Dialect, jeukend jargon, straattaal of neologisme: elke week ontwaart de Volkskrant een opvallend woord. Zoals smeerpaal.
Sinds vorig jaar staat het in de Dikke Van Dale: smeerpaal, een ‘paal aan stranden e.d. waar mensen gratis zonnebrandcrème kunnen tappen om zich in te smeren’. Onopgemerkt is deze toevoeging aan onze taal niet gebleven. Op de voorpagina van de Volkskrant werd het woord welkom geheten door Paulien Cornelisse (‘zelden zo’n goor woord gelezen voor iets dat zo zuiver en mooi is’). En na een zonnige reportage over de smeerpaal op het strand van Katwijk aan Zee volgde een brief van een lezer die het woord eveneens ‘goor’ vond.
Dat gore van smeerpaal zit ’m natuurlijk in smeer. In het Middelnederlands kon dat zowel ‘dierlijk vet’ als ‘vettig vuil’ betekenen, maar met de jaren werd de lading van het woord steeds viezer. Der Struwwelpeter, het 19de-eeuwse Duitse versje over een griezelig onverzorgd jongetje met nagels tot aan de grond, werd in het Nederlands vertaald als Piet de Smeerpoets. Ooit was een smerige maaltijd vooral heel vet, nu is die ronduit oneetbaar.
Toch is smeer nooit alléén maar vies. Het maakt dingen zacht, gehydrateerd, beweeglijk. Wat gesmeerd loopt, gaat fijn en soepel.
Afschuw en genot liggen dicht bij elkaar, en in een woord als smeer komt dat perfect tot uiting. Ik heb een vriendin die dingen ‘smeerlijk’ noemt als ze lekker en een beetje vies tegelijk zijn, zoals je vinger in een pot pindakaas steken, of het uitknijpen van een rijpe puist.
Van smeerkaas tot oorsmeer en van smeergeld tot smeerpijperij, het Nederlands druipt van het smeer. En nu is daar dus smeerpaal: een heerlijk smeerlijk woord, om nog zomers lang van te genieten.
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant