Home

László Krasznahorkais ‘Afscheid van Zsömle’ is een voortrazend verhaal over hoog reiken en diep vallen

Nobelprijswinnaar László Krasznahorkai is bij ons vooral bekend om zijn intens weemoedige meesterwerken Satanstango en De melancholie van het verzet. Hoe onverwacht licht en satirisch is Afscheid van Zsömle, over een elektricien die zichzelf koning waant van Hongarije.

De personages in de boeken van de Hongaarse Nobelprijswinnaar László Krasznahorkai (1954) lopen graag achter de verkeerde leider aan – ‘Een valse profeet is hun allerlaatste strohalm, want een echte profeet zouden ze niet geloven, die zouden ze stenigen’, zo vertelde Krasznahorkai eens in een interview.

De valse profeet in zijn nieuwste boek, Afscheid van Zsömle, is een 91-jarige elektricien met een granaatscherf in zijn hoofd. Hij beweert de enige echte koning van Hongarije te zijn.

Krasznahorkai is bij ons vooral bekend om zijn intens weemoedige meesterwerken Satanstango en De melancholie van het verzet. In vergelijking is Afscheid van Zsömle een onverwacht licht en satirisch boek.

József Kada, zo heet de hoofdpersoon, een naam die duidelijk verwijst naar József Daka, een in Hongarije bekende en in 2016 overleden troonpretendent. Hij meent in rechte lijn een afstammeling van de 13de-eeuwse koning Béla IV te zijn. Samen met zijn hondje Zsömle woont hij op een berg, ver van de bewoonde wereld. Dat hij in 1944 in het geheim gekroond zou zijn door de toenmalige regent van Hongarije, Miklós Horthy, mag niemand in zijn omgeving weten.

Achter zijn computer bereidt Kada zich voor op zijn plek op de troon, van plan zijn land op weg te helpen naar de ‘Waarachtige Hongaarse Toekomst’. De Duitse bondspresident moet hem hierin steunen, net als zijn goede vriend, kardinaal Bergoglio, de latere paus Franciscus. Per e-mail probeert Kada deze en andere hooggeplaatste mannen voor zijn zaak te winnen.

Tot er onverwacht een groep monarchisten op de stoep staat, gewone mensen, ‘kinderen van het volk’. Na jarenlang archiefonderzoek menen deze leden van organisaties als ‘Bloed en Eer’ en de ‘Oer-Hongaarse Sjamanenkerk’ ontdekt te hebben waar hun koning zich verscholen houdt.

Onaangenaam verrast houdt Kada de boot af, maar hij is ook gevleid en vraagt zijn bezoekers om hem niet met ‘Majesteit’ aan te spreken maar simpelweg met ‘Oom Józsi’. Een slimme zet, want als ze weggaan voelen de bezoekers een ‘aangename opwinding omdat ze een geheim deelden met de Majesteit en hun lot met het zijne hadden verbonden’.

Zelfspot

Een van de vele grappen die Krasznahorkai in dit boek uithaalt, is dat zich onder de bezoekers een alter ego van de schrijver bevindt. Een rondtrekkende gitaarspeler die naar de naam László Krasznahorkai luistert en weemoedige liedjes zingt waarop niemand zit te wachten. Is dit een hogere vorm van zelfspot?

Anders dan in bijvoorbeeld Satanstango, waarin de dorpsbevolking vooral slachtoffer is, zijn het deze keer de monarchisten die, zo wordt langzaam duidelijk, de gepensioneerde elektricien voor hun reactionaire karretje spannen.

Krasznahorkais sympathie lijkt dan ook bij de oude Kada te liggen. Deze is niet alleen vervuld van hoogmoed en zelfbedrog, maar kent ook momenten van vertwijfeling. Zijn complexe karakter wordt nu eens van een afstand beschreven (in de hij-vorm), dan weer spreekt Kada in de ik-vorm. Beide perspectieven wisselen elkaar voortdurend af, lopen ongemerkt in elkaar over, wat nog eens versterkt wordt door de extreem lange zinnen waarop Krasznahorkai patent heeft, zinnen zo lang als een hoofdstuk.

Dat de lezer nergens het spoor bijster raakt is vooral te danken aan de vloeiende en trefzekere vertaling van Mari Alföldy (wanneer krijgt zij nu eens de Martinus Nijhoff Vertaalprijs?). Tegelijk lijkt Krasznahorkai de lezer enigszins tegemoet te komen. Anders dan in zijn vorige boeken, waarin nog weleens sprake was van een stapeling van bijzinnen, houdt hij zich in Afscheid van Zsömle meer aan de gewone woordvolgorde van hoofdzin en bijzin. Alleen zet hij zelden een punt.

In interviews heeft Krasznahorkai meermaals verteld dat het schrijven van lange zinnen, en ook het weglaten van alinea’s, hem dichter bij de gewone spreektaal brengt: ‘Mensen praten niet in korte zinnen’, zo meent hij.

Dat hij hierbij een bepaald type mensen in gedachten heeft, spreekt voor zich. Mensen van wie de innerlijke monoloog uit een onophoudelijke gedachtestroom bestaat, bang om een stilte te laten vallen. Valt er wel een stilte, dan vult Krasznahorkai die op met een losstaande, door witregels omgeven kreet die ondanks de vetgedrukte kapitalen even lucht brengt in het voortrazende proza. Een typografisch effect dat heel goed werkt, juist omdat het meestal onzinnige, spreektalige uitroepen zijn als: WAT IS DIT?! en ZIJ DENKEN DUS DAT IK GEK BEN?

Nationalisme

Dat het waanbeeld van Oom Józsi tot een samenzwering leidt, inclusief in het geheim aangelegde wapenarsenalen, tot arrestaties en veroordelingen, is duidelijk. De parallel met de Duitse rechts-extremistische Reichsbürgerbewegung en hun dubieuze Prins Heinrich XIII, die in december 2022 werd gearresteerd, is niet te missen. Als Krasznahorkai al ergens de spot mee drijft, dan is het met het hedendaagse, overal de kop opstekende nationalisme.

Maar Afscheid van Zsömle is meer dan dat. Het is een verhaal van waan en werkelijkheid, van dromen en niet meer kunnen stoppen met dromen, van hoog reiken en diep vallen, van een oude man die in de gevangenis alleen nog maar kan denken aan zijn hondje Zsömle, want wie zorgt er nu voor hem?

En juist in dit hondje zit misschien wel de belangrijkste parallel. Want ook zijn vorige hondje heette Zsömle, en het hondje daarvoor ook. Het hondje is dus inwisselbaar, hij komt en hij gaat, zoals ideologieën komen en gaan, en koningshuizen, en valse profeten. Maar als er altijd een Zsömle is, is er ook altijd een afscheid, zoals de titel zegt, waarmee we terug zijn bij het diep melancholische karakter van Krasznahorkais oeuvre. Zo geestig als Afscheid van Zsömle begint, zo schrijnend is het slot.

László Krasznahorkai: Afscheid van Zsömle. Uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy. Wereldbibliotheek; 256 pagina’s; € 26,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next