Home

In het aardbevingsgebied in Venezuela is hoop houden tot kunst verheven

Nergens in Venezuela is de geur van de dood intenser dan tussen de ingestorte flatgebouwen van La Guaíra. Ruim tien dagen na de verwoestende aardbevingen zijn duizenden vrijwilligers nog altijd op zoek naar overlevenden. Van de overheid verwachten ze weinig. ‘De politie komt hier alleen voor het gratis eten.’

is verslaggever van de Volkskrant en voormalig correspondent in Latijns-Amerika. Ze doet verslag vanuit het aardbevingsgebied in Venezuela.

Op het puin van wat tien dagen geleden een flatgebouw van twaalf verdiepingen was, klinkt zaterdag een indringend fluitsignaal. Iedereen blijft direct stokstijf staan. In de stilte die neerdaalt over het rampgebied in La Guaíra is alleen nog het gekrijs van papegaaien te horen.

Het fluitsignaal betekent dat er leven is gesignaleerd. En om de sensoren van de reddingswerkers niet te verstoren, mag niemand geluid of beweging maken. Het is alsof een film op pauze is gezet: seconden eerder was er de herrie van graafmachines, van drilboren, van overlevenden die met spades en verbeten gezichten puin wegscheppen waaronder hun geliefden bedolven zijn. Dan plotseling diepe stilte, de afgepeigerde gezichten vol hoop.

Statistieken

‘Ze hebben twee meisjes gevonden’, gaat het fluisterend rond. ‘Zusjes van 8 en 16 jaar, ze leven nog.’ Het zou een wonder zijn. De geschiedenis leert dat de kans op overlevenden nihil is in dit stadium, tien dagen na de dubbele aardbeving die Venezuela trof. Maar Venezolanen weigeren zich iets aan te trekken van statistieken uit de geschiedenis. Hoop houden is in dit door politieke en economische rampspoed getekende land tot kunst verheven.

Gabriela Veiga (19) zit op een stoffige generator voor zich uit te staren. Haar vader, zus, zwager en diens moeder waren in het gebouw dat zich nu als een ingeklapte harmonica voor haar uitstrekt. ‘Ik heb hun appartement gevonden’, vertelt ze. ‘Ik herkende wat spullen.’ Maar van hun lichamen ontbreekt nog elk spoor. ‘Het kan dat ze nog leven’, zegt ze zacht. ‘Maar hoe dan ook moeten we ze vinden. Ik wil niet dat ze in een anoniem massagraf verdwijnen.'

Oorlogsgebied

La Guaíra is een badplaats aan de Caribische kust, een geliefde weekendbestemming voor inwoners van de naastgelegen hoofdstad Caracas. De turquoise zee klotst kalm het witte zand op, er is een kleine kermis pal aan het strand en in normale tijden doen nachtclubs hier goede zaken.

Nu ziet de kustlijn eruit als een platgebombardeerd oorlogsgebied. De stank van de tienduizenden doden die mogelijk nog onder het puin liggen, dringt dwars door mondkapjes heen. De grond ligt bezaaid met overblijfselen van de levens die zich hier afspeelden: een plastic mand met naakte barbiepoppen, een bh, een hondenmand, een geplette laptop, een uiteengereten bijbel. Tussen al die spullen wandelen leguanen alsof er niets is gebeurd.

Zaterdag zijn er bijna drieduizend doden bevestigd, vierhonderd meer dan de dag ervoor. Aan de lopende band worden de verminkte lichamen weggevoerd, soms moeten ze doormidden worden gehakt om ze los te krijgen. De straten, pleinen en parken van Caracas zijn gevuld met tentenkampen met daarin de naar schatting 16 duizend mensen die dakloos zijn geraakt. De regering heeft donderdag een week van nationale rouw afgekondigd.

Nog niet toe aan rouw

Maar familieleden van de 40 duizend vermisten zijn nog niet toe aan rouw. ‘We gaan haar vinden’, zegt Adolfo Guédez (56) vastberaden. ‘Ze leeft.’ Guédez komt uit Santa Rosalia, een dorpje 430 kilometer van La Guaíra. Toen hij over de aardbeving hoorde, probeerde hij vergeefs contact te leggen met zijn 23-jarige dochter Alexandra, die twee weken eerder naar La Guaíra was verhuisd.

Guédez, zijn vrouw en hun andere dochter twijfelden geen seconde en reisden af naar het rampgebied. Daar bivakkeren ze sindsdien in een zelf gefabriceerde tent, en slapen op gedoneerde matrasjes. De tent staat onder een mangoboom, naast het gebouw waar Alexandra woonde. ‘Wij zijn boeren’, zegt Guédez met gebroken stem. ‘Alexandra is fysiotherapeut, zij heeft het gemaakt in het leven.’

Bij gebrek aan hulp hebben ze zich diep in de schulden gestoken om zelf een graafmachine te huren. ‘Die kost 2.500 dollar per dag. We delen de kosten met andere familieleden van inwoners van de flat.’ Hij wijst op een groepje mannen in de schaduw van een mangoboom een stukje verderop. ‘Zij zijn van de regering’, zegt hij woedend. ‘Ze zitten de hele dag te niksen.’ Hij schudt het hoofd: ‘Wat komen ze doen? Als je niet meehelpt, blijf dan thuis.’

Woedend op de regering

De woede over het optreden van de regering heeft na tien dagen een kookpunt bereikt. Familieleden en vrijwilligers graven onvermoeibaar, soms met blote handen in het puin. Hun kleding gescheurd, hun gezichten grijs van het stof, hun lichamen bezweet in de verzengende hitte.

Ook internationale reddingsploegen doen wat ze kunnen. Maar de uniformen van militairen en politieagenten zijn brandschoon. Ze regelen het verkeer of zitten in de schaduw te scrollen op hun telefoons.

In een persconferentie noemde de Venezolaanse president Delcy Rodríguez de breed klinkende verwijten over het gebrekkige regeringsoptreden ‘schandalig’. De socialistische partij van Rodríguez is sinds 1998 aan de macht, onderdrukt met keiharde hand alle tegengeluid en heeft het land in een diepe economische afgrond gestort. Rodríguez beschuldigde de media van het verspreiden van onwaarheden en zei er juist alles aan te doen om de bevolking te helpen.

‘Ze verspreidt zelf leugens’, zegt Veiga, de 19-jarige vrouw die haar vader en zus zoekt. ‘Regeringstroepen komen alleen in actie voor hun eigen mensen en familieleden.’ Ze wijst naar de ingestorte flat rechts van haar. ‘Daar was tot gisteren een graafmachine aan het werk’, vertelt ze. ‘Er woonden militairen. Toen hun lichamen waren gevonden, hebben ze de machine meteen weer meegenomen.’

Krappe appartementen

In 1999 werd La Guaíra ook al getroffen door een ramp. Na hevige regenval spoelden modderstromen complete wijken de zee in, er waren minstens tienduizend doden waarvan een groot deel nooit is teruggevonden.

Voor de overlevenden bouwde de socialistische regering zes flats van elk twaalf verdiepingen. Vier daarvan zijn bij de aardbevingen ingestort, de andere twee staan nog overeind maar kunnen ieder moment bezwijken. Nergens in La Guaíra is de geur van de dood intenser dan hier; in de krappe appartementen woonden vaak grote gezinnen.

Het is bij deze flats waar het levensteken van de twee meisjes zou zijn gesignaleerd. Hun moeder staat trillend en huilend te kijken hoe Mexicaanse reddingswerkers hun apparatuur gereed maken.

‘Zodra ze bereikbaar zijn, krijgen ze water en zuurstof’, vertelt Emanuel Rosales, een arts die als vrijwilliger werkt. ‘Pas daarna worden ze losgemaakt en naar buiten gebracht.’ De ambulance staat al klaar, honderden mensen drommen samen in de hoop getuige te zijn van de redding.

Hartverwarmend

De Venezolanen weten al heel lang dat ze van hun regering weinig hoeven te verwachten, dus zijn ze in groten getale komen helpen. De weg naar La Guaíra raakte de eerste dagen zo vol met mensen die water, eten en matrasjes wilden brengen, dat de hulptroepen er niet meer doorheen konden.

Vrouwen lopen op slippers door het puin en delen zelfgemaakt eten uit. Artsen uit het hele land helpen de 16 duizend gewonden te verzorgen.

‘Het is hartverwarmend’, zegt Yeilin Rojas (37), die haar kamp heeft opgeslagen op het dak van het gebouw waar naar de twee meisjes wordt gezocht en waar ook haar oma woonde, een van de overlevenden van 1999. ‘Er is zoveel liefde, ondanks de regering die al die jaren haat heeft gezaaid.’

Van een draagbalk heeft Rojas een bed gemaakt, erboven heeft ze dekens gespannen voor wat schaduw. Ook zij heeft geen goed woord over voor de autoriteiten: ‘De politie komt hier alleen maar voor het gratis eten.’

Ruim een uur na het fluitsignaal blijkt er sprake van vals alarm. De Mexicaanse reddingswerkers hebben geen enkel spoor van leven kunnen ontdekken. Ze pakken hun spullen in en vertrekken. Ook de omstanders druipen af. Niemand weet hoe het gerucht van de meisjes is ontstaan, of waar het op was gebaseerd.

‘Maar het had gekund’, zegt een vrouw die al die tijd naast de ambulance heeft staan kijken. ‘We moeten de hoop niet verliezen.’

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next