diep rolpatronen ingesleten kunnen zijn. Het is de ultieme weergave van de traditionele rolverdeling waarin deze generatie vrouwen letterlijk in het harnas sterft.’ Dit is overigens niet simpel een kwestie van schuld van de mannelijke partner die niets oppakt of het niet willen loslaten van de vrouw, benadrukt Begall. In deze dynamiek ontlenen vrouwen er, onbewust, soms juist identiteit aan om de regelaar te zijn en aangeleerde gewoonten zijn moeilijk te doorbreken.

Sjef schrijft dat hij na het overlijden van zijn vrouw noodgedwongen heeft geleerd om zijn spullen zelf te vinden. Volgens Van der Stigchel kun je je visuele vaardigheden absoluut trainen, al spelen motivatie en fascinatie hierbij een cruciale rol. ‘Zoeken vereist bewuste concentratie. Zonder oprechte interesse houdt iemand de focus om details te filteren simpelweg niet vol. Ik ken een radioloog die extreem goed is in het detecteren van tumoren, maar thuis continu haar sleutels kwijtraakt. Die medische beelden boeien haar enorm, de organisatie van het huishouden niet zo.’

Systematisch scannen

Veel lezers proberen die motivatie bij huisgenoten af te dwingen met straffen of beloningen. Maar Van der Stigchel waarschuwt: ‘Als je tijdens de zoektocht alleen maar aan die consequentie denkt, raak je juist afgeleid.’ Het draait vooral om een goede zoekstrategie. ‘Veel mensen kijken simpelweg te kort en te ongeduldig. Die eerste, snelle blik over een rommelig oppervlak mist de details om een voorwerp te isoleren. Pas wanneer we onszelf dwingen om systematisch te scannen, dringt het object door tot ons bewustzijn.’ Om die focus vast te houden roept lezer Johan Bil de patroonheilige van de verloren voorwerpen op:

‘Heilige Antonius, beste vrind, zorg dat ik (vul hier het kwijtgeraakte item in) weer vind. Het is bij ons op kantoor nog nooit voorgekomen dat we het aangeduide voorwerp niet kort nadien hebben teruggevonden.’

De effectiviteit van deze methode berust niet op magie; het actief gebruiken van taal laat simpelweg geen ruimte voor interne afleiding. Van der Stigchel: ‘Of men nu een rijmpje opdreunt of hardop ‘sleutels, sleutels, sleutels’ zegt, het houdt je bij de les.’ Het hardop uitspreken of visualiseren van de naam activeert een mentaal sjabloon, voegt Mulckhuyse toe. ‘Hierdoor registreren de hersenen sneller een match.’

Uiteindelijk schuilt de oplossing voor huishoudelijke ergernissen volgens Van der Stigchel vooral in het accepteren en omarmen van de cognitieve diversiteit: ‘Slechte detailkijkers zijn vaak beter in het zien van de grote lijnen. Het is juist heel nuttig dat we de wereld niet allemaal op exact dezelfde manier waarnemen. Benut elkaars verschillen en vul elkaar aan waar de ander een steekje laat vallen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next