Home

‘Hartverscheurend huilend zakte die moeder door de benen’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Bert Sietzema (55) reanimeerde een peuter met dezelfde leeftijd als zijn eigen zoontje. ‘Een agent verzamelt krasjes op zijn ziel.’

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

‘Ik zat nog maar een jaar bij de politie toen ik de melding kreeg van een vermist kind op een boerderij. Het jochie was verdwenen van zijn speelplek. Die boerderij stond in de hoek van een brede sloot en een grote vaart.

‘Ik vertrok plankgas van het bureau in Stiens naar Bartlehiem en zag al snel dat de brandweer achter me aan reed. We stopten achter het woonhuis, waar een geschokte man en vrouw ons opwachtten. Je zag de paniek in hun ogen.

‘Terwijl ik mijn koppel al losmaakte in de verwachting dat ik in de vaart moest duiken, zag ik een speelplek met een afrastering eromheen, waarvan het hekje openstond. Op de rand van het water lag een stukje speelgoed.

‘Zodra een brandweerman en ik in de vaart wilden springen, schreeuwde een oude man: ‘Ik heb hem! Ik heb hem!’ Die man kwam drijfnat aanrennen, ook met panische, grote ogen. In zijn armen droeg hij een bewusteloos kind van nog geen 2 jaar.

‘Hij was de opa van het ventje. Tussen hem en ons stond een schapenhek. ‘Geef maar hier’, zei ik, en ik nam het kind van hem over. Het was een mooi blond kereltje in een pyjamaatje, hij zag er blauw uit. Ik legde hem op zijn rug in het gras en knielde naast hem neer. Een brandweerman begon meteen te reanimeren. Ik telde de compressie en gaf het kind steeds mond-op-mondbeademing. Zijn maaginhoud kwam naar boven, maar dat kon me niet schelen. We zagen die ouders elkaar angstig vasthouden.

‘Het reanimeren duurde in mijn beleving wel een halfuur. Een collega kwam ter plaatse, ik hoorde de sirenes van twee ambulances dichterbij komen en in het weiland naast de boerderij landde met veel kabaal de traumaheli uit Eelde. Al die medici renden op ons af.

‘‘Ga door’, zeiden ze tegen ons. Ondertussen sloten zij het jongetje aan op een monitor en draaiden ze een holle buis in het bot van zijn onderbeentje, waar ze adrenaline doorheen spoten. Soms zei iemand: ‘Jongens, effe stoppen.’ Dan keken we met z’n allen gespannen naar de monitor. Steeds leek het even of het jongetje z’n hartslag zelfstandig oppakte, maar dan zwakte het signaal af, kregen we een flatline en gingen we weer door.

‘Op een gegeven moment zei de trauma-arts: ‘We proberen het nog één keer.’ Weer probeerden wij er leven in te krijgen en dienden de ambulancemedewerkers een stoot adrenaline toe via dat been. Opnieuw staarden we met z’n allen naar die monitor. En wéér zagen we die strakke, onverbiddelijke, horizontale lijn.

‘De trauma-arts stond op en liep naar de ouders. Ik kon niet horen wat hij zei, maar zag het volgende moment die moeder door de benen zakken, haar man probeerde haar nog te ondersteunen. Op de grond begon ze hartverscheurend te huilen. Wij waren allemaal doodstil.

‘Ik kon het niet aanzien. Dat moment is een van de zwaarste dingen die me ooit zijn overkomen. Ik had zelf ook een zoontje van zestien maanden oud. Je wilt niets liever dan die ouders hun kind teruggeven, maar je kunt niet iedereen redden. Met z’n vieren droegen we het ventje de boerderij in en legden hem op een bank in de woonkamer. Die vader ging de koeien melken. Dat was voor hem, denk ik, een manier om het ondraaglijke te ontvluchten.

‘Een paar dagen later belde een collega die vroeg hoe het met me ging. Hij was heel ervaren, had veel meegemaakt en zat al bijna aan z’n pensioen. Maar tijdens dat gesprek werd me duidelijk dat het de bedoeling was dat ik aan hém vroeg: ‘Hoe gaat het eigenlijk met jóú?’ Het bleek helemaal niet goed met hem te gaan. Vlak voor zijn pensioen kwam veel ellende naar boven, vertelde hij. Op dat moment realiseerde ik me dat ik ook bezig was krasjes op mijn ziel te verzamelen.

‘Sindsdien til ik geen laken meer op om te kijken hoe toonbaar een dode is voor de nabestaanden. Bij een dodelijke aanrijding ga ik niet meer kijken hoe de slachtoffers erbij zitten. Liever hoor ik getuigen of regel ik het verkeer. Politiemensen zijn nieuwsgierig, en dat moet ook. Maar ik zoek de confrontatie niet meer onnodig op.

‘Ik vertel dit vaak aan jonge collega’s: ongemerkt brandt ons werk kleine krasjes in je ziel. Als je jezelf niet hoeft te confronteren met het beeld van een dode, doe het dan niet. Al zijn die krasjes nog zo klein, ze tellen op. En niet alleen bij ons.

‘Een jaar na dat drama hield ik een vrouw staande. Al pratend bleek ze de echtgenote te zijn van de brandweerman die samen met mij dat kind in Bartlehiem had gereanimeerd. Ik vertelde dat ik er nachtenlang slecht van had geslapen. Toen antwoordde ze: ‘Mijn man heeft er nog steeds nachtmerries van.’’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next