Pien is mentor op een middelbare school als een van haar leerlingen bij haar komt met een naar verhaal over de conrector. Ze wil het meisje helpen, maar dat gaat stroef. In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
‘Na onze eerste dag op de middelbare school waar we als docent waren aangenomen, zei mijn collega onderweg naar huis: ‘Nou Pien, we hebben in al die jaren hiervoor niet zoveel aandacht gekregen als op deze ene dag!’ Het was 1983, de tijd van de werkloosheid, en we waren dolblij dat we een urencontract hadden gekregen op een prachtig gelegen middelbare school op de Veluwe. De conrector stond ons bij de ingang op te wachten en ontving ons met alle egards. ‘Welkom! Thee of koffie? Ik zal jullie alles laten zien, hebben jullie vragen?’ Dat waren wij helemaal niet gewend. Meestal werd er gezegd: aan het eind van de gang rechts zit de klas op je te wachten.
‘Bart, de conrector, was een charismatische man die al decennia op die school werkte. Hij was lang, blond, slim en had een vriendelijk, bruin gezicht. Hij zal rond de 50 zijn geweest en was een beetje grijzend. Ik was 28 en voelde me in eerste instantie gevleid door de manier waarop hij aandacht gaf. Maar al snel merkte ik dat het zijn werkwijze was. Zo’n man die tegen je zegt: ‘Ik mag dit eigenlijk niet zeggen, maar je krijgt meer uren.’ Ik was natuurlijk blij met extra uren, maar de manier waarop hij dat zei, beviel me niet. Er werd veel geroddeld op school, met name over hem, maar de ernst en de aard waren mij toen nog niet duidelijk.
‘Vlak voor de zomervakantie kwamen, onafhankelijk van elkaar, twee collega’s naar mij toe. Vrouwen die mij vertelden dat ze door Bart waren lastiggevallen. Ze wilden het aan de rector vertellen, maar durfden niet. Ik had geen speciale functie, ik was gewoon docent, maar kennelijk wisten ze dat ik er iets mee zou doen. Ze waren er erg door aangedaan, de schaamte droop van hen af. Bart had ze tegen de muur gedrukt, bij hun borsten gegrepen en zijn tong in hun keel gestoken. Ik snapte opeens hoe het werkte: hij had eerst alle aandacht voor vrouwen, luisterde goed naar ze, en als ze gecharmeerd van hem waren, greep hij op een agressieve manier zijn kans.
‘Ik stapte geschrokken naar de rector. Hij was net nieuw, jong, nogal emotioneel van aard. Het zweet brak hem uit. Een zwakke leidinggevende, dat was duidelijk. Bart zat al decennia op de school en genoot veel sympathie van leerkrachten en leerlingen. De rector was als de dood om zijn vingers hieraan te branden en schakelde de landelijke inspectie in. Een inspecteur riep vijftien tot twintig vrouwelijke docenten op voor een bijeenkomst in een hotel in de buurt. Allemaal tegelijk. Een uur daarvoor had ze met Bart gesproken. Hij verliet het hotel op het moment dat de vrouwen kwamen aangelopen. Een aantal collega’s raakte in paniek, bang voor repercussies.
‘De inspecteur stuurde later een brief naar deze collega’s, waarin stond dat Bart voortaan geen een-op-eencontact meer met leerlingen mocht hebben. Nogal lastig in het voortgezet onderwijs, omdat leerlingen zich bij de conrector moeten melden als ze de klas worden uitgestuurd. En Bart moest verplicht een psychiater bezoeken. Later werd gezegd dat hij naar een bevriende psychiater was gegaan, die constateerde dat hem ‘niks mankeerde’. Daarna bleef alles bij het oude.
‘Bart gedroeg zich alsof er nooit iets was gebeurd. Hij liep rond als de gebraden haan. De vrouwen die tegen hem getuigd hadden, negeerde hij. Mij als klokkenluider heeft hij ook nooit meer een blik waardig gegund. Hij sloeg me consequent over, ik werd voor geen enkele activiteit meer gevraagd. Tegen de leerkrachten die het voor hem hadden opgenomen, gedroeg hij zich amicaal: knipogen, lachen, van ouwe-jongens-krentenbrood. De sfeer op school was om te snijden. Iedereen was bang. Je keek continu over je schouder, durfde niet meer vrijuit te praten. De enige plek waar het veilig was, was in je eigen klaslokaal.
‘Na een jaar kreeg ik een nieuwe vierde klas met mentorleerlingen met wie ik allemaal een persoonlijk gesprek plande om kennis te maken. De eerste leerling die ik sprak was een meisje van 16. Ze vertelde meteen dat ze bij de conrector was geweest omdat hij haar iets moest uitleggen over een excursie. Tijdens het gesprek had hij in zijn broek met zijn piemel gespeeld, ze kon duidelijk zien dat hij zich aftrok. Terwijl ze me het vertelde, keek ze me indringend aan om mijn reactie te peilen. Ze zag er kwetsbaar uit. Gefundenes Fressen was ze voor hem geweest.
‘Nadat ik het meisje had beloofd dat ik voor haar zou zorgen, ben ik weer naar de rector gegaan. Dit keer was ik woedend. Tot hier en niet verder. Een jaar daarvoor waren het volwassen vrouwen geweest, dit was mijn kind! De school had inmiddels een vertrouwenspersoon aangesteld, een collega die daarvoor een cursus had gevolgd. De rector verwees het meisje door naar die vertrouwenspersoon, maar het meisje gaf aan niet met die man te willen praten. Ik ben toen zelf naar die vertrouwenspersoon gegaan om te vragen wat ik moest doen. Hij zei dat hij niets kon doen als het meisje niet bij hem kwam.
‘Ondertussen bezocht ik de ouders die door hun dochter waren ingelicht. Ik vertelde ze dat we goed voor hun dochter zouden zorgen. ‘We hebben een hotline met de ggz’, vertelde ik ze, ‘als de vertrouwenspersoon een seintje geeft, krijgt ze hulpverlening.’ Dat vonden ze een fijne, veilige gedachte. Ik legde ze ook uit dat ik het zorgvuldig moest aanpakken, dat er protocollen bestonden en dat ik de juiste weg moest bewandelen. Ik ging opnieuw naar de vertrouwenspersoon om te zeggen dat het meisje echt met niemand anders wilde praten dan met mij. Misschien kon ik het haar laten opschrijven, of haar verhaal op een cassettebandje opnemen? ‘Kun je me hier doorheen loodsen?’, vroeg ik. Hij bleef bij zijn standpunt: het meisje moest en zou naar hém toekomen. Toen ik weer naar de rector ging, zei deze: ‘Je moet toch echt bij de vertrouwenspersoon zijn.’ Ik huilde van woede en machteloosheid.
‘Na een paar weken belde de vader op: ‘Is dit de goede zorg die u beloofd heeft? Ik haal mijn dochter nu van school.’ Op dat moment realiseerde ik me dat ik door weken te wachten op steun van de organisatie het meisje aan haar lot had overgelaten. Ik had haar metéén op de bagagedrager van mijn fiets moeten zetten en onmiddellijk naar de politie moeten rijden om samen aangifte te doen. Om vervolgens door te rijden naar de ggz zodat ze hulp kon krijgen voor haar traumatische ervaring. Mijn strijd leverde weliswaar op dat de vertrouwenspersoon uit zijn functie werd ontheven, de rector is vertrokken en de dader met een gouden handdruk de laan uit werd gestuurd. Maar aangifte was geen optie, dat zou de goede naam van de school besmeuren. En het meisje was ik kwijt.
‘Het verbaast me dat het me na al die jaren nog steeds zo bij de strot grijpt. Ik snap mijn toenmalig handelen, maar dat vergoelijkt mijn afwachtende en volgzame gedrag niet. Dat jaar heeft mijn leven gekleurd, grijzer gemaakt. Als ik het meisje ooit zou tegenkomen, nu een volwassen vrouw, zou ik haar uit de grond van mijn hart willen zeggen: ‘Het spijt me. Ik heb geprobeerd om goed voor je te zorgen, maar dat is me niet gelukt. Terwijl jij mijn kind was en ik jouw mentor, heb ik je niet beschermd.’
Op verzoek van de geïnterviewde zijn de namen in dit verhaal gefingeerd. Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant