Wrijving van Peter Jan Margry is zo’n boek waar het enkele onderwerp, de charismatische arts Johan Mezger, aan talloze andere raakt, het ene nog kleurrijker dan het andere.
is kunsthistoricus
Er zijn tientallen manieren om de cultuurgeschiedenis van een stad als Amsterdam te beschrijven, en zo is dat ook gebeurd – via voedsel, uitgaansleven, filantropie, Wagnerliefde, riolering, verpleegkunde, parkaanleg, straatverlichting, voetbal en krankzinnigenzorg.
Nu opent Peter Jan Margry (1956) met Wrijving het panorama van de fysiotherapie. Dat is niet beperkt tot de behandelkamer: dit is zo’n boek waar het enkele onderwerp, de charismatische arts Johan Mezger, aan talloze andere raakt, het ene nog kleurrijker dan het andere.
Een heerlijk boek, ook omdat in Margry’s taal het optimistische timbre van de late 19de eeuw resoneert: het wat ouderwetse, gesuikerde, flamboyante, misschien zelfs operetteachtige, maar dan nadrukkelijk zonder ironie – de geschiedenis is al fascinerend genoeg.
Johan Mezger (1839-1909) was de zoon van een Duitse immigrant, slager in de Prinsenstraat. Hij werd opgeleid tot gymnastiekonderwijzer. Dat was een relatief nieuw vak: sport stond nog in de kinderschoenen, gymnastiek werd als onnatuurlijk gezien, zelfs gevaarlijk, doch de opinie kenterde.
Mezger ontdekte in de gymzaal dat hij verstuikingen kon verhelpen door massage. Dat is geen nieuws voor de 21ste-eeuwer: genezing verloopt sneller als vocht uit de blessure wordt weggemasseerd, en beweging is daarbij nodig. Het was wel nieuws in Mezgers jaren. De praktijk was toen dat verstuikte enkels domweg in gips werden gefixeerd in afwachting van verbetering.
Het was bij het nederig werk als onderwijzer gebleven als Mezger niet als schermleraar bevriend was geraakt met heren uit de bovenlaag: Hartsen, Van Loon en Borski. Zij besloten Mezgers opleiding tot arts te financieren. Dat verliep met imposante stappen, Mezger moest bijvoorbeeld in zeer korte tijd Latijn en Grieks bijspijkeren, hij las al jong Frans en Duits, en stoomde dus door naar zijn promotie met een beknopte dissertatie over de toepassing van ‘wrijving’ in de geneeskunde.
Hier snijdt Margry al grotere verhalen aan. Het eerste is dat van de sociale stijging: in laat 19de-eeuws Nederland was het hoogst ongewoon dat een slagerszoon promoveerde, laat staan dat hij zomaar de enkels van dames uit de hoogste kringen letterlijk onder handen mocht nemen – ze moesten ervoor uit de kleren.
Ongewoon ook, omdat Mezger zijn gewoon Amsterdamse herkomst niet verloochende, zijn patiënten heel direct – op het botte af – aansprak, en zich ook uiterlijk niet als een academische arts presenteerde.
Het tweede is de invloed op de medische praktijk. Over Mezgers ‘mechanische therapie’ werd in academische kringen gefronst, omdat ‘massage’ te veel leek op ‘magnetisme’ en magnetiseurs (terecht) als kwakzalvers werden gezien. Mezger zou zich na zijn dissertatie echter zelden meer wagen aan een academische publicatie. Wel was hij altijd bereid stagiairs mee te laten kijken; de resultaten van zijn therapie bewezen zijn gelijk.
Nog voor zijn promotie kreeg Mezger een van de drie lamlendige prinsen van Oranje als patiënt, en die genas van wat er ook mis met hem was, en daarmee was zijn reputatie gevestigd. Tientallen, nee honderden adellijke figuren, hoogwaardigheidsbekleders en artiesten als Clara Schumann zochten Mezger in Amsterdam op.
Volgens Margry werd hij in die jaren de beroemdste Nederlander en de beroemdste arts van Europa.
Met reden: de jonge kroonprins Gustaaf van Zweden, die na een ongeval bij het balspel al twee jaar niet meer kon lopen, werd door Mezger in twee weken genezen. Zijn moeder koningin Sophie ook: Mezger beval haar te gaan tuinieren en voortaan zélf haar kamer op te ruimen. Het is duidelijk dat het succes van Mezgers behandeling en onomwonden advies veel te maken had met de beklemming waarin met name vrouwen leefden, ingesnoerd in te veel textiel, betutteld en verzorgd, waarna zich onvermijdelijk allerlei ‘zwaktes’, ‘verlammingen’ of ‘neurasthenische’ problemen voordeden.
Voor zijn behandelpraktijk opende Mezger lokalen in het Amstel Hotel, waar de clientèle in alle rust en discretie kon verblijven. Een behandeling duurde meestal maar zo’n vijf minuten; Mezger kon er dus vele tientallen op een dag aan, aan de lopende band, een zeer winstgevend format.
Hier leest Wrijving als die filmscène in Visconti’s Dood in Venetië, waar de fine fleur van het internationaal toerisme zich heeft verzameld in een eersteklashotel, babbelende Amerikanen, complete families Von Wied of Wurttemberg, bedeesde Poolse adel, alles in boorden, hoeden, veren, pluimen en korsetten, allemaal geobsedeerd door hun gezondheid.
Koningin Elisabeth van Roemenië zat er vaak; keizerin Sisi van Oostenrijk dronk er de ‘melkchampagne’ van Mezgers eigen boerderij. Niets was te gek: voor de prinses Pallavicini, die zich van Amsterdam als ‘Venetië van het Noorden’ wat meer had voorgesteld, regelden Mezger en het hotel een echte gondel, inclusief Venetiaanse meerpalen en gondeliers.
Peter Jan Margry publiceerde eerder over het Mirakel van Amsterdam, over bedevaartsplaatsen en over de aantrekkingskracht van alternatieve geneeswijzen, en dit boek past in die lijn. In het Amstel Hotel werden immers wonderen verricht; dat Mezger met alleen zijn handen mensen van verlammingen kon genezen, had een Bijbelse dimensie.
Het steeg Mezger naar het hoofd. Hij begon zich uit te laten over dingen waar hij geen verstand van had, en hij kreeg steeds langere tenen. Hij dreigde uit Amsterdam te vertrekken, wat de gemeente een flinke paniek bezorgde. Uiteindelijk werd hij naar Wiesbaden gelokt met de belofte dat daar een enorm sanatorium speciaal voor hem zou worden gebouwd. Ook daar maakte hij echter ruzie, over onbenulligheden, en keerde weer terug naar Amsterdam.
Zoals in de goede romans van die tijd – ik dacht aan Trollope – krijgt ook dit verhaal een godenschemering. In de nadagen van zijn carrière presenteerde Mezger een nieuwe radicale therapie, waarbij patiënten zich van ‘gas’ konden bevrijden door zichzelf met een houten hamer op de buik te slaan. Daarmee maakte hij zich belachelijk. Mede daardoor werd hij na zijn dood vrij snel vergeten.
Behalve dan bij de fysiotherapeuten, die hem in ere houden als de grondlegger van hun vak, en die uw verstuikte enkel masseren en niet in het gips zetten.
Peter Jan Margry: Wrijving – Johan Mezger, lijfarts van de Europese elite. Prometheus; 438 pagina’s; € 32,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant