is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Een diersoort die garen spint bij oorlog, dat is precies wat je kunt gebruiken in donkere tijden waarin wapengekletter de natuur steeds meer overstemt.
Je moet bestand zijn tegen de wat pathetische toon die de (om zijn taalgebruik) gelauwerde Britse schrijver Robert Macfarlane aanslaat in Het vogelboek, recentelijk in vertaling verschenen. Maar dan leer je toch iets. Zoals in deze passage over de kluut, rechtstreeks aangesproken door de auteur:
‘In Engeland was de oorlog je redding, kluut, ook al klinkt dat nog zo vreemd. Decennialang werd je opgezet, pikten ze je eieren in. Je raakte ontheemd: broedgebied werd landbouwgrond dankzij dijk, vijzel, kolk, dam. Je stond aan de rand, verdween. Maar in de oorlog stak men de oostelijke zeewering door, liet pompen zwijgen, zette akkers blank, zodat een Duitse aanval kon worden gesmoord. Dat verdronken land werd je bruggenhoofd, daar streek je voor altijd neer. Je bracht er onbevreesd je jongen groot, elk jaar weer, daar bij tankvallen, mijnen, prikkeldraadrollen, zonder te beseffen dat de mens een wolf is, tere breekbare kluut, jij die te midden van onze barbarij je leven slijt.’
Een diersoort die garen spint bij oorlog, dat is precies wat je kunt gebruiken in donkere tijden als deze, waarin wapengekletter de natuur steeds meer overstemt. Zijn er meer soorten die opleven bij geweld en andere rampspoed? Verrek, ja.
Zo bleken in 2016 grote aantallen wilde dieren rond te dartelen in de meest radioactieve gebieden rond de ontplofte kerncentrale in het Russische Tsjernobyl – geen oorlog, wel een ramp. Dertig jaar nadien filmden onderzoekers van de Universiteit van Georgia in de mensenvrije zone volop grijze wolven, vossen, wilde zwijnen en wasbeerhonden. Natuurlijk liepen de roofdieren verhoogde doses straling op van zowel omgeving als van besmette prooidieren, maar dat leek hen niet of nauwelijks te belemmeren in het welzijn.
In deze rubriek geeft Jean-Pierre Geelen, natuurredacteur van de Volkskrant, zijn persoonlijke commentaar op opmerkelijke confrontaties tussen mens en natuur.
Andere rampspoed: de bloedige oorlog tussen Iran en Irak in de jaren tachtig vorige eeuw. Die was goed nieuws voor de Perzische panter. Het Zagros-gebergte tussen de twee landen ligt weliswaar bezaaid met landmijnen (wat soms een leven of ledemaat kost), maar daarom mijden mensen (en dus ook jagers en stropers) het gebied. De bedreigde panter plant zich er nu ongestoord voort, evenals zijn prooidieren, wilde geiten en schapen.
Nog een wrang voorbeeld, op websites voor liefhebbers van wrakduiken. Een ‘niet te missen ervaring’ is Scapa Flow bij de Schotse Orkney-eilanden. Daar liggen op de zeebodem 52 Duitse wrakken van schepen en onderzeeërs uit de Eerste Wereldoorlog. De wrakken werden onbedoeld kunstmatige riffen en zijn nu een paradijs voor zeesterren, anemonen, kreeften en zee-egels, maar ook voor kabeljauw, zilverbuikjes en lipvissen, zo lezen we.
Het kan nog zwartgalliger. In juli 1945 werd op de Stille Oceaan een Amerikaans oorlogsschip tot zinken gebracht door een Japanse onderzeeër. Een dagenlange nachtmerrie voor de getroffen zeelieden. Niet in het minst door de kwetsbare witpunthaai. Volgens schattingen werden 150 van de opvarenden verslonden door de haai, die een all-you-can-eatbuffet kreeg opgediend.
De wanhopige lichtzoeker kan zo nog even doorgaan. Bombardementen en slagvelden zijn geen panacee voor de inzakkende biodiversiteit, maar mogelijk profiteerden vissen van de relatieve stilte in de Straat van Hormuz. Misschien leefden vogels, zoogdieren of plantensoorten wel op in ontoegankelijke oorlogszones in het Midden-Oosten. Het is niet eens een schrale troost, maar wel een gegeven: natuurwetten staan boven elk oorlogsrecht.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant