Voetbal, de relatie met haar vader en de ineenstorting van Joegoslavië: Marković brengt het perfect (en heel grappig) samen in Het laatste elftal.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Luister: iedereen klaagt over autofictie. Ik ook. Het is het laagst hangende fruit, de literaire piñata. Elke criticus heeft zijn stok. Iedereen klaagt dat autofictieschrijvers geen fantasie hebben, dat ze zelftevreden ronddwalen in het spiegelpaleis dat ze in hun eigen navel hebben opgetuigd, dat ze hun trauma’s dankbaar tot literatuur opkloppen.
Et cetera.
En soms – soms kom je dan een boek tegen dat absoluut autofictie is, en absoluut geweldig en origineel. Dat geen andere vorm zou kunnen hebben dan déze vorm. Wel een navel, maar in die navel blijkt de hele wereld te passen.
Het laatste elftal van Barbi Marković (1980) gaat over twee voetbalwedstrijden. De eerste is irrelevant. Een jeugdwedstrijd. Barbi Marković is dan 9 en zit op een snikhete, nagenoeg lege tribune op haar vader te wachten. Joegoslavië, 1989. Marković schrijft:
‘De stemming in het land is monter en licht bewolkt. Mannen smokkelen spullen de grens over, vrouwen roken. Mannen sporten en praten over sport. Vrouwen sporten, liggen in de zon en zorgen voor de kinderen, het huishouden en het geld. Mannen drinken, maken plezier, gokken, verwaarlozen hun verplichtingen, vrouwen dragen daar de gevolgen van.’
Marković’ vader is zo’n man. Slobodan. Hij is charmant, hij is speels, zijn dochter is gek op hem, buurtkinderen ook – iedereen op de voetbalclub is dat, inclusief de bookmakers en dubieuze handelaartjes.
Hij is ook het type man dat, wanneer zijn huwelijk stukloopt, zijn kinderen achterlaat. En een nieuw huwelijk begint, nieuwe kinderen krijgt – dezelfde cyclus.
Barbi ziet de val: ze ziet hem de ketting die hij van zijn moeder heeft gehad verhandelen voor een vervalst schilderij.
Marković vertelt niet alleen over een voetbalwedstrijd: het boek moet je lezen als een voetbalwedstrijd, waarbij de schrijver haar eigen commentator is, haar eigen Sierd de Vos. Wanneer ze een anekdote over haar vader vertelt, schrijft ze: ‘Mooi. Mooie achtergrondinformatie. Het verhaal knapt er meteen van op. Barbiiiiiiiiiiiiiiiiiii, Barbi Marković, het is ongelooflijk, in het eerste hoofdstuk, in de zesde leesminuut, recht in de kruising.’
De meta-humor is niet melig; het is onmiskenbaar het sarcasme van het volwassen kind dat haar nalatige vader in een verhaal vangt. Dat haar trauma – een woord waarvan ik me overigens niet kan voorstellen dat de strijdbare Marković dat zou accepteren – van zich afbijt.
Want ondanks dat venijnige sarcasme blijft dit dat bekende verhaal: het meisje dat loyaal is aan haar vader, nadat hij dat al lang niet meer aan haar is. Dat zit te wachten op haar verjaardag en naar de telefoon rent, terwijl ze allang voelt aankomen dat hij afzegt.
Door de liefde heen ziet ze hem als de opportunist die hij is. ‘Marković is een staatsbedrijf, hij schrijft de ene na de andere aanbesteding uit en iedereen mag meedingen.’ Welk kind het meest te geven heeft, krijgt zijn liefde.
In die zin is voetbal ook weer een metafoor: ‘De wereld is niet te redden. Mensen houden meer van hun team, van hun achterlijke clubliederen en hun haat, dan van een mooie dag met vrienden, van een rustig bestaan met hun gezin.’
De tweede voetbalwedstrijd speelt zich een jaar later af. 1990, het WK voetbal in Italië. In Florence speelt Joegoslavië tegen het Argentinië van Maradona. Haar vader is weer eens bij haar en haar moeder thuis, ze zitten te kletsen met de tv aan en Barbi zegt: ‘Stil nou even, ik wil voetbal kijken.’
Het is ironisch bedoeld. ‘Mijn grap is een groot succes, net zoals dit boek een groot succes is onder jullie lezers. Ik bal mijn vuisten, trek mijn T-shirt uit en laat me toejuichen. Wat een knotsgekke grap! Iedereen lacht. Barbi Marković, dezelfde Barbi Marković die haar halve jeugd tegen haar zin in een voetbalstadion heeft doorgebracht, die Barbi Marković zou hebben gezegd: ‘Ik wil voetbal kijken.’
Ze gaat verder: ‘Als we samen kunnen eten, grappen kunnen maken en achter het nationale elftal kunnen staan, dan zal het principe van saamhorigheid zegevieren (...) We zullen bij elkaar blijven. Het land zal blijven bestaan.’
Veel kinderen fantaseren over een leven als stervoetballer. Ze dromen van het succes, van de roem, of ze dromen ervan de spelers te zijn – ‘Ik ben Frenkie!’ Barbi fantaseert over voetbal als bindmiddel, dat mensen, huwelijken en maatschappijen bij elkaar houdt.
Het laatste elftal is zo een geweldig bevlogen en origineel boek, en een pijnlijke ode aan zo’n zeldzaam moment in de tijd waarop nog heel even het idee kan bestaan dat het allemaal goed zou komen.
Gaat niet gebeuren. Haar vader blijkt alleen te zijn langsgekomen om te vertellen dat hij hertrouwd is ‘om bij dezen ontslag te nemen als vader’. En Joegoslavië blijkt die dag voor het laatst uit volle borst het volkslied Hej Slaveni! te zingen. Ze verliezen na penalty’s. Laatste zin van Marković: ‘Ik haat voetbal.’
Barbi Marković: Het laatste elftal. Uit het Duits vertaald door Lotte Lentes. Koppernik; 104 pagina’s; € 22,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant