Travis Bickle is 50 – de antiheld uit ‘Taxi Driver’ werd voor de manosfeer een verzetsstrijder. Dat gebeurt bij wel meer negatief ingestoken mannelijke filmpersonages. Hoe kan dat eigenlijk?
is filmrecensent en schrijft een column over hedendaagse beeldcultuur.
Taxi Driver begon met buikpijn. Een niet te negeren buikpijn die de 26-jarige Paul Schrader overviel toen hij in 1972 een tijdje in zijn auto woonde. Hij was zijn baan kwijt, zijn vrouw én de minnares voor wie hij zijn vrouw had verlaten. Hij leed aan slapeloosheid, at junkfood, dronk excessief en keek porno om de tijd te doden.
Daarin lag de bron van die buikpijn. Een maagzweer, bleek in het ziekenhuis. Toen de verpleegkundige hem dat vertelde, realiseerde Schrader zich dat zij de eerste persoon was die hij in weken had gesproken.
‘Op dat moment kwam de metafoor van de taxichauffeur tot me’, vertelde hij later aan The Guardian. ‘Dit was ik: iemand in een blikken doos, een doodskist, zwervend door de stad, omringd door mensen, maar wanhopig alleen.’
In tien dagen schreef hij vervolgens het script voor Taxi Driver. Een vorm van exorcisme. ‘Ik móést dat personage schrijven, anders zou ik hem worden.’
Dat personage, Travis Bickle, werd een van de bekendste mannen uit de filmgeschiedenis. Een Vietnam-veteraan die niet kan slapen en daarom maar taxichauffeur wordt. Walgend van de wereld ziet hij vanuit zijn taxiraam hoe hij in nachtelijk New York omringd is door uitschot. Steeds woedender en verbitterder wordt hij, helemaal als een vrouw (‘een eenzame engel in deze smerige zooi’) hem afwijst. Steeds meer raakt hij ervan overtuigd dat hij iets moet doen.
Het is precies vijftig jaar geleden dat de klassieker van regisseur Martin Scorsese in de bioscoop verscheen. De Travis Bickles zijn er nog altijd. ‘We noemen ze tegenwoordig ‘incels’’, aldus scenarist Schrader in de Britse krant The Guardian. ‘Mannen die eenzaam zijn, die denken dat ze geen contact kunnen krijgen met vrouwen, die een enorme hoeveelheid onderdrukte woede en vijandelijkheid met zich meedragen en fantaseren dat geweld hen zal verheffen of mogelijk zelfs transformeren.’
Na dertig jaar nog altijd actueel, heet dat dan. Maar interessanter is hoe deze groep mannen zélf Travis Bickle is gaan zien. Waar Schrader bang was om te eindigen zoals hij, daar dragen zij hem op handen als een soort verzetsheld tegen de maatschappelijke orde. Iemand om zich mee te vereenzelvigen én een symbool dat ze kunnen gebruiken om hun punt te maken over de wereld zoals zij die zien.
Tijdens de iconische ‘You talkin’ to me?’-scène, zoals die online nogal eens opduikt, ziet hij er bij uitstek uit als een rebel. Robert De Niro kijkt bijna recht in de camera – uitdagend, bijna provocerend. ‘Heb je het tegen mij? Heb je het tegen míj? Ik ben de enige hier – tegen wie de fuck denk je te praten?’ Alsof de wereld een brutale tegenstander is die hem uitdaagt.
Zo líjkt het in memes, of op zo’n losse foto waarin hij zijn wapen op de camera richt met ‘You talkin’ to me?’ in tekst erbij. Maar dat is los van de context van de film. Makkelijk om dan te vergeten dat Bickle zich niet tot de kijker richt, maar tot zichzelf – hij praat tegen de spiegel. Het shot daarna toont hem vanaf schuinboven, in zijn scharrige appartementje. Nog steeds oefent hij statements, maar haperend, wat onzeker. ‘Dit is een man die het niet langer pikt. Die het opneemt tegen het uitschot, de klootzakken, de honden, het vuil, de shit.’
‘Dit is een man die opstaat’, besluit Bickle, terwijl hij zich in foetushouding opkrult op zijn eenpersoonsbed. Als regisseur Scorsese hier íets laat zien, is het dat Bickle een psychologisch instabiele man is – zijn eigen grootste tegenstander.
Er zijn meer mannelijke filmpersonages die net als Bickle krankzinnig en/of kwaadaardig zijn, maar vervolgens liefdevol werden omarmd door de manosfeer. Tyler Durden bijvoorbeeld. De macho-anarchist die de consumptiemaatschappij wil opblazen in Fight Club (1999) wordt gezien als lichtend voorbeeld. De egocentrische, amorele zakenman Gordon Gekko (Wall Street, 1987) is al sinds de jaren tachtig voor mannen de reden om in de financiële wereld te gaan werken. ‘He is literally me’, zeggen ‘sigma’s’ (zelfverklaarde autonome buitenstaanders) over Patrick Bateman, de vrouwen afslachtende beursjongen uit American Psycho (2000) en Arthur Fleck, de psychotische wannabe-komiek die in Joker (2019) een anarchistische beweging ontketent.
Wat deze personages met elkaar gemeen hebben? Net als Bickle hebben ze een kil, meedogenloos beeld van de maatschappij, waar het recht van de sterkste geldt en mensen niet naar elkaar omkijken. Vrouwen zijn afwezig of ‘spelen allemaal onder een hoedje’, aldus Bickle. Deze mannen leven volgens hun eigen regels en geloven heilig in zelfverwerkelijking.
De makers achter deze films begrijpen weinig tot niets van hun populariteit. ‘Je wéét dat het de slechterik is?’, vraagt regisseur Oliver Stone steevast aan mannen die hem vertellen dat Gekko een inspiratie is. Dat Bickle en Fleck in hun eenzaamheid herkenbaar kunnen zijn, snappen regisseurs Todd Phillips (Joker) en Scorsese, maar ze benadrukken in interviews altijd dat het mannen zijn met ernstige psychische problemen.
‘Ik kan me onmogelijk voorstellen dat mensen niet begrijpen dat Tyler Durden in Fight Club een negatieve kracht is’, aldus regisseur David Fincher. ‘Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen, of hoe ik die mensen moet helpen.’ Dat machomannen online de door haar aangezette beautyroutines van seriemoordenaar Bateman nadoen, verbijstert regisseur Mary Harron. ‘Ik vind American Psycho een satirische kijk van een gay man op masculiniteit.’
Maar als ze nooit zo bedoeld zijn, hoe kan het dan dat deze personages toch zo geïnterpreteerd worden?
Omdat de films wél die ruimte bieden. De personages zijn opzettelijk verleidelijk gemaakt en de regisseurs zorgen ervoor dat je hun gekantelde blik op de wereld gaat delen. In Taxi Driver zit je voortdurend bij Bickle op de passagiersstoel en kijk je met hem naar de prostituees en pooiers op de stoep.
American Psycho laat je de wereld ervaren vanuit Batemans narcistische blik. In Joker wordt de arme Fleck gepest, afgeblaft en genegeerd – de film geeft hem zo gelijk als hij zegt dat niemand meer denkt ‘aan de ander’. Tyler Durden en Gordon Gekko worden in de films bezien vanuit bewonderende toeschouwers die zich graag door hen laten imponeren en onderwijzen.
Daar komt bij dat ze dankzij knap geschreven monologen hun wereldbeeld – dat perfect aansluit bij dat van de manosfeer – waanzinnig goed kunnen verwoorden. ‘We zijn een generatie van mannen, opgevoed door vrouwen’, zegt Tyler Durden bijvoorbeeld. Een zinnetje dat gretig werd gekopieerd door misogyne onlinedatingcoaches.
En: ‘Je bent geen mooi en uniek sneeuwvlokje’ – een term die rechts dankbaar overnam om ‘woke-links’ weg te kunnen zetten als overgevoelig. Gekko’s iconische ‘greed is good’-toespraak kan zo de speechschrijverslesboekjes in onder het hoofdstuk ‘hoe laat je iets dat moreel verwerpelijk is logisch klinken?’
Bovendien zijn die mannen ontegenzeggelijk cool. Het blote wasbordje van Brad Pitt, de dure accessoires van Gekko en Bateman. De look van Fleck – zelfs met clownspak en schminck – is blijkbaar aantrekkelijk genoeg om de navolging die hij krijgt in de film aannemelijk te maken.
Scorseses onthulling van Bickles transformatie is verleidelijk: de camera glijdt van zijn cowboylaarzen (cool) omhoog, langs het legerjasje en de Ray-Bans (heel cool) naar zijn hanenkam (ultracool). Je zou bijna vergeten dat hij staat te wachten om een aanslag te plegen.
Het idee is dat de betovering ergens tijdens het zien van deze films doorbroken wordt. Dat de kijker deze mannen ontmaskert, omdat die tegen zijn eigen morele grenzen aanloopt en doorkrijgt wat de personages daadwerkelijk zijn: vernietigers. Psychopaten.
Als je negatieve recensies over deze films leest, gaan die er vaak over dat deze werkelijkheid door de makers niet expliciet genoeg naar voren komt. Dat het geweld er te lekker uitziet – de instortende flatgebouwen van Fight Club en de chaos aan het einde van Joker zijn opwindend visueel spektakel.
Of dat er kijkers zijn die mogelijk niet begrijpen dat American Psycho satire is of dat het einde van Taxi Driver niet écht wil zeggen dat Bickle de held is geworden die hij altijd wilde zijn.
Het is echter te makkelijk om te zeggen dat manosfeermannen te dom zijn om dit soort films te begrijpen. Waarschijnlijk begrijpen ze die prima, maar sympathiseren ze meer met die sterk neergezette personages en hun wereldbeeld dan de morele boodschap.
Ze kiezen ervoor in deze verhalen iets anders te zien: autonome mannen die zelfbewust hun plek in de wereld opeisen, zoals zij dat ook willen. Ze citeren alleen het deel dat voor hen bruikbaar is – zoals bij ‘You talkin’ to me?’-memes. Juist omdat ze weten dat het niet de bedoeling is om deze antagonisten te vereren, is het op een schild hijsen van deze antisociale types een vorm van rebellie.
Dat mannen zich te letterlijk kunnen identificeren met deze personages is geen nieuw fenomeen. Al in 1999 ontstonden er vechtclubs na Fight Club. Nog bekender is het verhaal van John Hinckley, die Taxi Driver achttien keer zag, ervan overtuigd raakte dat hij Bickle was, een obsessie ontwikkelde voor actrice Jodie Foster en uiteindelijk een aanslag pleegde op de Amerikaanse president Ronald Reagan.
Scenarist Schrader vertelde hoe een jongen ooit zijn kantoor is binnengedrongen. ‘Die film – Taxi Driver. Wie heeft je over me verteld?’, vroeg hij op dreigende toon.
‘Eerlijk: niemand heeft me over je verteld’, antwoordde Schrader, nadat hij razendsnel had gescand of de indringer een wapen bij zich had. ‘Er zijn meer mensen zoals jij dan je denkt. Heb je wel eens een filmstudio gezien?’ En daarna reed hij een rondje met hem, in zo’n golfkarretje.
Dít was altijd de grootste angst: dat deze films niet-begrijpende lone wolves zou inspireren tot gewelddadige acties. Nu, met dank aan internet, blijkt er een heel ander gevaar te bestaan: deze personages blijken de maatschappelijk teleurgestelden te verenigen in hun woede. Via hen wordt zo onder een groeiende groep een nihilistisch wereldbeeld verspreid. Onbedoeld hebben deze films, die daar júist vraagtekens bij willen zetten, hun de iconografie op een bordje aangereikt.
Een anarchistische alfaman die er heilig in gelooft dat de kapitalistische consumptiemaatschappij mannen tot slappelingen heeft gemaakt. Via een netwerk van door hem opgerichte ‘fight clubs’ rekruteert hij een leger voor zijn Project Mayhem, met als doel te maatschappij te ontwrichten.
Psychologisch profiel*
Gespleten persoonlijkheid, antimaterialistische filosofie als copingmechanisme.
Aantrekkelijkheidsfactoren
Durden is Brad Pitt op zijn meest afgetraind. Daarnaast heeft hij een geweldig rood leren jack.
Quote
‘We zijn allemaal opgevoed met televisie en het idee dat we op een dag allemaal miljonair zouden worden, of filmgoden en rocksterren. Maar dat is niet zo. En dat beginnen we langzaam te beseffen. En daar zijn we heel, heel pissig over.’
Investeerder en eigenaar van Gekko & Co. – een bedrijf dat alleen denkt aan het maximaliseren van de winst. Plundert pensioenfondsen, zorgt voor massa-ontslagen en is daar trots op.
Psychologisch profiel*
Amorele narcist, een klassiek voorbeeld van de ‘corporate psychopath’.
Aantrekkelijkheidsfactoren
Perfecte maatpakken, peperdure bretels, horloges, dasspelden, manchetknopen. Strak achterovergekamd haar, wat lichtelijk hint op hoe strak Gekko de touwtjes in handen wil hebben.
Quote
‘Ik creëer niets. Ik bezit. Wij maken de regels, vriend. Het nieuws, oorlog, vrede, honger, onrust, de prijs per paperclip. (…) Je bent toch niet zo naïef dat je denkt dat we in een democratie leven? Dit is de vrije markt.’
Overdag bankier, ’s nachts seriemoordenaar. De wereld waarin hij zich beweegt is zo oppervlakkig en onverschillig dat niemand luistert als hij zijn misdaden opbiecht. Hij kent alleen liefde voor gezichtsmaskers, mooie visitekaartjes, jarentachtigmuziek en het boek The art of the deal (Donald Trump).
Psychologisch profiel*
Antisociale en psychopathische narcist met diep gevoel van ennui.
Aantrekkelijkheidsfactoren
Hij heeft spullen. Heel veel spullen. De beste spullen.
Quote
‘Mijn pijn is continu en hevig, en ik geloof niet in een betere wereld voor wie dan ook. Sterker nog: ik wil dat anderen mijn pijn voelen. Niemand mag daaraan ontsnappen.’
Een verbitterde komiek die er wanhopig naar verlangt gezien te worden door de maatschappij die hem uitkotst. Groeit met een aantal gewelddadige uitbarstingen onbedoeld uit tot symbool voor volkswoede.
Psychologisch profiel*
PTSS door traumatische jeugd, depressie, psychotische wanen, pathologische lachstoornis.
Aantrekkelijkheidsfactoren
Zijn zelfverzekerdheid als hij een clownspak draagt.
Quote
‘Wat krijg je als je een mentaal verwarde eenling kruist met een maatschappij die hem de rug toekeert en hem als vuil behandelt? Ik zal je zeggen wat je dan krijgt: dan krijg je wat je verdient.’
Vereenzaamde veteraan die steeds woedender wordt over de met vuil gevulde straten van New York. Hij besluit een minderjarige prostituee (Jodie Foster) te redden uit de handen van haar pooiers.
Psychologisch profiel*
Messias-complex, versterkt door paranoia, PTSS, sociaal isolement en slapeloosheid.
Aantrekkelijkheidsfactoren
De combinatie van legerjasje, Ray-Ban-zonnebril en hanenkam.
Quote
‘Ik moet in vorm komen. Te veel zitten heeft mijn lichaam verpest. Te veel misbruik is te lang doorgegaan. Vanaf nu is het iedere ochtend vijftig push-ups en vijftig pull-ups. Geen pillen meer, geen slecht eten, niets dat mijn lichaam vernietigt. Vanaf nu heb ik de totale regie – elke spier moet strak zijn.’
* Gebaseerd op persoonlijke, zeker niet wetenschappelijk gefundeerde analyse en op de mening van online therapeuten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant